id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.135 Rolnummer: A. 153111/VII-34314 Zaak: Arrest 150135 - - 13/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 02:08 Fiche Arrest nr 150.135 van 13 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.135 van 13 oktober2005 in de zaak A. 153.111/VII-34.314 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. CASIER, kantoor houdende te 9051 GENT/SINT-DENIJS-WESTREM, Pleispark 31 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Cubaanse nationaliteit, op 24 juni 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 mei 2004 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 april 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 13 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 26 juli 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 6 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-34.314-1/14 Gehoord de opmerkingen van Advocaat , die, loco Advocaat L. CASIER, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 21 maart 2004 en verklaarde zich vluchteling op 23 maart
- 1.
- Op 7 april 2004 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 25 mei 2004 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt : "A. Vluchtrelaas U verklaarde de Cubaanse nationaliteit te bezitten en te Havana gewoond te hebben. Sinds eind 2000 zou u, samen met een studiegenoot, Roberto Mejia, een dissidente groep gevormd hebben, die gekant was tegen het regime in Cuba. De groep zou geen specifieke naam gehad hebben. Op 27 maart 2003, toen u aan de bushalte stond, zou u gezien hebben hoe een jongen op zijn fiets tegengehouden werd door de politie. Ze zouden hem zijn identiteitsbewijs gevraagd hebben en gevraagd hebben om zijn zak te openen. De jongen zou echter geweigerd hebben en daarop zou één agent hem geslagen hebben. Aan de bushalte zou een grote groep mensen gestaan hebben, die, samen met u reageerden op de harde aanpak van de politie die niet gerechtvaardigd was. De politie zou de jongen alsnog meegenomen hebben en even later teruggekomen zijn. U zou nog steeds aan de bushalte gestaan hebben samen met enkele andere mensen. De agenten zouden daarop uw identiteitskaart gevraagd hebben en u gezegd hebben dat u geen commentaar hoefde te leveren over de mensenrechten. Ze zouden u de handboeien omgedaan hebben en meegenomen hebben. Eenmaal aangekomen in het politiekantoor zouden ze u in een kamer opgesloten hebben. Rond drie uur ’s nachts zouden twee personen u meegenomen hebben en u naar een andere zaal gebracht hebben waar een man in uniform zat die zich voorstelde als Hosmel Lovaina, uw instructeur. De andere man zou zich niet voorgesteld hebben en ook niets gezegd hebben. Hosmel Lovaina zou het bevel gegeven hebben om u over te brengen naar de gevangenis '100 y alda voz'. U zou samen met enkele anderen in een cel voor vier personen gezeten hebben. De volgende morgen zouden ze u uit uw cel gehaald hebben en foto’s en uw vingerafdrukken genomen hebben. Na een week zouden ze u uit de cel gehaald hebben en u meegenomen hebben naar Hosmel voor ondervraging. Hij zou u ondervraagd hebben over mensenrechten en u gevraagd hebben met wie u omging. Hij zou u foto’s getoond hebben en u gevraagd hebben of u de mensen kende die op de foto’s afgebeeld stonden. Ze zouden u eveneens geslagen hebben. Zonder enige regelmaat, soms wekelijks of om de twee weken, zou u uit uw cel gehaald zijn en op deze manier ondervraagd en geslagen zijn. Na 2,5 maand opsluiting zou u geen bezoek VII-34.314-2/14 meer mogen ontvangen hebben. In de gevangenis zou u Ricardo Latambli ontmoet hebben. Na zijn vrijlating zou hij zich aangesloten hebben bij de dissidente beweging waar u deel van uitmaakte. Op 5 oktober 2003 zou u voorwaardelijk vrijgelaten zijn. Na uw vrijlating zou u zich steeds op maandag in het politiekantoor moeten melden en een document ondertekenen. ’s Avonds mocht u het huis niet verlaten. Er zou geen officiële beschuldiging tegen u geweest zijn. Ze zouden u opgedragen hebben om niets te zeggen over uw opsluiting, enkel dat u zou vastgezeten hebben voor 'causa 178', voor economische activiteiten. Eind 2003 zou uw dochter op een nacht ziek geworden zijn. Samen met uw echtgenote zou u naar buiten gegaan zijn om haar naar het ziekenhuis te brengen. Onderweg zou u echter tegengehouden zijn door de politie en meegenomen zijn naar het politiekantoor. Ze zouden u de hele nacht vastgehouden hebben en pas de volgende dag weer vrijgelaten zijn. Op 27 februari 2004 zou uw vriend, Mejia, die in Matanzas woont, u opgebeld hebben. Hij zou u gevraagd hebben of hij bij u kon logeren en u zou hem bij u thuis uitgenodigd hebben. U zou echter geen toestemming gevraagd hebben aan het CDR (Comite de Defensa de la Revolucion) en twee dagen na de aankomst van Mejia zou de voorzitter van CDR naar uw huis gekomen zijn en gezegd hebben dat u geen logies mocht ontvangen zonder toestemming van CDR. Samen met Mejia zou u gepland hebben om op 5 maart 2004 aan de busterminal in Havana folders te verspreiden met de anti-revolutionaire slogans. U zou ook Ricardo Latambli gecontacteerd hebben en samen zouden jullie die dag folders verspreid hebben. Na afloop van de actie zou Ricardo echter niet naar de afgesproken plaats gekomen zijn. Mejia en u zouden niet langer gewacht hebben en naar huis gegaan zijn. Mejia zou zijn spullen genomen hebben en meteen daarna vertrokken zijn. Ook u zou niet langer thuis gebleven zijn en tot de avond bij een vriend gebleven zijn. ’s Avonds zou u terug naar huis gegaan zijn. De volgende dag, op 6 maart 2004 zou u naar uw schoonzus Jolesi gegaan zijn voor haar verjaardag. Samen met uw gezin zou u daar de dag en de nacht doorgebracht hebben. De volgende dag zou u naar uw vriend Reinaldo gebeld hebben, die vaak bij u thuis is, en hij