id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.133 Rolnummer: A. 112763/VII-25027 Zaak: Arrest 150133 - - 13/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 02:08 Fiche Arrest nr 150.133 van 13 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.133 van 13 oktober 2005 in de zaak A. 112.763/VII-25.027 In zake :
- XXX,
- XXX, wonende te 2100 DEURNE, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Armeense nationaliteit, op 12 november 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 oktober 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 10 december 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 26 juli 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 6 september 2005; VII-25.027-1/9 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat C. DECORDIER, die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- De verzoekende partijen kwamen België binnen op 4 februari 2000 en verklaarden zich diezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 23 januari 2001 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 25 oktober 2001 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen als volgt: Voor de eerste verzoekende partij: "Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Armeens staatsburger van Armeense origine kende in uw land problemen omwille van uw activisme tegen de privatiseringen en uw betrokkenheid bij de verkiezingen van 1998 en
- U trok op 15 februari 1997 naar een toespraak van de burgemeester in het centrum van Artashat. U nam er zelf het woord en uitte kritiek VII-25.027-2/9 omdat de burgemeester privé belangen nastreefde in het kader van deze privatisatie. U werd hierna door drie mensen meegenomen achter het podium en werd er in elkaar geslagen. Een van hen was Zorabian Armen, een aanhanger van de burgemeester. U bracht hierna drie dagen in het ziekenhuis door. U diende vervolgens klacht in bij de politie, het Openbaar Ministerie en het Veiligheidscomité. U kon evenwel geen getuigen aandragen. U ontving in de daaropvolgende dagen dreigtelefoontjes. Op 2 maart 1997 kwamen enkele mensen op uw werk langs, tijdens uw afwezigheid. Op 8 maart 1997 zochten diezelfde personen u thuis op. Uw vrouw weigerde hen binnen te laten, waarop op de deur werd geschoten. Uw dochter werd hierbij door een kogel geraakt. Ze werd in het ziekenhuis geopereerd en verbleef er tien dagen. Uw vrouw kreeg vanwege de schrik een levercirose. Uw echtgenote overleed ten gevolge hiervan op 4de april
- Uw dochters toestand verslechterde na een tijdje en ze overleed op 14 april
- U diende hierover klacht in bij de politie en het openbaar ministerie. Volgens uw verklaringen werd de dader door de autoriteiten gezocht, maar vluchtte hij naar het buitenland. U trad in augustus 1998 op als vertrouwenspersoon van Harut Mnatsajkanjan die opkwam bij de burgemeesterverkiezingen in Artashat. U protesteerde tegen de verkiezingsfraude die werd gepleegd waarop u zowel als uw zoon bedreigingen ontvingen. In de kazerne waar uw zoon zijn legerdienst deed, kwamen onbekenden langs, doch ze zouden er niet in zijn geslaagd uw zoon te interpelleren. Omstreeks september 1998 werd u beschoten in uw auto. U diende hierover klacht in. U ontving eveneens voortdurend telefonische bedreigingen. Omstreeks december 1998 werd u door een aantal personen opgezocht, waarbij men 10.000$ van u eiste. Eind mei 1999 nam u als waarnemer van Tigram Petrosjan aan de verkiezingen deel. Omstreeks tien uur ’s avonds werd Sejran, een vriend van u, in elkaar geslagen. Hij werd naar het hospitaal gebracht, waar hij twee dagen verbleef. U zelf kreeg eveneens klappen tijdens dit incident. Omstreeks 25 december 1999 kwamen een aantal mannen in uw sauna langs en werd de hele inboedel aan diggelen geschoten. U ontsnapte op ’t nippertje via de geheime uitgang. Op 17 januari 2000 werd uw vriend Serjan doodgeschoten. U dook hierop tien dagen onder bij een vriend (Samwell). U verliet op 27 januari 2000 het land. U kwam op 4 februari 2000 België binnen. U bent in het bezit van een rijbewijs, een huwelijksakte en twee overlijdensaktes (vrouw en dochter). Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat u in oktober 1999 hertrouwde met Demirtchian Meri (4.919.333), die u tevens vergezelde naar België. De geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt volledig ondermijnd nadat werd vastgesteld dat uw verklaringen voor het CGVS in zware tegenstrijd staan met uw eerdere verklaringen voor de DVZ. