id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.151 Rolnummer: A. 163065/VII-34109 Zaak: Arrest 150151 - - 13/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-21 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 02:10 Fiche Arrest nr 150.151 van 13 oktober 2005 - Beslissing : heropening debatten Voortzetting gewone procedure Inwilliging tussenkomst Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.151 van 13 oktober 2005 in de zaak A. 163.065/VII-34.109 In zake :
(2x)en koelinstallaties met een gezamenlijk vermogen van 74 kW; - de opslag van 1.404 liter diverse gassen in verplaatsbare recipiënten (150 liter zuurstof, 100 liter atal, 50 liter stikstof, 70 liter argon, 350 liter acetyleen, 20 liter inarc en 664 liter propaan); - de opslag van 4.910 kg schadelijke, irriterende en corrosieve stoffen; - de opslag van 200 liter petroleum in een vat; VII-34.109-3/17 - de opslag van 134.000 liter P3-producten in bovengronds enkelwandige houders (93.000 liter diesel, 1.000 liter afvalolie en 30.000 liter, 6.000 liter en 4.000 liter stookolie); - een verdeelslang voor diesel voor de bevoorrading van eigen voertuigen; - de opslag van 2.155 kg gevaarlijke stoffen in verpakkingen van max. 25 liter of 25 kg; - diverse houtbewerkingstoestellen met een gezamenlijk vermogen van 18,5 kW; - de opslag van 750 m3 houten paletten, deels in een gesloten ruimte en deels in openlucht; - de opslag van 10 ton PVC-paletten in een lokaal; - een kwaliteitslabo; - diverse metaalbewerkingsmachines met een gezamenlijk vermogen van 44,7 kW; - een ontvettingsbad van 200 liter voor metalen; - de opslag van 150 ton papieren verpakkingsmateriaal; - een stoomketel met een waterinhoud van 3.500 liter; - vijf stookinstallaties met een totaal thermisch vermogen van l.516 kW (1.042,5 kW, 234,5 kW, 98,2 kW, 97,6 kW en 45,3 kW); - een proefbakkerij met een gezamenlijk vermogen van 30 kW; een graanmaalderij met een totaal geïnstalleerd vermogen van 4.588,75 kW (1.958,75 kW voor bewerking en 2.630 kW voor transport); - de opslag van 29.882 m3 granen, bloem en bijproducten in silo’s. 2.4. Er worden bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd. Met betrekking tot geluidshinder wordt het volgende bepaald : "- De exploitant dient het specifieke geluid van de inrichting te evalueren door het uitvoeren van een nieuw geactualiseerd volledig akoestisch onderzoek zoals beschreven in bijlage 4.5.2 van titel II van het VLAREM. De inrichting dient hierbij getoetst te worden aan de voorwaarden vervat in afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem (voorwaarden voor nieuwe inrichtingen en voor veranderingen van bestaande inrichtingen). Indien nodig dient een saneringsplan voor geluidshinder zoals beschreven in bijlage 4.5.3 van titel II van het VLAREM uitgewerkt en uitgevoerd. Deze documenten dienen binnen een termijn van vier maand na ondertekening van onderhavig besluit ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling milieu-inspectie alsook ter kennisgeving aan het hoofdbestuur van de Afdeling Milieuvergunningen. De vereiste saneringsmaatregelen worden zo snel als mogelijk uitgevoerd. - Na uitvoering van de saneringsmaatregelen laat de exploitant binnen het jaar na datum van ondertekening van onderhavig besluit, en mits het in acht nemen van de termijn van rapportage, zoals hierna vermeld, een tweede volledig akoestisch onderzoek uitvoeren, waaruit moet blijken dat de geluidsnormen van afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem steeds gerespecteerd worden. Het rapport van dit laatste onderzoek wordt uiterlijk één jaar na datum van VII-34.109-4/17 ondertekening van dit besluit ter goedkeuring voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling milieu-inspectie en ter kennisgeving overgemaakt aan het hoofdbestuur van de Afdeling Milieuvergunningen". 2.5. De tussenkomende partij dient tegen deze beslissing een annulatieberoep in (A. 105.205/VII-23.824). Het beroep wordt verworpen bij arrest nr. 137.643 van 25 november 2004. 