zou u gezegd hebben dat de politie naar uw huis gekomen was. Via Reinaldo zou u eveneens vernomen hebben dat Ricardo opgepakt werd en zou gedood worden. U zou daarop naar uw vriend Chirino gebeld hebben, die op de Amerikaanse ambassade werkt. Hij zou u bij uw schoonzus opgehaald hebben en mee naar huis genomen hebben. Tot uw vertrek uit Cuba zou u bij hem gebleven zijn. Chirino zou uw reis geregeld hebben en op 20 maart 2004 zou u vanuit Havana naar Brussel gereisd zijn, waar u op 21 maart 2004 zou aangekomen zijn. Op 23 maart 2004 vroeg u hier asiel aan. U legde geen documenten voor ter staving van uw asielrelaas. B. Motivering Vooreerst dient te worden gesteld dat slechts weinig geloof kan gehecht worden aan uw verklaringen tijdens het gehoor in dringend beroep als zou u in uw land van herkomst politieke activiteiten gehad hebben. Zo verklaarde u tijdens het gehoor in dringend beroep dat u sinds eind 2000 actief was voor een dissidente groep, die u samen met uw studievriend Mejia zou opgericht hebben (zie gehoorverslag dringend beroep p. 4-5). Uit het gehoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) blijkt echter dat u ontkennend antwoordde op de vraag naar uw politieke activiteiten (zie gehoorverslag DVZ p. 14). U vermeldde weliswaar dat uw vriend Roberto Mejia mensenrechtenactivist was, maar u vermeldde geenszins dat ook u actief zou geweest zijn voor de groep waar hij deel van uitmaakte (zie gehoorverslag DVZ p. 14). Toen u geconfronteerd werd met uw eerdere verklaring op de DVZ verklaarde u dat ze u tijdens het gehoor op de DVZ geen details vroegen (zie gehoorverslag dringend beroep p. 6), wat echter allerminst verklaart waarom u ontkennend antwoordde op de vraag naar uw politieke activiteiten in Cuba. Gelet op deze cruciale tegenstrijdige verklaring kan geen verder geloof gehecht worden aan uw beweerde politiek engagement in uw land van herkomst. Gezien precies uw politiek engagement in twijfel getrokken wordt, kan evenmin geloof gehecht worden aan uw verklaringen omtrent uw rechtstreekse vluchtaanleiding die u in verband brengt met uw politieke activiteiten. Tijdens het gehoor in dringend beroep verklaarde u immers dat u, kort voor uw vertrek uit Cuba, op 5 maart 2004, folders zou verspreid hebben met anti-revolutionaire slogans samen met Mejia en Ricardo. Ricardo zou na afloop van de actie niet naar de afgesproken plaats gekomen zijn en enkele dagen na deze actie zou u door de politie gezocht zijn VII-34.314-3/14 (zie gehoorverslag dringend beroep p. 19). Tijdens het gehoor op de DVZ vermeldde u echter niets over deze actie waarbij u folders zou verspreid hebben samen met Mejia en Ricardo. U vermeldde enkel dat Mejia bij u te gast was begin maart 2004 en dat u dacht dat de politie u zocht omdat u onderdak verleende aan uw vriend (zie gehoorverslag DVZ p. 14-15). Toen u gevraagd werd waarom u dit feit onvermeld liet tijdens het gehoor op de DVZ, verklaarde u dat u geen vertrouwen had in het gehoor omdat u hoorde dat ze zeiden dat u een Afrikaans accent had (zie gehoorverslag DVZ p. 21). Dit is echter allerminst afdoende om te verklaren waarom u dergelijk belangrijk incident onvermeld liet tijdens het gehoor op de DVZ; temeer daar u uw politiek engagement en het incident dat uiteindelijk geleid heeft tot uw vertrek uit Cuba eveneens onvermeld liet in uw uitgebreid en gemotiveerd verzoekschrift dringend beroep dd.08/04/
- Voorts zijn ook uw verklaringen over de omstandigheden van uw arrestatie en detentie weinig coherent waardoor ook kan getwijfeld worden aan de oprechtheid van uw verklaringen hieromtrent. Zo blijkt uit het gehoorverslag van de DVZ dat de jongen die door de politie tegengehouden werd, te voet was (zie gehoorverslag DVZ p. 13), terwijl u tijdens het gehoor in dringend beroep verklaarde dat hij aan het fietsen was (zie gehoorverslag dringend beroep p. 8). Uit het gehoorverslag van de DVZ blijkt voorts dat beide politie-agenten de jongen sloegen (zie gehoorverslag DVZ p. 13), terwijl u tijdens het gehoor in dringend beroep verklaarde dat slechts één van beide agenten de jongen sloeg (zie gehoorverslag dringend beroep p. 16). Voorts verklaarde u tijdens het gehoor op de DVZ dat u één dag na uw aankomst in de gevangenis reeds verhoord werd (zie gehoorverslag DVZ p. 14), terwijl u tijdens het gehoor in dringend beroep verklaarde dat u pas na één week verhoord werd (zie gehoorverslag dringend beroep p. 12 en p. 16). Uit het gehoorverslag van de DVZ blijkt verder dat u regelmatig in een andere cel opgesloten werd (zie gehoorverslag DVZ p. 14). Tijdens het gehoor in dringend beroep verklaarde u dan weer dat u steeds in dezelfde cel zat (zie gehoorverslag dringend beroep p. 13 en p. 17). Na confrontatie met uw eerdere verklaringen, zei u dat u de verklaringen zoals ze genoteerd staan op het gehoorverslag van de DVZ niet aflegde en dat u evenmin details gaf tijdens het gehoor op de DVZ (zie gehoorverslag dringend beroep p. 15-16), wat geen afdoende verklaringen zijn om deze incoherenties te verantwoorden. Bij verdere confrontaties met uw eerdere verklaringen tijdens het gehoor op de DVZ, gaf u geen verklaring en bleef u zwijgen (zie gehoorverslag dringend beroep p. 16-17). Gelet op bovenvermelde tegenstrijdigheden en omissies in uw verklaringen kan geen geloof gehecht worden aan uw asielrelaas. Bovendien legde u geen enkel document voor ter staving van uw asielrelaas waardoor noch uw identiteit en uw afkomst, noch de door u voorgehouden problemen met de Cubaanse autoriteiten kunnen gestaafd worden. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing; VII-34.314-4/14 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: "Enig middel: schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van de motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel.