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u voor het CGVS verklaarde dat u tijdens een toespraak op 15 februari 1997 door drie mensen naar een open ruimte achter het gebouw werd geleid alwaar u alleen door hen werd geslagen (verslag CG, p.2-4). Dit staat echter in tegenstrijd met uw verklaringen voor DVZ, waar u stelde dat u tijdens uw toespraak door vier personen naar een kamertje werd geleid waar zowel u als uw vriend Sejram in elkaar werden geslagen (verslag DVZ, pt. 42). Verder is het ook zo dat u voor de DVZ beweerde dat u na 25 december 1998 tweemaal werd beschoten toen u met uw auto op de terugweg was van Jerevan. Dit incident vond bovendien plaats nadat u op 25 december 1998 op uw werk was opgezocht en bedreigd door één van de betrokkenen bij het incident van 15 februari
- (verslag DVZ, pt. 42) Deze gegevens staan evenwel in tegenstrijd met uw verklaringen voor het CGVS, waarin u weliswaar opmerkte te zijn beschoten, doch deze beschieting evenwel situeert omstreeks september of oktober 1998 (verslag CGVS, p.8). Bovendien stelde u dat u slechts nadien door onbekenden werd opgezocht en bedreigd. (verslag CGVS, p.9). Met betrekking tot het overlijden van uw echtgenote dient te worden opgemerkt dat het merkwaardig is u voor het CGVS stelde dat uw echtgenote overleed aan een levercirose, hetgeen volgens uw verklaringen tevens als doodsoorzaak vermeld staat op de overlijdensakte van het door u ingediende attest. (verslag CGVS, p. 6) In tegenstrijd hiermee staan immers uw verklaringen voor DVZ, waarin u stelde dat uw echtgenote overleed ten gevolge van bloedkanker (verslag DVZ, pt. 42) Verder is het eveneens zo dat u voor het CG stelde dat u tijdens de verkiezingen van 30 augustus 1999 te Artashat optrad als vertrouwenspersoon van XXX (verslag CGVS, p.8). Dit staat in tegenstrijd met uw verklaringen voor de DVZ, waaruit op generlei VII-25.027-3/9 wijze blijkt dat u een dergelijke functie vervulde tijdens desbetreffende verkiezingen (verslag DVZ, pt. 42). Tenslotte dient te worden opgemerkt dat u voor het CGVS stelde dat uw vriend Sejran ten gevolge van de verwondingen die hij op 30 mei 1999 opliep twee dagen in het ziekenhuis diende te verblijven (verslag CGVS, p.10). Dit staat evenwel in tegenstrijd met uw eerdere verklaringen voor de DVZ, waarin u stelde dat ten gevolge van de verwondingen die Sejran die dag opliep hij 1 maand in het ziekenhuis diende te verblijven (verslag DVZ, pt. 42). Bovenstaande vaststellingen maken dat geen geloof meer kan worden gehecht aan uw asielrelaas. De overige door u ingediende documenten (huwelijksakte, rijbewijs, overlijdensakte dochter) vermogen geen afbreuk te doen aan bovenstaande vaststellingen aangezien ze slaan op persoonsgegevens die niet worden betwist.". Voor de tweede verzoekende partij: "Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Armeens staatsburger van Armeense origine kende in uw land problemen omwille van de problemen die uw echtgenoot er kende. U leerde omstreeks september 1999 uw echtgenoot kennen. U trad met hem in het huwelijk op 20 oktober
- U was niet op de hoogte van de problemen van uw echtgenoot. U werd omstreeks december 1999 opgebeld en men vroeg u waarom u was getrouwd. Bovendien kreeg u te horen dat uw echtgenoot geen gelukkig leven verdiende. Op 17 januari 2000 kwam de vriend van uw echtgenoot, Samwell genaamd, laat binnen in uw huis. Hij vertelde jullie dat een kameraad van uw man was vermoord. U dook hierop tien dagen onder bij Samwell, tezamen met uw echtgenoot. Op 27 januari 2000 verliet u het land, tezamen met uw echtgenoot. U kwam in België binnen op 4 februari