2.6. Op 22 augustus 2002 wordt een definitieve vergunning verleend. Deze wordt evenwel op vordering van eerste verzoeker door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 120.126 van 4 juni 2003 en vernietigd bij arrest nr. 138.268 van 9 december 2004. 2.7. Na het vernietigingsarrest wordt de procedure hernomen. Volgende adviezen worden verleend: - de afdeling Milieu-inspectie (Buitendienst Oost-Vlaanderen) brengt in herinne- ring dat zij er in haar aanmaning van 4 september 2001 op had gewezen het saneringsplan niet goed te keuren, onder meer omdat de meetwaarden dienden te worden getoetst aan de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen of verande- ringen van bestaande inrichtingen, en niet aan de voorwaarden voor bestaande inrichtingen. Zij schrijft verder: “Een stabiel en constant geluidsdrukniveau van 45 dB(A) veroorzaakt door industrielawaai en gemeten op slaapkamerniveau is niet van aard een aanvaard- bare kwaliteit van de woonomgeving te waarborgen.” - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert ongunstig voor het lozen van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater, omdat de aanvraag niet overeenstemt met de werkelijke situatie; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert ongunstig, omdat bij de geluidsmeting- en nog steeds niet werd onderzocht of de inrichting voldoet aan de bepalingen van afdeling 4.5.3 van Vlarem II, maar voegt daar aan toe: “dat in de proefvergunning niet werd gezegd dat de volledige inrichting dient te voldoen aan de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen, maar dat deze wel gelden voor de onderdelen die veranderd werden; dat dit telefonisch aan de VII-34.109-5/17 exploitant gemeld werd en dat er werd aangedrongen op een document waarin de verenigbaarheid wel wordt aangetoond (...)” - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig; ze stelt dat het door de afdeling Milieuvergunningen gevraagde document werd overhandigd op de zitting van de commissie, en dat de conclusies ervan luiden als volgt: “- aangezien de nieuwe inrichtingen (compressoren en koelgroepen) door de gedegen geluidssaneringsmaatregelen geen invloed hebben naar de omgeving wordt er aandacht besteed aan de verandering van de bestaande inrichting namelijk die van het molengebouw; - de capaciteit van de molen is met minder dan 100% uitgebreid, waardoor de totale inrichting niet ‘nieuw’ wordt; - volgens afdeling 4.5.3. dient elke verandering aan een installatie voor de discipline geluid bepaald te worden en getoetst te worden aan de grenswaar- den voor nieuwe inrichtingen; - dit laatste stond ook zo in de proefvergunning; het specifiek geluid van de situatie van voor de uitbreiding en na de uitbreiding diende te worden uitgesplitst; - aangezien er geen meetgegevens zijn van voor de uitbreiding, kan deze uitsplitsing niet gedaan worden op basis van meetgegevens; - er diende dus aan de hand van indicatieve Lw's gewerkt te worden; - het oorspronkelijk omgevingsgeluid voordat het molengebouw is uitgebreid, is niet gekend; daarom wordt met het huidige omgevingsgeluid rekening gehouden; - aangezien het bedrijf de laatste jaren heel wat geïnvesteerd heeft in geluidssa- neringen, kan er gesteld worden dat het omgevingsgeluid in de huidige situatie lager ligt dan het omgevingsgeluid voordat de saneringen zijn doorgevoerd; - het huidige omgevingsgeluid als oorspronkelijk omgevingsgeluid aannemen zal dus steeds leiden tot een strengere beoordeling van het specifiek geluid voor de nieuwe inrichtingen of verandering van bestaande inrichtingen; - in tabel 2-1 werd dus de oefening gedaan; - uit de berekeningen blijkt dat het specifiek geluid van de verandering van bestaande inrichtingen op of onder de grenswaarden van titel II van het Vlarem blijft; dat het splitsen van het molengebouw dus niet veel impact heeft naar de algemene beoordeling van het specifiek geluid van het bedrijf (...)”