- In de bestreden beslissing beperkt de overheid zich bij het motiveren van haar beslissing tot een vergelijking tussen het eerste interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het interview welk plaatsvond n.a.v. het dringend beroep. 1.1 Nochtans heeft verzoeker een dringend beroep ingesteld tegen de beslissing dd. 07.04.2004 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken juist om reden dat hij van oordeel was dat hij niet de kans had gekregen zijn verhaal in detail uiteen te zetten, nu hem enkel korte vragen werden gesteld waardoor de beslissing op grond van een verkeerd en onvolledig beeld van de feiten was genomen. Zo bijvoorbeeld de vraag naar zijn politieke activiteit beantwoordt de verzoeker tijdens het verhoor voor de DVZ dat hij geen lid is van een politieke partij (waarmee hij wou aangeven dat er slechts één partij is in Cuba). Pas tijdens het verhoor voor de CGVS kan de verzoeker dit verhaal aanvullen en verduidelijken (zie pagina 4 t.e.m. 6 gehoorverslag Commissaris-Generaal) dat hij daarentegen deel uitmaakt van een dissidente (dissident aan de voormelde alleenheersende partij ) groep met contra-revolutionair gedachtengoed in het kader waarvan hij politiek actief was. 1.2 Verzoeker heeft tevens het dringend beroep ingesteld omdat hij van oordeel is dat de tolk tijdens het eerste interview van de Dienst Vreemdelingenzaken partijdig was. Immers maakte de betreffende tolk de subjectieve opmerking dat verzoeker Spaans zou spreken met een Afrikaans accent (en waardoor aan de interviewer de onterechte indruk zou kunnen gegeven worden- justice must not only be done but also be seen to be done - dat verzoeker zijn Cubaanse nationaliteit en afkomst zou voorliegen). Het is uiteraard niet aan de tolk om persoonlijke opvattingen mede te delen aan de interviewer, zijn taak bestaat enkel in het getrouw weergeven van het verhaal aan de interviewer. Door dit feit voelde verzoeker zich geviseerd en geremd om zijn verhaal op een volledige wijze weer te geven (zie motivering dringend beroep en p. 21 gehoorverslag van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatslozen). Verzoeker heeft overigens reeds bij zijn motivering van het dringend beroep, alsook tijdens de behandeling van zijn dringend beroep steeds volgehouden en benadrukt dat de neerslag van het eerste interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken en dus de eerste beslissing niet op basis van een volledig beeld van de feiten is genomen. De argumentatie van de Commissaris-Generaal dat een aantal belangrijke elementen door verzoeker aanvankelijk niet zouden zijn aangehaald in zijn verzoekschrift dd. 08.04.2004, kan geenszins weerhouden worden. Het dringend beroep moet immers niet noodzakelijk de motieven waarom de asielzoeker het niet eens is met de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken bevatten. Zeker wanneer slechts weinig tijd is om het beroep aan te tekenen ( zie K. VERSTREPEN (ed.), Inleiding tot het vreemdelingenrecht, Brugge, Die Keure, 2002, p. 11 en 17). 1.3 Dienvolgens heeft hij zijn recht conform art. 62/2§2 van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen uitgeoefend om dringend beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken. 1.3.1 Met het instellen van een dringend beroep had verzoeker de bedoeling tot en had hij toch recht op een nieuw onderzoek, zodat dit keer een beslissing kon worden genomen op basis van een correct verhoor en dienvolgens correct feitenrelaas. Immers dienen de feiten waarop de overheid zich baseert te bestaan en juist te zijn, zoniet is er gebrek aan draagkracht van de motivering. Aan de grondslag van een besluit dienen dienvolgens zorgvuldig vastgestelde feiten te liggen (A. VAN MENSEL, Het beginsel van Behoorlijk Bestuur, Mys&Breesch, 1997, nr. 100- 10 1). VII-34.314-5/14 Het aanwenden van een rechtsmiddel veronderstelt dat de hogere instantie (in casu de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen) de feiten aan een volledig nieuw onderzoek (zowel in feite als in rechte) dient te onderwerpen. Een administratief beroep dient de degelijkheid van de besluitvorming te bevorderen aangezien het bestuur erdoor wordt aangezet een tweede onderzoek te wijden aan de betrokken zaak (zie A. MAST, J. DUJARDIN, M. VANDAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Kluwer, Antwerpen, 1999,p.650). Dit impliceert tevens dat de Commissaris-Generaal passend dient te oordelen of de nieuwe elementen die de kandidaat-vluchteling voorlegt ernstige aanwijzingen opleveren dat er een gewettigde vrees voor vervolging bestaat (R.v.St., 9 juli 1997, Rev. Dr.étr., 1997, 234). Het zich louter beperken tot een vergelijking tussen het eerste interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het interview welk plaatsvond n.a.v. het dringend beroep, kan geenszins worden aanzien als een afdoend en volledig onderzoek van het concrete geval noodzakelijk om tot een zorgvuldige besluitvorming te komen. Verzoeker is dan ook van oordeel dat het bestuur dienaangaande het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden.