- U bent in het bezit van een werkbadge, een militair boekje en een diploma. Uit uw verklaring blijkt dat u uw asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door uw echtgenoot ter staving van zijn asielrelaas. Wat betreft het door hem ingestelde beroep werd een bevestigende beslissing genomen. Derhalve dient ook voor u een bevestigende beslissing te worden genomen. De door u ingediende documenten (werkbadge, militair boekje, diploma) vermogen aan bovenstaande vaststelling geen afbreuk te doen, aangezien ze betrekking hebben op persoonsgegevens die niet worden betwist.". Dit zijn de bestreden beslissingen; VII-25.027-4/9 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren dat luidt als volgt: "Schending van de motiveringsplicht en de beginselen van behoorlijk bestuur Het CGVS verwerpt de asielaanvraag van de betrokkenen op basis van de zogezegde tegenstrijdigheden. De zogezegde tegenstrijdigheden zijn ofwel niet bestaande ofwel zijn zij niet van die aard om de aanvraag van de verzoekers bedrieglijk te verklaren. Ten eerste: een vergissing omtrent het aantal personen die betrokkene in 1997 hebben geslagen, drie versus vier, is geen tegenstrijdigheid die de kern van de aanvraag aantast. De feiten dateren van vier jaar geleden en van verzoeker kan niet verwacht worden om deze met precisie weer te geven. Het is bovendien zo dat dit feit niets te maken heeft met de vlucht van betrokkene. Verzoeker heeft zijn land van herkomst verlaten ongeveer drie jaar na dit feit, hetgeen aantoont dat verzoeker dit feit niet als dusdanig belangrijk heeft beschouwd om het land te verlaten. Het gaat hier met andere woorden om een tegenstrijdigheid in verband met een evenement van ongeveer vijf jaar geleden dat zelf niets te maken had met de vlucht van de betrokkenen. Dit element aanhalen om de aanvraag van verzoeker te verwerpen is een schending van het redelijkheidsbeginsel dat van het bestuur moet verwacht worden bij het nemen van zijn beslissingen. Ten tweede: met betrekking tot het overlijden van de echtgenote van de verzoeker dient opgemerkt te worden dat verzoeker de overlijdensakte van zijn vrouw heeft neergelegd waarin de oorzaak van de dood vermeld staat. Betrokkene had er geen belang noch interesse bij om de doodsoorzaak verkeerd te vermelden. Zijn mondelijke uitleg omtrent de medische oorzaak van de dood werd door de vertaler anders opgevat en weergegeven. Bovendien, wat heeft het overlijden van de echtgenote te maken met de asielaanvraag van de verzoeker ? Nergens blijkt uit de verklaringen van de verzoeker dat de dood van zijn echtgenote het gevolg was van de vervolgingen die hij persoonlijk heeft ondervonden. Het CGVS schendt op grove wijze de grenzen van de redelijkheid wanneer het een feit aanhaalt ter verwerping van de asielaanvraag dat überhaupt niets te maken heeft met de aanvraag zelf. Ten derde: het niet vermelden van een feit kan niet als een tegenstrijdigheid beschouwd worden. Het feit dat verzoeker niets heeft vermeld omtrent zijn hoedanigheid tijdens de verkiezingen van 1999 kan niet als een tegenstrijdigheid beschouwd worden. Ten vierde: er moet gesteld worden dat de vriend van de verzoeker, de heer Sejran, twee dagen na zijn verwondingen overleed. Hoe kan hij dan een maand in het ziekenhuis verbleven hebben ? De verklaringen van de verzoeker werden verkeerd genoteerd. Tenslotte moet gesteld worden dat de verwerende partij de verklaringen van de verzoeker heeft herleid tot enkele losstaande feiten. De vervolgingen van de verzoeker omwille van zijn politieke aktiviteiten, het overlijden van zijn dochter ten gevolge van de rechtstreekse vervolgingen aan zijn adres, de weigering tot bescherming vanwege de autoriteiten, de aanslag op het leven van de verzoeker enz., zijn door het CGVS herleid tot enkele zinnen uit de verklaringen van de verzoeker. Het CGVS heeft aldus geen rekening gehouden met de essentie zelf van de aanvraag. Hierdoor schendt het CGVS de motiveringsplicht en de beginselen van de redelijkheid."; 2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert: "In hun middel beroepen verzoekers zich op een schending van de motiveringsplicht en de beginselen van behoorlijk bestuur. In casu oordeelde de Commissaris-generaal naar aanleiding van de in de bestreden beslissing opgenomen tegenstrijdigheden dat geen geloof meer kon gehecht worden aan het asielrelaas van verzoeker. VII-25.027-5/9 - Met betrekking tot het incident toen verzoeker werd geslagen pogen verzoekers deze opgenomen tegenstrijdigheid te weerleggen door te stellen dat drie versus vier daders geen tegenstrijdigheid is die de kern van de aanvraag aantast. Verweerder antwoordt dat verzoeker zijn tegenstrijdige verklaringen onterecht reduceert tot het aantal daders. Zoals uit het administratief dossier blijkt en in de beslissing werd opgemerkt legde verzoeker in verband met dit incident eveneens tegenstrijdige verklaringen af omtrent