. 2.8. Op 4 april 2005 wordt de bestreden beslissing genomen. De vergunning wordt verleend voor een termijn tot 24 augustus 2020. Wat betreft de geluidshinder is de motivering de volgende: “(..) Overwegende dat hoewel de exploitant alle saneringen heeft doorgevoerd, hij heeft nagelaten om het geluid van de inrichting te toetsen aan afdeling 4.5.3. van titel II van het Vlarem; dat in de proefvergunning niet werd gezegd dat de volledige inrichting dient te voldoen aan de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen, maar dat deze wel gelden voor de onderdelen die veranderd werden; dat dit telefonisch aan de exploitant gemeld werd en dat er werd aangedrongen op een document waarin de verenigbaarheid wel wordt aang- etoond; VII-34.109-6/17 Overwegende dat dergelijk document werd overhandigd op de zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 14 februari 2005; dat hierin volgende conclusies gemaakt worden: - aangezien de nieuwe inrichtingen (compressoren en koelgroepen) door de gedegen geluidssaneringsmaatregelen geen invloed hebben naar de omgeving wordt er aandacht besteed aan de verandering van de bestaande inrichting namelijk die van het molengebouw; - de capaciteit van de molen is met minder dan 100% uitgebreid, waardoor de totale inrichting niet ‘nieuw’ wordt; - volgens afdeling 4.5.3. dient elke verandering aan een installatie voor de discipline geluid bepaald te worden en getoetst te worden aan de grenswaar- den voor nieuwe inrichtingen; - dit laatste stond ook zo in de proefvergunning; het specifiek geluid van de situatie van voor de uitbreiding en na de uitbreiding diende te worden uitgesplitst; - aangezien er geen meetgegevens zijn van voor de uitbreiding, kan deze uitsplitsing niet gedaan worden op basis van meetgegevens; - er diende dus aan de hand van indicatieve Lw's gewerkt te worden; - het oorspronkelijk omgevingsgeluid voordat het molengebouw is uitgebreid, is niet gekend; daarom wordt met het huidige omgevingsgeluid rekening gehouden; - aangezien het bedrijf de laatste jaren heel wat geïnvesteerd heeft in geluidssa- neringen, kan er gesteld worden dat het omgevingsgeluid in de huidige situatie lager ligt dan het omgevingsgeluid voordat de saneringen zijn doorgevoerd; - het huidige omgevingsgeluid als oorspronkelijk omgevingsgeluid aannemen zal dus steeds leiden tot een strengere beoordeling van het specifiek geluid voor de nieuwe inrichtingen of verandering van bestaande inrichtingen; - in tabel 2-1 werd dus de oefening gedaan; - uit de berekeningen blijkt dat het specifiek geluid van de verandering van bestaande inrichtingen op of onder de grenswaarden van titel II van het Vlarem blijft; dat het splitsen van het molengebouw dus niet veel impact heeft naar de algemene beoordeling van het specifiek geluid van het bedrijf; (...) (...) Overwegende dat er zodoende aan de voorwaarden, opgelegd in de proefvergunning werd voldaan; dat alle nodige saneringen, zowel op het gebied van de veiligheid als op het gebied van geluid werden doorgevoerd; dat de vergunning definitief kan worden verleend; (...)”; 3. Beoordeling 3.1.1. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt aangevoerd van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 4,5.3.1., § 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), van artikel 2 van bijlage 4.5.2. bij Vlarem II en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende VII-34.109-7/17 partijen stellen dat de inzet van de proefperiode duidelijk blijkt uit de sub 2.3 geciteerde passage in de beslissing van 23 maart 2001; dat zij het middel als volgt uiteenzetten : “17. In de rechtsleer wordt gesteld: ‘De motivering van de beslissing moet derhalve steun vinden in de vaststel- lingen met betrekking tot de ‘inzet’ van de proefperiode’ (LINDEMANS, D., 'De milieuvergunning op proef', T.M.R., 2002, 58). De inzet van de