- Bovendien beperkt de Commissaris-Generaal zich tot een aantal niet-relevante details daar waar hij de beweerdelijke tegenstrijdigheden in het verhaal van verzoeker tracht aan te tonen, zoals het feit of de jongen die werd aangehouden door de politie (welke aanhouding indirect resulteerde in de aanhouding van verzoeker) te voet of aan het fietsen was, de jongen door één dan wel twee agenten geslagen werd, verzoeker na één dag dan wel na één week gevangenschap verhoord werd en of hij in één de ene dan wel andere cel opgesloten werd, ... terwijl de essentie van het betoog van verzoeker niet of nauwelijks onderzocht wordt, zijnde de onrechtmatige arrestatie en vrijheidsberoving van verzoeker. Iedere beslissing van het bestuur dient op motieven te rusten die niet enkel in feite en in rechte aanwezig moeten zijn maar, die daarenboven pertinent moeten zijn en de beslissing moeten verantwoorden, zoniet is er sprake van een kennelijk onredelijk bestuursoptreden (zie A. MAST, J. DUJARDIN, M. VANDAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Kluwer, Antwerpen, 1999,p.55). Betrokkene werd immers zonder aanhoudingsbevel opgepakt door de overheid ingevolge zijn kritiek op het beleid van de overheid inzake de mensenrechten, zijnde wegens zijn politieke overtuiging. Het gearresteerd en gevangen genomen worden zonder aanhoudingsbevel of enige vorm van proces, vormt een ernstige schending van de mensenrechten en vormt daardoor juist een grond om de gegrondheid van zijn vrees voor vervolging te staven (zie D. VANHEULE, CDPK Libri 2, Vluchtelingen. Een overzicht, Mys & Breesch, Gent, 1998, nr. 55). Het komt dan ook als niet redelijk voor dat het Commissariaat-Generaal louter details viseert om aan de geloofwaardigheid van verzoekers verhaal afbreuk te kunnen doen en daarbij voorbijgaat aan de essentie van diens verhaal. In dit verband weze benadrukt dat de Commissaris-Generaal dient rekening te houden met alle gegevens van het dossier en niet alleen met de gegevens die ongunstig zijn voor de erkenning van het statuut van vluchteling, zoniet maakt dit een manifeste beoordelingsfout uit aan de zijde van de Commissaris-Generaal (R.v.St., 11 juni 1996, 29 oktober 1996 en 3 december 1996, Rev. Dr. étr., 1996, blz. 745, 800 en 802). Nochtans staat, wegens de aard van de materie, in vele gevallen de kandidaatvluchteling voor de schier onmogelijke opdracht om de bewijzen te leveren van deze feiten. Wie bijvoorbeeld op onrechtmatige wijze werd gearresteerd of opgesloten zal door de vervolgende partij niet in het bezit worden gesteld van een schriftelijk bewijs. Om die reden wijkt het bewijsrecht in vluchtelingenzaken af van de gemeenrechtelijke regels in civiele gedingen. De actori incumbit probatio-regel en de voorname betekenis van het schriftelijk bewijs ruimen plaats voor een eigen regeling waarbij de asielzoeker en de onderzoeker van de aanvraag samen de pertinente feiten vaststellen en evalueren. In bepaalde gevallen zal het zelfs aan de onderzoeker toekomen om alle ter beschikking staande middelen aan te wenden om de nodige bewijzen te verzamelen. Indien dan nog geen succes is behaald of indien het onmogelijk is om bepaalde bewijzen te verzamelen, zal de asielzoeker het voordeel van VII-34.314-6/14 de twijfel genieten op voorwaarde dat zijn verklaringen geloofwaardig zijn en er geen goede reden tegen de verlening van dit voordeel bestaan (eigen onderlijning) (D. VANHEULE, CDPK Libri 2, Vluchtelingen. Een overzicht, Mys & Breesch, Gent, 1998, nr.49 en de verwijzing aldaar).
- Verzoeker voert het feit aan dat hij werd gearresteerd en gevangen gehouden, zonder enig vorm van reden of proces maar louter omwille van zijn politieke overtuiging. Er bestaat dienvolgens ontegensprekelijk een in hoofde van de heer XXX gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een sociale groep of zijn politieke overtuiging in de zin van art. 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 195
- Bovendien bevindt verzoeker zich buiten zijn land waarvan hij de nationaliteit bezit en kan hij de bescherming van dat land niet of, wil hij - uit hoofde van bovenbedoelde vrees - die niet inroepen. De door de verzoeker ondergane en gevreesde feiten zijn voldoende ernstig omdat zij een ernstige schending vormen van de mensenrechten, waaronder het recht op leven, het recht op vrijheid en het recht op lichamelijke integriteit (zie D. VANHEULE, CDPK Libri 2, Vluchtelingen. Een overzicht, Mys & Breesch, Gent, 1998, nr.55).
