id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.139 Rolnummer: A. 132984/XIV-13813 Zaak: Arrest 150139 - - 13/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 02:09 Fiche Arrest nr 150.139 van 13 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.139 van 13 oktober 2005 in de zaak A. 132.984/XIV-13.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. BEERNAERT, kantoor houdende te 8800 ROESELARE, Hugo Verrieststraat 39 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 14 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 2003, waarbij verzoekers aanvraag om machtiging voor een verblijf van meer dan drie maanden op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk werd verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 24 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-13.813-1/5 Gelet op de beschikking van 29 juni 2005waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat J. BEERNAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Joegoslavische nationaliteit, is in België binnengekomen op 21 mei 1999 en heeft zich op 27 mei 1999 vluchteling verklaard. 1.
- Op 13 september 1999 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 13 maart 2000 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken. Verzoeker dient tegen deze beslissing een annulatieberoep in bij de Raad van State. 1.
- Op 3 augustus 2001 verwerpt de Raad van State het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing bij arrest nummer 98.
- 1.
- Op 10 oktober 2001 dient verzoeker bij de burgemeester van Roeselare op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) een aanvraag tot machtiging voor een verblijf van meer dan drie maanden in. XIV-13.813-2/5 1.
- Op 23 januari 2003 wordt verzoekers aanvraag tot machtiging voor een verblijf van meer dan drie maanden onontvankelijk verklaard. Dit is de bestreden beslissing die luidt als volgt: “Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend door: XXX nationaliteit: Joegoslavië (Servië-Montenegro) geboren te Mbroje Skenderaj op 29/06/1977 ex-kandidaat-vluchteling adres: Brugsesteenweg 22 8800 Roeselare in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en) : er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen in het land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen binnen een redelijke termijn door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 13/06/2000 en ter kennis gegeven op 14/06/
- De aangehaalde problemen kunnen derhalve niet meer aanvaard worden als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen. De situatie in het land van herkomst is van algemene aard en verhindert niet dat talrijke Kosovaarse onderdanen naar hun land terugkeren. Tevens staat het betrokkenen vrij een beroep te doen op de bestaande hulpprogramma's voor Kosovaren en zich te wenden tot de Internationale organisatie voor Migratie teneinde voor de reis en de installatie te zorgen. Het feit dat betrokkene behoorlijk Nederlands praat, met niemand last heeft en bij machte -is om onmiddellijk aan het werk te gaan, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoordt. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9, alinea 2 van de wet van 15/12/
- Niets verhindert betrokkene zich te schikken naar de, in voege zijnde wetten met betrekking tot de toegang, het verblijf en de vestiging op het Belgisch grondgebied, te weten: de vereiste vragen bij de diplomatieke overheden bevoegd voor het verblijf.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en (v)an de artikelen 9, 23 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen. De beslissing verklaarde de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk omdat er geen uitzonderlijke omstandigheden werden aangehaald waarom verzoeker de aanvraag niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Toen verzoeker in april 1999 zijn land verliet waren deze instanties niet voorhanden in Kosovo. XIV-13.813-3/5 De buitengewone omstandigheden bedoeld in art. 9, lid 3 Vreemdelingenwet, zijn geen omstandigheden van overmacht, maar omstandigheden die de terugkeer van de vreemdeling naar zijn land van oorsprong of naar een land waar hij tot verblijf toegelaten werd, om aldaar bij de bevoegde Belgische diplomatieke post zijn aanvraag om verblijfsvergunning in te dienen, beletten of op zijn minst erg bemoeilijken. De tijdspanne van nagenoeg vier jaar verstreken tussen de ontvluchting en de terugkeer maken die erg moeilijk en met een bepaalde zekerheid kan vooraf worden gesteld dat hij die machtiging niet zal bekomen omwille van dit gegeven. Als tweede motief wordt aangehaald dat de problemen in het land van herkomst reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag en niet meer kunnen worden aanvaard om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Zo wordt gesteld dat de situatie in het land van herkomst van algemene aard en niet verhinderen dat talrijke Kosovaren naar hun land terugkeren. Deze algemene beschouwing houdt geen rekening met de toestand waarin verzoeker zich bevindt als van Albanese afkomst en sluit het etnisch geweld tegen de personen van deze origine niet uit, en ook niet de verdere discriminatie. Verzoeker heeft zijn pogingen om toepassing te zien maken van art. 9 alinea 2 van de wet zien stranden bij gemis aan voorafgaande toelating. De redenen van humanitaire aard spruitend uit het verblijf gedurende ongeveer vier jaren in Roeselare bij familieleden en de duurzame bindingen die hij hier heeft tot stand gebracht mogen eveneens in aanmerking. De beslissing over een regularisatieaanvraag dient rekening te houden met alle omstandigheden van de zaak.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending van de motiveringsverplichting inroept omdat de door hem ingeroepen buitengewone omstandigheden niet werden aanvaard in het kader van zijn aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker eveneens de schending inroept van artikel 23 van de Vreemdelingenwet; 2.2.
- Overwegende dat artikel 23 van de Vreemdelingenwet van toepassing is op besluiten van terugwijzingen en uitzettingen waarbij de vreemdeling die niet in het Rijk gevestigd is, de openbare orde of de veiligheid van het land heeft geschaad of de aan zijn verblijf gestelde voorwaarden zoals die door de wet zijn vastgesteld, niet heeft nageleefd; dat dit wetsartikel in casu niet nuttig kan worden ingeroepen; 2.2.
- Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet een dubbel onderzoek inhoudt, namelijk zowel wat de ontvankelijkheid, als de gegrondheid van de aanvraag betreft; dat in het ontvankelijkheidsonderzoek wordt nagegaan of er buitengewone omstandigheden zijn om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen; dat wanneer er geen buitengewone omstandigheden zijn, de aanvraag niet in aanmerking kan worden genomen; dat de bestreden beslissing, onder meer, steunt op de vaststelling dat de problemen van verzoeker in het land van herkomst reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van zijn asielaanvraag en dat deze aanvraag werd afgewezen waardoor genoemde problemen bijgevolg niet meer kunnen worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag bij toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet in België in te dienen; dat dit een daadkrachtig en pertinent motief is; dat het feit dat verzoeker de nodige XIV-13.813-4/5 inspanningen heeft geleverd om zich te integreren, Nederlands kent, dat hij reeds vier jaar in Roeselare verblijft bij familie en dat hij zeer hechte banden met België heeft opgebouwd, geen buitengewone omstandigheden zijn die verzoeker verhinderen om zijn aanvraag in te dienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire post in het buitenland; dat de bestreden beslissing afdoende en met pertinente motieven blijkt te zijn onderbouwd; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.813-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.139 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.