proefperiode blijkt uit de proefvergunning, afgeleverd bij besluit d.d. 23 maart 2001 (stuk 6): ‘- De exploitant dient het specifieke geluid van de inrichting te evalueren door het uitvoeren van een nieuw geactualiseerd volledig akoestisch onderzoek zoals beschreven in bijlage 4.5.2 van titel II van het VLAREM. De inrichting dient hierbij getoetst te worden aan de voorwaarden vervat in afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem (voorwaarden voor nieuwe inrichtingen en voor veranderingen voor bestaande inrichtingen). Indien nodig dient een sanerings- plan voor geluidshinder zoals beschreven in bijlage 4.5.3. van titel II van het VLAREM uitgewerkt en uitgevoerd. Deze documenten dienen binnen een termijn van vier maand na ondertekening van onderhavig besluit ter goedkeuring (
- te)worden voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling milieuinspectie alsook ter kennisgeving aan het hoofdbestuur van de Afdeling Milieuvergunningen. De vereiste saneringsmaatregelen worden zo snel als mogelijk uitgevoerd. - Na uitvoering van de saneringsmaatregelen laat de exploitant binnen het jaar na datum van ondertekening van onderhavig besluit, hierna vermeld, een tweede volledig akoestisch onderzoek uitvoeren, waaruit moet blijken dat de geluidsnormen van afdeling 4.5.3. van titel II van het Vlarem steeds gerespecteerd worden. Het rapport van dit laatste onderzoek wordt uiterlijk één jaar na datum van de van ondertekening van dit besluit ter goedkeuring voorgelegd aan de provinciale entiteit van de afdeling milieu-inspectie en ter kennisgeving overgemaakt aan het hoofdbestuur van de Afdeling Milieuver- gunningen.’ In casu kan dan ook niet ernstig worden bestwist dat de exploitant dient aan te tonen dat de geluidsnormen van titel II van Vlarem steeds gerespecteerd worden. In de proefvergunning wordt bovendien zeer concreet aangegeven welke richtwaarden dienen te worden gehaald: ‘Overwegende dat onderhavige aanvraag een verandering door aanzienlijke uitbreiding betreft van een bestaande inrichting van klasse 1; dat immers het vermogen van de graanmaalderij word uitgebreid met 1.619,8 kW tot in totaal 4.588,75 kW; dat bijgevolg de geluidswaarden van afdeling 4.5.3. van titel II van het Vlarem van toepassing zijn (voorwaarden voor nieuwe inrichtingen van klasse 1 en 2 en voor veranderingen van bestaande inrichting- en van klasse 1 en 2); dat uit hogervermeld ‘saneringsplan met betrekking tot geluid’ kan worden afgeleid dat LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid lager is dan de richtwaarden in het gebied; dat bijgevolg, volgens artikel 4.5.3.1, §3 van titel II van het Vlarem, het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van de bestaande inrichting dat het voorwerp van de verandering uitmaakt, beperkt moet worden tot de richtwaarden vermeld in bijlage 4.5.4 verminderd met 5dB (A); dat op basis van hogervermelde gegevens bijgevolg het specifieke geluid de richtwaarden met 18 dB (A) zou overschrijden (nachtperiode), hetgeen onaanvaardbaar is;’(...). VII-34.109-8/17 Bijlage 4.5.4 van titel II van Vlarem bepaalt: ‘MILIEUKWALITEITSNORMEN IN Db (A) IN OPEN LUCHT GEBIED OVERDAG 'S AVONDS 'S NACHTS (...) 3/ Gebieden of delen van gebieden op minder dan 500 m gelegen van gebieden voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote onderneming- en, van dienstverleningsgebieden of van ontginningsgebieden, tijdens de ontginning: 50 45 40 ‘ Overeenkomstig artikel 4.5.3.1, §3 van titel II dienen voormelde richtwaarden te worden verminderd met 5 dB (A) Bijgevolg mag de door de gehele inrichting, respectievelijk door het onderdeel van de bestaande inrichting dat het voorwerp van de verandering uitmaakt, geproduceerde geluidshinder in het woongebied van verzoekende partijen niet meer bedragen dan 45 dB(A) overdag, 40 dB(A) 's avonds en 35 dB 's nachts. In de proefvergunning werd uitdrukkelijk bepaald dat uit de door de exploitant