- Tenslotte stelt de bestreden beslissing dat de asielaanvraag van verzoeker conform artikel 52 Vreemdelingenwet bedrieglijk zou zijn. Dit wordt op geen enkele manier gemotiveerd, laat staan bewezen.
- Uit voorgaande blijkt dat het Commissariaat-Generaal de bestreden beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, minstens onzorgvuldig te werk is gegaan. Nochtans schendt de overheid de beginselen van zorgvuldigheid door niet zorgvuldig bij de voorbereiding van haar beslissing te werk te gaan en de feitelijke en juridische elementen van het dossier niet deugdelijk te inventariseren en te controleren om met kennis van zaken te kunnen beslissen en zo de betrokken belangen zorgvuldig te kunnen inschatten en afwegen teneinde niet nodeloos particuliere belangen te schaden."; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: "In een eerste en enig middel beroept verzoeker zich op een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van de motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. - Verzoeker geeft aan dat de bestreden beslissing zich beperkt tot een vergelijking tussen de interviews op de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal. Bovendien meent verzoeker dat de tolk tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken partijdig was, waardoor verzoeker zich geviseerd en geremd voelde om zijn verhaal op volledige wijze weer te geven. Verweerder wenst vooreerst te verduidelijken dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag. Van deze bevoegdheid werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt via artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Artikel 52 van de Vreemdelingenwet biedt de Commissarisgeneraal de mogelijkheid een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister te bevestigen. Eén van de onontvankelijkheidsgronden is de 'bedrieglijkheid' (artikel 52, paragraaf 1, 2de a van de Vreemdelingenwet, waarnaar artikel 52, paragraaf 2, 2de van de Vreemdelingenwet verwijst). Het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn. Volgens de rechtspraak van de Raad van State kan het bedrieglijke karakter worden vastgesteld indien men tegenstrijdigheden aantoont ten aanzien van gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken uit het dossier. Zo kan het bedrieglijke karakter van een VII-34.314-7/14 asielaanvraag afgeleid worden uit de tegenstrijdigheid van diverse verklaringen afgelegd door de kandidaat-vluchteling (zie arr. nr. 85.078 van 03 februari 2000). Voorts stelt verweerder vast dat verzoeker enkele loze beweringen maakt over de wijze waarop zijn verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken zou zijn verlopen, nu hij ruimschoots de tijd kreeg om zijn verhaal te doen en hem eenvoudigweg gevraagd werd zijn asielmotieven naar voor te brengen. Uit het gehoorrapport van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker een drie bladzijden tellende uiteenzetting heeft kunnen geven van zijn asielrelaas. Verweerder merkt bovendien op dat uit het verhoorverslag van Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker geen opmerkingen heeft geformuleerd over eventuele vertaal of andere problemen, terwijl hij daartoe wel de mogelijkheid had vermits hem zijn verklaringen op het einde van het interview werden voorgelezen. Bovendien heeft verzoeker bevestigd door zijn handtekening dat het verhoorverslag overeenstemt met de verklaringen die hij heeft afgelegd. Verzoeker gaf expliciet te kennen dat hij de tolk die hem bijstond voor gehoor volledig heeft begrepen. Verweerder voegt hieraan toe dat van een kandidaat-vluchteling redelijkerwijs mag worden verwacht dat hij tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken alle elementen op correcte en volledige wijze vermeldt die aanleiding hebben gegeven tot de vlucht uit zijn land van herkomst. - Verzoeker is van oordeel dat de argumentatie van de Commissaris-generaal als zouden een aantal belangrijke elementen niet door hem zijn aangehaald in zijn verzoekschrift tot dringend beroep niet kan worden weerhouden. Verweerder verwijst naar de rechtspraak van de Raad van State waarin gesteld wordt dat het bedrieglijke karakter van een asielaanvraag kan worden vastgesteld indien men tegenstrijdigheden aantoont ten aanzien van gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken uit het dossier. De Commissaris-generaal kon wel degelijk in de bestreden beslissing opwerpen dat verzoeker in zijn verzoekschrift tot dringend beroep geen melding heeft gemaakt van zijn politiek engagement, temeer dat dit engagement één van zijn belangrijkste vluchtmotieven omvatte. - Verzoeker meent dat de vastgestelde tegenstrijdigheden slechts betrekking hebben op niet relevante details. De Commissaris-generaal is voorbij gegaan aan de essentie van zijn verhaal met name dat hij zonder aanhoudingsbevel werd opgepakt door de overheid ingevolge zijn kritiek op het beleid en wegens zijn politieke overtuiging. Verweerder stelt vast dat verzoeker op het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij sinds eind 2000 actief was voor een dissidente groep die hij samen met zijn studievriend Mejia had opgericht. Op de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde verzoeker geen politieke activiteiten te hebben gehad en maakte verzoeker geen enkele vermelding van zijn activiteiten of oprichting van een dissidente groep. Voorts verklaarde verzoeker op het Commissariaat-generaal dat hij kort voor zijn vertrek uit Cuba, op 5 maart 2004, folders zou hebben verspreid met anti-revolutionaire slogans samen met Meija en Ricardo. Van deze actie maakte verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken geen enkele melding. Verweerder merkt op dat deze tegenstrijdigheden de kern van verzoekers asielaanvraag betreffen en aldus zeker geen betrekking hebben op details. Verweerder is aldus de mening toegedaan dat de Commissaris-generaal terecht stelde dat aan verzoekers politiek engagement en de daaruit ontstane problemen geen enkel geloof kan worden