de plaats waar hij werd geslagen en het feit dat hij alleen versus zowel hij als zijn vriend werden geslagen. Bovendien is het argument van verzoekers dat dit feit niets te maken heeft met de vlucht van verzoeker strijdig met zijn verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaatgeneraal (CGVS) waar hij dit incident aanhaalde als één van de elementen ter ondersteuning van zijn asielaanvraag. - Het argument dat de mondelinge uitleg van verzoeker omtrent de medische oorzaak van het overlijden van zijn toenmalig echtgenote door de vertaler anders werd opgevat en weergegeven kan niet worden aanvaard, daar nergens uit het administratief dossier blijkt dat zich problemen zouden hebben voorgedaan met de vertaling. Bovendien begrijpt verweerder niet waarom verzoekers zich afvragen wat het overlijden van de echtgenote te maken heeft met de asielaanvraag van verzoeker. Verzoeker zelf verklaarde uitdrukkelijk op het CGVS dat zijn vrouw vanwege de schrik van het incident van 8 maart 1997 een levercirose kreeg en ten gevolge hiervan overleed. - Verzoeker verklaarde bij het CGVS in zijn land problemen te hebben gekend omwille van zijn activisme tegen de privatiseringen en zijn betrokkenheid bij de verkiezingen van 1998 en
- Nochtans maakte verzoeker tijdens het eerste interview op de DVZ op generlei wijze melding maakte van zijn functie als vertrouwenspersoon tijdens de verkiezingen van 30 augustus
- Verweerder herhaalt dat deze vaststelling mede de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas ondermijnt. - In de bestreden beslissing wordt de tegenstrijdigheid opgenomen dat verzoeker vooreerst bij de DVZ (pt. 42) verklaarde dat zijn vriend ten gevolge van zijn verwondingen 1 maand in het ziekenhuis diende te verblijven en vervolgens bij het CGVS verklaarde dat deze laatste twee dagen in het ziekenhuis diende te verblijven. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker zijn verklaringen bij de DVZ ondertekende, nadat deze hem werden voorgelezen in het Armeens. Bovendien antwoordt verweerder dat verzoekers zich op niets baseren wanneer zij stellen dat de verklaringen van verzoeker verkeerd werden genoteerd. - De in de bestreden beslissing opgenomen tegenstrijdigheden vinden hun grondslag in het administratief dossier en hebben betrekking op de kern van het asielrelaas. Volledigheidshalve benadrukt verweerder dat rekening moet worden gehouden met alle opgenomen tegenstrijdigheden."; 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij zich in haar memorie van antwoord aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij, en stelt dat met betrekking tot het bevel het grondgebied te verlaten geen middel wordt ontwikkeld; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord integraal naar de argumenten en het middel aangehaald in hun verzoekschrift tot nietigverklaring verwijzen; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen betwisten dat de motieven waarop de bestreden beslissingen zijn gesteund, deze beslissingen kunnen dragen; dat zij aldus de schending aanvoeren van de materiële motiveringsplicht; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de bevoegde VII-25.027-6/9 administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat uit de bestreden beslissing van eerste verzoeker blijkt dat de Commissaris-generaal van oordeel is dat zijn asielaanvraag bedrieglijk is daar de geloofwaardigheid van eerste verzoekers asielrelaas volledig wordt ondermijnd nadat werd vastgesteld dat zijn verklaringen voor het Commissariaat-generaal in zware tegenstrijd staan met zijn eerdere verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken; dat verzoekers de tegenstrijdigheden in hun middel trachten te minimaliseren door te stellen dat ze "ofwel niet bestaande (zijn) ofwel (...) niet van die aard (zijn) om de aanvraag van de verzoekers bedrieglijk te verklaren"; Overwegende dat, wat de eerste door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheid betreft, deze tegenstrijdigheid, in tegenstelling tot hetgeen verzoekers voorhouden, niet enkel het feit betreft of eerste verzoeker door drie of door vier personen geslagen werd, doch eveneens de plaats waar hij geslagen werd, alsook de omstandigheid of zijn vriend Sejran er al dan niet bij betrokken was; dat daarenboven uit de verhoorverslagen van het Commissariaat-generaal