meegedeelde, en door de Afdeling Milieu-inspectie en de afdeling milieuvergunningen goedgekeurde akoestische onderzoeken (zie artikel 4.5.2 van titel II van Vlarem), moet blijken dat deze richtwaarden steeds worden gerespecteerd. Dit was de inzet van de proefperiode. De motivering van het bestreden besluit dient steun te vinden in de vaststel- lingen (akoestisch onderzoek) m.b.t. de inzet van de proefperiode. Welnu, verzoekende partijen stellen vast dat enkel het verslag van 16 februari 2004, waarin een eindbeoordeling van de geluidssanering te vinden is, werd voorgelegd aan de afdeling Milieu-inspectie, zoals vereist door artikel 2 van bijlage 4.5.2 van titel II van Vlarem. Bijgevolg diende verwerende partij aan de hand van dit verslag te oordelen of aan de inzet van de proefvergunning voldaan was. In het bestreden besluit wordt m.b.t. dit verslag overwogen: ‘Overwegende dat specifiek voor MP4 (slaapkamer achteraan Tolpoortstraat 64) een kortstondige meting gedurende de nachtperiode werd uitgevoerd; dat hieruit bleek dat het gemeten Laeq,T 44 dB(A) bedraagt; dat dit één dB(A) onder de richtwaarde van titel II van het Vlarem bedraagt; dat de meting echter werd uitgevoerd in de raamopening zodat reflecties de meting kunnen beïnvloed hebben; dat het specifiek geluid van het bedrijf in de praktijk dus iets lager zal liggen, dat uit het rekenmodel het specifiek geluid 41 dB(A) bedroeg; dat de analyse van de langdurige omgevingsmetingen (op 3.5 meter vanaf de gevel) aantoont dat het specifiek geluid 43 dB(A) bedraagt gedurende de nachtperiode; dat uit de tertsbandanalyse geen zuivere toon kan gedetecteerd worden; dat indien een zuivere toon auditief waargenomen wordt een fijnere analyse dient toegepast te worden; dat uit auditieve waarnemingen en een fijnere FFT analyse blijkt dat er mogelijk hoorbare zuivere tonen aanwezig zijn bij 76, 100 en/of 300 Hz; dat daarom een toeslag van 2 dB dient toegekend te worden aan het specifieke geluid gedurende de nachtperiode zodoende 45 dB(A) bedraagt (inclusief tonale correctie), hetgeen gelijk is met de richtwaarde; dat ook dient opgemerkt te worden dat auditieve waarnemingen in de kamer met gesloten ramen leidden tot het bepalen van een duidelijk hoorbare periodieke geluidsbron in de kamer die lange tijd aanhoudt en die binnen goed waarneembaar is; dat dit passerende treinen door Deinze betreft die telkens gedurende enkele minuten het geluidsdrukniveau in de kamer doen stijgen’(...). In het evaluatieverslag van 16 februari 2004 wordt helemaal niet gesteld dat de richtwaarde wordt gerespecteerd, wel integendeel. In de nota van de Afdeling Milieu-inspectie d.d. 12 januari 2005 (stuk 10) wordt immers gesteld: ‘Het akoestische onderzoek/saneringsplan droeg aanvankelijk niet onze goedkeuring gelet op de opmerkingen bij dit rapport waarover het bedrijf werd ingelicht met aanmaning van 4.9.2001. De aanmaning was als volgt verwoord: VII-34.109-9/17 1. De meetwaarden dienen getoetst aan de geluidswaarden vervat in afdeling 4.5.3 van Vlarem II voor nieuwe inrichtingen of veranderingen van bestaande inrichtingen, zoals opgelegd in de bijzondere voorwaarden 21. M.b.t. het geluidsaspect van de milieuvergunningen verleend door de Vlaamse minister van datum 23.3.2001. (...) De eindbeoordeling van de geluidssanering is te vinden in het verslag ‘opvolging saneringsplan - deel 2' van datum 16.2.2004. Hierbij had een ambulante meting plaats in een meetpunt representatief voor de buur/klager Tolpoortstraat 64, ter hoogte van het slaapkamerniveau. Volgens de conclusie bedraagt het specifiek geluid in dit meetpunt 45 dB(A) voor de nachtperiode hetgeen gelijk is aan de richtwaarde voor bestaande inrichtingen. Dat het bedrijfsgeluid nog steeds het geluidsklimaat in de omgeving van de woning beheerst, volgt uit de meetresultaten gegeven in figuur 7-1. Dit valt af te leiden uit het quasi-stabiel verloop van de Laeq, 1sec-waarden en uit de spectrale gegevens welke duiden op het belang van laagfrequent-industriegeluid (tevens tonaal volgens smalbandanalyse). Een stabiel en constant geluidsdrukniveau van 45 dB(A) veroorzaakt door industrielawaai en gemeten op slaapkamerniveau is niet van aard een aanvaardbare kwaliteit van de woonomgeving te waarborgen.’