gehecht, zoals terecht in de bestreden beslissing wordt gesteld. Volledigheidshalve merkt verweerder op dat verzoeker in zijn verzoekschrift geen argumenten opwerpt die de in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden kunnen verklaren of weerleggen. Alle in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden zijn correct en vinden allen hun grondslag in het administratieve dossier. - Verweerder wenst verder op te merken dat het zorgvuldigheidsbeginsel hem oplegt zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding. Uit het administratieve dossier blijkt dat verzoeker werd geconvoceerd voor een interview op het Commissariaat-generaal. Tijdens het interview kreeg hij de mogelijkheid zijn asielmotieven uiteen te zetten, kon hij nieuwe en/of aanvullende stukken neerleggen en werd hij bijgestaan door een raadsman. De Commissaris-generaal steunde zich bij het nemen van de bestreden beslissing op alle stukken vervat in het administratieve dossier en kwam tot de conclusie, om de redenen die duidelijk in de bestreden beslissing werden vermeld, dat verzoekers asielaanvraag VII-34.314-8/14 onontvankelijk was. Dat niet op zorgvuldige wijze zou zijn te werk gegaan, kan bijgevolg niet worden weerhouden. - Ten slotte wijst verweerder er op dat in voorliggend geval een toepassing van het principe van 'voordeel van de twijfel' in casu niet opgaat. Het principe wordt in het 'Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status' aanbevolen in die gevallen waar de verklaringen van een kandidaat-vluchteling geloofwaardig en waarachtig overkomen, wat niet het geval is. De bestreden beslissing is op een correcte wijze genomen en gemotiveerd. Naast een uiteenzetting van het vluchtrelaas door verzoeker zelf aangevoerd tijdens zijn verhoor op het Commissariaat-generaal bevat de bestreden beslissing gedetailleerde overwegingen die de beslissing afdoende motiveren."; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog het volgende stelt: "Betreffende het eerste en enige middel: schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van de motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel
- In de bestreden beslissing beperkt de overheid zich bij het motiveren van haar beslissing op een vergelijking tussen het eerste interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het interview welk plaatsvond n.a.v. het dringend beroep. 1.1 De argumentatie van de verweerder dienaangaande dient te worden afgewezen als niet relevant en wordt reeds voldoende weerlegd door hetgeen in het inleidend verzoekschrift door verzoeker dienaangaande is uiteengezet. Volledigheidshalve weze hier nog opgemerkt hetgeen volgt. 1.2 Verweerder houdt voor dat concluant tiidens het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard geen politieke activiteiten te hebben gehad en geen enkele vermelding van zijn activiteiten of oprichting van een dissidente groep. Terwijl hij tijdens het interview voor de Commissaris-generaal verklaarde sinds 2000 actief te zijn voor een dissidente groep die hij samen met zijn studievriend Mejia had opgericht. 1.2.1 Deze beweringen kunnen geenszins weerhouden worden zoals blijkt uit de relevante passages van het gehoorverslag dd. 07.04.2004 van de Dienst Vreemdelingenzaken waarop verweerder doelt: 'Was U politiek actief in Uw land van herkomst? Neen ik had geen politieke activiteiten in Cuba. In Cuba bestaan er slecht één politieke partij. Enkel de communistische partij, andere bewegingen zijn er verboden. Ik probeerde me wel zoveel mogelijk te informeren over de nationale en internationale problemen in verband met Cuba. In Cuba bestaat er slechts één nationale krant.' Verzoeker heeft in de bewuste passage enkel geantwoord dat hij geen lid was van de heersende politieke partij. Immers voerde concluant tijdens de interviews als reden waarom hij werd aangehouden en vervolgd aan omdat hij kritiek had geleverd op de overheid, meer bepaald dat zij de mensenrechten niet zou respecteren, zoals ook blijkt uit verdere passages in het interview: ... ik zei tegen de politieagenten dat wat ze deden ... een overtreding van de mensenrechten was en dat er geen wet in Cuba bestaat die toeliet om ... Ze zeiden me dat ik aangehouden was omdat ik niet de persoon was om de politie de les te spellen wat betreft mensenrechten (zie blz. 13 verhoorverslag dd. 7 april 2004) ... hij wilde weten tot welke politieke beweging ik behoorde. Ik zei hem dat ik geen politieke activiteiten had in Cuba .... Ze zeiden me dat ze niet geloofden wat ik zei omdat het anders niet kon dat ik over mensenrechten sprak...(zie blz. 14 verhoorverslag dd. 7 april 2004) Ik werd niet graag gezien door de autoriteiten in Cuba omdat ik tegen de politie had gezegd dat ze de mensenrechten niet respecteerden. Hierdoor dachten ze dat ik anti-revolutionaire activiteiten had. Ik kon heel moeilijk werk vinden omdat ik door de politie geviseerd werd (blz. 15) VII-34.314-9/14 1.2.2 Tijdens het interview voor de Commissaris-Generaal verduidelijkte verzoeker dat hij geen lid was van een politieke partij maar daarentegen behoorde tot een zelf opgerichte, niet-georganiseerde groep dissidenten: 'Politiek actief in Cuba? Ja. Voor welke organisatie? In Cuba enkel PCC, geen andere organisatie erkend. De andere organisaties zijn dissident. We werken in een groep, geen naam. Wie richtte groep op? Wijzelf, die niet akkoord zijn met regime. Geen chef, niets.' Dit is dus in geen geval tegenstrijdig met zijn eerste verhaal voor de Dienst Vreemdelingenzaken en is integendeel louter complementair. Verzoeker roept juist bescherming in omwille van zijn overtuiging dat het feit dat in het land van herkomst deze ene politieke partij niet steunen, een reden is voor vervolgingen. Aldus heeft in casu de weigering de heersende partij te steunen en er integendeel kritiek op te leveren voor concluant de vrees voor vervolging veroorzaakt. Verzoeker blijft dan ook van oordeel dat het bestuur dienaangaande het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden.
