← België

Arrest 150141 - - 13/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.141 Rolnummer: A. 152857/XIV-19890 Zaak: Arrest 150141 - - 13/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 02:09 Fiche Arrest nr 150.141 van 13 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.141 van 13 oktober 2005 in de zaak A. 152.857/XIV-19.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. LYDAKIS, kantoor houdende te 4020 LUIK, Quai de la Dérivation 53/52 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 16 juni 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 3 mei 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 25 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 30 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. BECKERS die, loco Advocaat P. LYDAKIS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-19.890-1/3 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat in een enig middel verzoeker laat gelden dat artikel 149 van de Grondwet en artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet) worden geschonden; dat hij stelt, in het eerste onderdeel, dat de tegenstrijdigheden die werden vastgesteld tussen zijn verklaringen en die van zijn vriend Mahmoud ABADI HAMED met betrekking tot hun eerste hechtenis door de Bassidj, niets te maken hebben met de vluchtreden en de tegenstrijdigheden te wijten zijn aan het verstrijken van de tijd sinds deze feiten, in het tweede onderdeel, dat de tegenstrijdigheden die werden vastgesteld tussen zijn verklaringen en die van zijn vriend met betrekking tot de bedelingen van de pamfletten en de vorm ervan niet voldoende is om de weigering van erkenning afdoende te motiveren, gelet op het minieme karakter ervan, in het derde onderdeel, dat de rechten van verdediging en het tegensprekelijk debat werden geschonden doordat geen rekening werd gehouden met de ter terechtzitting neergelegde, onvertaalde, documenten ondanks het feit dat er een tolk Farsi aanwezig was, waardoor verzoekers beweringen met betrekking tot het bestaan van de Daftar Tahkime Vahdat en zijn takken Nazari en Manucher Khoshzadan bewezen zouden geweest zijn, waar zij nu, op basis van eenzijdige informatie worden verworpen, in het vierde onderdeel, dat de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het neergelegde rapport van Amnesty International, gelet op het feit dat het de actuele toestand in Iran schetst waarin ook de aangevoerde vervolgingsfeiten moeten worden gesitueerd; 1.2.
  4. Overwegende dat in het eerste, tweede en vierde onderdeel van het middel in wezen wordt gevraagd om een herbeoordeling van de asielaanvraag; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen over de vastgestelde tegenstrijdigheden, en de waarde van het rapport van Amnesty International; 1.2.
  5. Overwegende dat, met betrekking tot het derde onderdeel van het middel, dient vastgesteld dat artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen stelt dat de ter zitting voorgebrachte documenten dienen, zij niet in de proceduretaal zijn gesteld, indien voorzien te zijn van een voor eensluidend verklaarde vertaling van de betreffende documenten; dat bij gebrek hieraan de Commissie niet verplicht is deze documenten in overweging te nemen; dat uit de motivering van de bestreden XIV-19.890-2/3 beslissing blijkt dat de Commissie van deze bepaling toepassing heeft gemaakt om de neergelegde documenten niet in overweging te nemen; dat er geen sprake kan zijn van een schending van de rechten van verdediging, noch van een schending van het tegensprekelijk debat; dat, in de mate het enig middel ontvankelijk is, het niet gegrond is;
  6. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.890-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.141 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.