en van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat eerste verzoeker de feiten van 1997 uitgebreid uiteenzet als één van de elementen ter ondersteuning van zijn asielaanvraag, zodat bezwaarlijk kan worden aangenomen dat deze niets te maken zouden hebben met verzoekers vlucht uit zijn land van herkomst; dat deze eerste vaststellingen van de Commissaris-generaal aldus steun vinden in het administratief dossier en geenszins als kennelijk onredelijk voorkomen; Overwegende dat de volgende door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheid omtrent de omstandigheid dat eerste verzoeker werd beschoten, in het verzoekschrift niet wordt weerlegd; Overwegende dat, wat de derde door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheid betreft, het argument van verzoekers dat deze tegenstrijdigheid betreffende de oorzaak van het overlijden van eerste verzoekers echtgenote te wijten is aan een andere opvatting en weergave door de vertaler niet kan worden aanvaard, daar nergens uit het verhoorverslag blijkt dat zich problemen zouden hebben voorgedaan met de vertaling; dat eerste verzoeker voorts zelf voor het Commissariaat- generaal uitdrukkelijk verklaarde dat zijn vrouw vanwege de angst naar aanleiding van het incident op 8 maart 1997 een levercirrose kreeg en ten gevolge hiervan overleed (zie verhoorverslag CGVS, p. 6); dat de vastgestelde tegenstrijdigheid omtrent deze gebeurtenis VII-25.027-7/9 dan ook redelijkerwijze door de Commissaris-generaal in aanmerking genomen kon worden bij het vormen van zijn oordeel; Overwegende dat verzoekers vervolgens stellen dat het niet vermelden van een feit, met name de rol van eerste verzoeker tijdens bepaalde verkiezingen, niet als een tegenstrijdigheid kan worden beschouwd; dat van de kandidaat-vluchteling evenwel wordt verwacht dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de beslissing van een persoon om zijn land van herkomst te verlaten dermate fundamenteel en ingrijpend is, dat hij geacht wordt bij machte te zijn om desbetreffend een volledig en coherent verhaal te vertellen; dat verzoekers met hun stelling geen verschoning bieden voor het verzuim om feiten die aanleiding vormden tot hun vlucht uit het land van herkomst te vermelden; Overwegende dat, wat betreft de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheid aangaande de hospitalisatie van eerste verzoekers vriend Sejran, de verklaring in het verzoekschrift geenszins overeenkomt met de verklaringen die eerste verzoeker aflegde bij de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal; dat de door de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheid met name betrekking heeft op de verwondingen van zijn vriend in 1999 en niet op het overlijden van Sejran in 2000; dat uit eerste verzoekers verklaringen eveneens blijkt dat Sejran in 2000 werd neergeschoten en niet in het ziekenhuis werd opgenomen; Overwegende dat de beslissing betreffende tweede verzoekster niet wordt bekritiseerd; Overwegende dat er bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht rekening dient te worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich; dat het immers het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven is dat de Commissaris-generaal heeft doen besluiten tot de bedrieglijkheid van eerste verzoekers asielaanvraag; dat in casu in de bestreden beslissing van eerste verzoeker wordt vastgesteld dat ernstige tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas ondermijnen; dat de bestreden beslissing, uitgaande van de vastgestelde en uitvoerig weergegeven feiten, precies aangeeft hoe de toepasselijke rechtsregel (artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen) tot de bevestigende beslissing van weigering van verblijf VII-25.027-8/9 heeft geleid; dat verzoekers er niet in slagen aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt kennelijk onredelijk of onjuist zouden zijn; dat de bestreden beslissingen, na een uiteenzetting van het vluchtrelaas, gedetailleerde overwegingen bevatten die de beslissingen afdoende motiveren; dat het enige middel bijgevolg niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober tweeduizend en vijf, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-25.027-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.133 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.