- Verweerder werpt in zijn memorie nog op dat het bedrieglijk karakter kan worden afgeleid uit het feit dat verzoeker een aantal elementen niet zou hebben aangehaald voor de Dienst Vreemdelingenzaken en wel voor de Commissaris, gezien verzoeker geen opmerkingen heeft geformuleerd over eventuele vertaal of andere problemen , terwijl hij daartoe wel de mogelijkheid had vermits hem zijn verklaringen op het einde van het interview werden voorgelezen, door hem ondertekend en expliciet zou te kennen hebben gegeven dat hij de tolk volledig heeft begrepen. Vooreerst weze het opgemerkt dat het minstens van een grotere zorgvuldigheid zou getuigen moesten voormelde standaardverklaringen in het Spaans zouden worden opgesteld. Zoals reeds uiteengezet in zijn inleidend verzoekschrift, heeft verzoeker onder meer het dringend beroep ingesteld omdat hij van oordeel is dat de tolk tijdens het eerste interview van de Dienst Vreemdelingenzaken partijdig was. Immers maakte de betreffende tolk de subjectieve opmerking dat verzoeker Spaans zou spreken met een Afrikaans accent (en waardoor aan de interviewer de onterechte indruk zou kunnen gegeven worden-justice must not only be done but also be seen to be done - dat verzoeker zijn Cubaanse nationaliteit en afkomst zou voorliegen). Het is uiteraard niet aan de tolk om persoonlijke opvattingen mede te delen aan de interviewer, zijn taak bestaat enkel in het getrouw weergeven van het verhaal aan de interviewer. Door dit feit voelde verzoeker zich geviseerd en geremd om zijn verhaal op een volledige wijze weer te geven: Het is zeker dat ik niet in alle details kon treden met betrekking tot mijn situatie, omdat ik geen vertrouwen had in de vertaler ... Omdat volgens haar mijn accent Afrikaans is ... (zie motivering dringend beroep: vrije vertaling) 'Waarom zei U niets over folders (....onleesbaar) die U verdeelde? Ik had vertrouwen niet. Ik hoorde dat ze zeiden dat ik Afrikaans accent had'. (zie p. 21 gehoorverslag van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatslozen) Verzoeker heeft overigens reeds bij zijn motivering van het dringend beroep, alsook tijdens de behandeling van zijn dringend beroep steeds volgehouden en benadrukt dat de neerslag van het eerste interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken en dus de eerste beslissing niet op basis van een volledig beeld van de feiten is genomen. De argumentatie van de Commissaris-Generaal dat een aantal belangrijke elementen door verzoeker aanvankelijk niet zouden zijn aangehaald in zijn verzoekschrift dd. 08.04.2004, kan dan ook geenszins weerhouden worden. Het dringend beroep moet immers niet noodzakelijk de motieven waarom de asielzoeker het niet eens is met de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken bevatten. Zeker wanneer slechts weinig tijd is om het beroep aan te tekenen ( zie K. VERSTREPEN (ed.), Inleiding tot het vreemdelingenrecht, Brugge, Die Keure, 2002, p. 11 en 17). Dienvolgens heeft hij louter zijn recht uitgeoefend om conform art. 62/2§2 van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen dringend beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken. VII-34.314-10/14
- Bovendien beperkt de Commissaris-Generaal zich, zoals reeds sub III.2 uiteengezet door verzoeker in zijn verzoekschrift dd. 24.06.2004, tot een aantal niet-relevante details daar waar hij de beweerdelijke tegenstrijdigheden in het verhaal van verzoeker tracht aan te tonen, terwijl de essentie van het betoog van verzoeker niet of nauwelijks onderzocht wordt, zijnde de onrechtmatige arrestatie en vrijheidsberoving van verzoeker.
- Verzoeker voert in zijn verzoekschrift het feit aan dat hij werd gearresteerd en gevangen gehouden, zonder enig vorm van reden of proces maar louter omwille van zijn politieke overtuiging. Er bestaat dienvolgens ontegensprekelijk een in hoofde van de heer XXX gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een sociale groep of zijn politieke overtuiging in de zin van art. 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 195
- Bovendien bevindt verzoeker zich buiten zijn land waarvan hij de nationaliteit bezit en kan hij de bescherming van dat land niet of, wil hij - uit hoofde van bovenbedoelde vrees - die niet inroepen. De door de verzoeker ondergane en gevreesde feiten zijn voldoende ernstig omdat zij een ernstige schending vormen van de mensenrechten, waaronder het recht op leven, het recht op vrijheid en het recht op lichamelijke integriteit ( zie D. VANHEULE, CDPK Libri 2, Vluchtelingen. Een overzicht, Mys & Breesch, Gent, 1998, nr.55).