(...) Aangezien de Afdeling Milieu-inspectie op grond van de meetresultaten van het akoestisch onderzoek tot de conclusie komt dat de inrichting geluidshinder veroorzaakt die niet van aard is een aanvaardbare kwaliteit van de woonomge- ving te waarborgen, kan niet ernstig worden betwist dat aan de inzet van de proefperiode nl. het steeds respecteren van de richtwaarden, niet voldaan is. De overweging in het evaluatieverslag dat ‘de redenen van vernietigingsarrest dd. 9.12.04 grotendeels voorbijgestreefd [zijn] door de gegevens van het saneringsdossier voor het aspect geluid voormeld’ kan dan ook enkel slaan op het feit dat ditmaal wél een akoestisch onderzoek werd voorgelegd. Echter, uit dit onderzoek is gebleken dat de inrichting niet voldoet aan de richtwaarden inzake geluid en onaanvaardbare hinder voor de omwonenden veroorzaakt. Het bestreden besluit steunt op het manifest onjuiste motief dat uit het akoestisch onderzoek van 16 februari 2004 is gebleken dat ingevolge de saneringen het gewenste resultaat is bereikt nl. dat het geluid van de inrichting ter hoogte van verzoekende partijen voldoet aan de richtwaarde van artikel 4.5.3 van titel II van Vlarem. Zoals reeds hoger aangetoond, bedraagt de richtwaarde overeenkomstig artikel 4.5.4 van de bijlage van titel II van Vlarem 40 dB(A) voor 's nachts, en dient deze zelfs overeenkomstig artikel 4.5.3.1, §3 van titel II van Vlarem te worden verminderd met 5 dB(A). Dit werd ook met zoveel woorden opgenomen in de proefvergunning. In het akoestisch onderzoek van 16 februari 2004 wordt uitgegaan van een richtwaarde van 45 dB(A) bij nacht, zodat het bestreden besluit is genomen met schending van bijlage 4.5.4 van titel II van Vlarem en artikel 4.5.3.1, §3 van titel II van het Vlarem. In het vernieti- gingsarrest van 9 december 2004 werd trouwen de miskenning van de correcte richtwaarden door verwerende partij al aangegeven: ‘dat toch een definitieve vergunning wordt verleend, op basis van een simulatieberekening waaruit zou moeten blijken dat, eens de sanering zal zijn voltooid, de inrichting grotendeels zal voldoen aan normen die echter soepeler zijn dan deze die volgens de proefvergunning gelden;’ (R.v.St., 9 december 2004, BLOMME, nr. 138.268). Verwerende partij heeft de aanvaardbaarheid van de geluidshinder van de inrichting niet getoetst aan de van toepassing zijnde richtwaarden, zodat ook de motivering dat door onderhavige inrichting de richtwaarden van Titel II van Vlarem gehaald worden, onjuist is en onmogelijk het bestreden besluit kan bedragen. Het bestreden besluit schendt de motiveringsplicht. VII-34.109-10/17 18. In het bestreden besluit wordt tevens verwezen naar een geluidsonderzoek van 14 februari 2005, dat op dezelfde dag nog door de exploitant werd overhandigd aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Verzoekende partijen wensen echter te benadrukken dat de betreffende meting van 14 februari 2005 helemaal geen afbreuk doet aan het feit dat de inrichting in haar geheel de richtwaarden, zoals vooropgesteld in de proefvergun- ning, overschrijdt. Met deze zeer summiere studie (5p.) poogt de exploitant aan te tonen dat wat betreft het veranderde gedeelte van de inrichting de richtwaarden van Titel II van Vlarem worden gerespecteerd. In de Draft wordt gesteld: ‘Berekende specifiek geluid van de verandering van het molengebouw van Dossche, Mills & Bakery’. In de proefvergunning werd uitdrukkelijk bepaald dat verwerende partij aan de hand van een akoestisch onderzoek, in de zin van artikel 4.5.3 van Titel II van Vlarem, dien te oordelen of de Vlarem normen worden gerespecteerd. Uit het bestreden