- Tenslotte stelt de bestreden beslissing dat de asielaanvraag van verzoeker conform artikel 52 Vreemdelingenwet bedrieglijk zou zijn. Dit wordt - nog steeds - op geen enkele manier gemotiveerd, laat staan bewezen.
- Uit voorgaande blijkt dat het Commissariaat-Generaal de bestreden beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, minstens onzorgvuldig te werk is gegaan. Nochtans schendt de overheid de beginselen van zorgvuldigheid door niet zorgvuldig bij de voorbereiding van haar beslissing te werk te gaan en de feitelijke en juridische elementen van het dossier niet deugdelijk te inventariseren en te controleren om met kennis van zaken te kunnen beslissen en zo de betrokken belangen zorgvuldig te kunnen inschatten en afwegen teneinde niet nodeloos particuliere belangen te schaden."; 2.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat het de Commissaris-generaal dan ook niet verweten kan worden met het oog daarop de verklaringen van verzoeker zorgvuldig te onderzoeken en onderling te vergelijken; dat in casu een eenvoudige vergelijking van verzoekers opeenvolgende verklaringen duidelijke discrepanties naar voren bracht; dat artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de Commissaris-generaal toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is; dat in dit verband het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag aangetoond kan worden door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene aangetast zijn door tegenstrijdigheden, verward zijn of onsamenhangend; VII-34.314-11/14 Overwegende dat verzoekers kritiek op de tolk van de Dienst Vreemdelingenzaken geenszins uit het administratief dossier blijkt; dat uit de stukken ervan immers blijkt dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken ruimschoots de tijd heeft gekregen om zijn relaas uiteen te zetten, dat verzoekers verklaringen omtrent zijn asielmotieven drie bladzijden beslaan en dat verzoeker deze na voorlezing voor akkoord heeft ondertekend zonder, alhoewel hij daar de kans toe had, enige opmerking of voorbehoud te formuleren met betrekking tot de tolk; dat verzoeker daarentegen uitdrukkelijk verklaarde de tolk die hem bijstond met het verhoor volledig te hebben begrepen (zie verhoorverslag DVZ, p. 16); dat verder uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, nadat het hem werd voorgelezen in het Spaans, expliciet heeft aanvaard (zie verhoorverslag DVZ, p. 17); dat dit bijgevolg wel degelijk als basis kan dienen bij de vergelijking van zijn verklaringen; dat ook de wijze waarop een interview verloopt, op zich geen verklaring kan bieden voor het afleggen van tegenstrijdige verklaringen of het gewoonweg niet vermelden van belangrijke incidenten die aanleiding gaven tot de vlucht uit het land van herkomst; dat immers van een kandidaat-vluchteling, die beweert te vrezen voor zijn leven en vrijheid en daarom de bescherming van de Belgische autoriteiten vraagt, mag worden verwacht dat deze alle elementen ter ondersteuning van zijn asielaanvraag op correcte wijze en zo accuraat mogelijk aanbrengt, zeker de elementen die de directe aanleiding vormden van zijn vertrek of vlucht uit het land van herkomst; dat de kandidaat-vluchteling dit zo volledig en gedetailleerd mogelijk dient te doen en dit reeds van bij het eerste interview, daar op de kandidaat-vluchteling de verplichting rust om zijn volledige medewerking te verlenen aan de asielprocedure; Overwegende dat uit de bestreden beslissing genoegzaam blijkt dat de Commissaris-generaal met alle gegevens van het dossier rekening heeft gehouden en zo een aantal tegenstrijdigheden en omissies heeft vastgesteld die de kern van verzoekers asielrelaas raken, meer bepaald omtrent verzoekers vermeend politiek activisme; dat met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat verzoeker geen enkele poging doet om de vastgestelde tegenstrijdigheden met concrete gegevens te weerleggen, noch erin slaagt om voor de vastgestelde omissies een plausibele verklaring te geven; dat, wat de toepassing van het voordeel van de twijfel betreft, dit voordeel kan worden toegestaan indien, na onderzoek van alle elementen, de overtuiging bestaat dat de afgelegde verklaringen geloofwaardig zijn; dat uit de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat net op dit punt de geloofwaardigheid door de beslissingnemende overheid niet wordt aangenomen; dat in de gegeven omstandigheden aldus terecht aan verzoeker het voordeel van de twijfel niet wordt gegeven; dat er, gelet op de gegevens van het dossier, in casu geen redenen voorhanden zijn om er aan te twijfelen dat de Commissaris-generaal op grond van de door verzoeker gegeven inlichtingen tot een redelijke en zorgvuldige beoordeling van de asielaanvraag is gekomen; VII-34.314-12/14 Overwegende dat er bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht overigens rekening dient te worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich; dat het immers het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven is dat de Commissaris- generaal heeft doen besluiten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag; dat de onderdelen van de motivering in samenlezing in casu voldoende draagkrachtig zijn; dat de bestreden beslissing, uitgaande van de zorgvuldig vastgestelde en uitvoerig weergegeven feiten, precies aangeeft hoe de toepasselijke rechtsregel (artikel 52 van de Vreemdelingenwet) tot de bevestigende beslissing van weigering van verblijf heeft geleid; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt kennelijk onredelijk of onjuist zouden zijn; dat de bestreden beslissing, na een uiteenzetting van het vluchtrelaas, gedetailleerde overwegingen bevat die de beslissing afdoende motiveert; dat het enige middel bijgevolg niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-34.314-13/14 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober tweeduizend en vijf, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-34.314-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.135 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div