besluit blijkt geenszins dat deze Draft werd geëvalueerd door de Afdeling Milieu-inspectie, zodat verwerende partij artikel 2 van bijlage 4.5.2 van titel II van Vlarem schendt. In het arrest LOWIE van 8 februari 2001 werd het belang van een evaluatieverslag van de Afdeling Milieu-inspectie door de Raad van State benadrukt: ‘Bovendien ligt het ook voor de hand dat de vergunningverlenende overheid bij de definitieve beoordeling van de vergunningsaanvraag bijzondere aandacht zal moeten hebben voor de redenen die er haar toe gebracht hebben om de vergunning eerst op proef te verlenen en niet onmiddellijk definitief te vergunnen voor een langere vergunningstermijn. Dit verklaart waarom door de Vlarem-reglementering wordt vereist dat in het kader van de definitieve beoordeling van de vergunningsaanvraag een evaluatieverslag wordt opgesteld door de afdeling milieu-inspectie, die belast is met de controle ter plaatse van de hinderlijke inrichtingen.’ (R.v.St., 8 februari 2001, LOWIE, nr. 93.180). Door een definitieve vergunning af te leveren zonder dit wettelijk vastgelegd controlemechanisme te respecteren, heeft verwerende partij tevens het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Aangezien een definitieve vergunning werd afgeleverd op grond van bevindingen afgeleid uit een eenzijdige en summiere ‘Draft’ i.p.v. een volwaardig ‘akoestisch onderzoek’, steunt het bestreden besluit geenszins op afdoende motieven in de zin van artikel 3 van de Formele Motiveringswet. Bovendien hebben de losse en eenzijdige bevindingen enkel betrekking op het veranderde gedeelte van de inrichting. Deze Draft-versie houdt echter geen rekening met de geluidshinder afkomstig van het vrachtverkeer op het bedrijf- sterrein. In het bestreden besluit (p. 14) wordt nochtans gesteld: ‘dat er wel geluid op te merken viel van de vrachtwagens, doch niet van de graanmaalderij;’. De mededeling in de Draft - en uiteraard letterlijk overgenomen in het bestreden besluit - dat ‘het splitsen van het molengebouw dus niet veel impact heeft naar de algemene beoordeling van het specifiek geluid van het bedrijf’ is niet enkel onduidelijk maar ook irrelevant. 19. Ook het motief dat ‘tijdens het plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen kon vastgesteld worden dat de inrichting, in volle exploitatie, buiten het bedrijfsterrein niet hoorbaar was’ is uiteraard niet afdoende aangezien in de proefvergunning werd bepaald dat aan de hand van een ‘akoestisch onderzoek’, ter evaluatie voorgelegd aan de afdeling Milieu- inspectie, de geluidshinder moest worden beoordeeld. Bovendien is het duidelijk dat de betreffende ‘vaststelling’ volkomen indruist tegen de conclusies van het akoestisch onderzoek van 16 februari 2004 en de evaluatie ervan door de afdeling Milieu-inspectie, zodat dergelijk motief onmogelijk de beslissing tot het afleveren van een definitieve milieuvergunning kan dragen. Het eerste middel is ernstig."; VII-34.109-11/17 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota, neergelegd in de schorsingprocedure, na een overzicht van de chronologie van de zaak te hebben gegeven, er op wijst dat thans wel een akoestisch onderzoek voorlag; dat zij vervolgens stelt : “(...)Tevergeefs proberen de verzoekende partijen te zeggen dat de exploitatie als geheel moet voldoen aan de geluidsvoorwaarden van de afdeling 4.5.3. VLAREM II. Deze afdeling bepaalt de geluidsvoorwaarden voor de nieuwe inrichtende klasse I en II voor de veranderingen van de bestaande inrichtingen van dezelfde klasse. Er is op grond van de vergunning op proef geen discussie over het feit dat de verandering een uitbreiding van de molenactiviteiten met 55% betrof. De verzoekende partijen betwisten dit ook niet. De afdeling Milieuvergunningen redeneert dus op een geldige wijze dat de geluidsvoorwaar- den van de afdeling 4.5.3. VLAREM II niet voor het geheel van de exploitatie gelden, maar wel voor de veranderde onderdelen. In het addendum voor de opvolging saneringsplan deel 2 (stuk 14) legt de erkende geluidsdeskundige uit dat de veranderde, c.q. nieuwe installaties bestaan uit compressoren en koelgroepen die binnen in het gebouw zijn opgesteld met akoestische isolatie voor de ventilatie-openingen of akoestische isolatie van ramen en deuren, zodat de bronnen aan de buitenzijde niet kunnen gemeten worden en geen impact hebben op de omgeving. De bestreden beslissing vat op p. 14 en 15 de redenering van de afdeling Milieuvergunningen over de toetsing van de voorwaarden aan de afdeling 4.5.3. VLAREM II samen, en aanvaardt dat het addendum dat de exploitant tijdens de hoorzitting neerlegde (stuk 14) aantoont dat ‘het specifiek geluid van de verandering van de bestaande inrichtingen op of onder de grenswaarden van titel II van het VLAREM blijft’. (...) De verzoekende partijen miskennen de draagwijdte van de documenten en motieven waarop de bestreden beslissing steunt door te blijven verwijzen naar de eerste definitieve vergunning van 22 augustus 2002, die door uw Raad werd bekritiseerd omdat ze voor wat de evaluatie van de geluidshinder betreft niet steunde op meetresultaten die werden bekomen na de voltooiende sanering, maar op een simulatieberekening die werd uitgevoerd omdat de sanering nog niet was voltooid. Nu de verzoekende partijen toegeven dat het noodzakelijke volledige akoestisch onderzoek was vereist volgens art. 53 §3 VLAREM I wel voorhan- den is, kunnen zij naar de kritiek op de eerste definitieve vergunning niet teruggrijpen. De verwerende partij onderstreept dat de afdeling Milieu-inspectie de noodzakelijke akoestische verslagen heeft ontvangen en gecontroleerd. Dit blijkt uit de reeds geciteerde brieven en adviezen. Vermits de afdeling Milieuvergun- ningen in de GMVC een stemgerechtigd lid heeft, die klaarblijkelijk het gunstig advies van de GMVC steunt, kan aan het overigens louter formalistische motief van de verzoekende partijen dat de bevinding van het geluidsonderzoek van 14 februari 2005 niet aan de bevoegde instanties werden voorgelegd, niet steekhoudend zijn. (...) Het debat over de toepassing van art. 2 bijlage 4.5.2. VLAREM II is niet pertinent. De afdeling Milieu-inspectie had klaarblijkelijk de gelegenheid om het volledig akoestisch onderzoek te lezen en te evalueren (zie stuk 3). De verwerende partij ontkent niet dat het addendum van 14 februari 2005 (stuk 14) niet aan de afdeling Milieu-inspectie werd voorgelegd. Het addendum geeft een VII-34.109-12/17 essentiële toelichting naar aanleiding van de telefonische vraag van de afdeling Milieuvergunningen met betrekking tot de meetresultaten in het verslag van 16 februari 2004 (stuk 12), en meer bepaald met betrekking tot de vraag of en hoe een in functie van de toetsing van de meetresultaten aan de voorwaarden van de afdeling 4.5.3. VLAREM II konden of moesten worden uitgesplitst enerzijds het specifiek geluid van de verandering van de bestaande inrichting en het specifiek geluid van de bestaande inrichting. Dit addendum moest niet op straf van nietigheid worden voorgelegd. De milieu-inspectie, en in de gegeven omstandig- heden maakt de onmiddellijke evaluatie van het addendum door de vertegen- woordiger van de afdeling Milieuvergunningen geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit (sic). Wel integendeel, vermits het inwinnen van de adviezen correct verliep, en zowel de AMV als de GMVC, de eerste door een plaatsbezoek op 02 februari 2005 en een telefonische aanmaning op 08 februari 2005 de adviesverlening op een zorgvuldige wijze hebben voorbereid en tot stand gebracht. Vertraging van de procedure van de adviesverlening - die overigens niet mogelijk was - zou niet tot een ander resultaat hebben geleid.”; 3.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij de motivering van de bestreden beslissing citeert en daaruit afleidt dat de aanvaardbaarheid van de geluidshinder wel degelijk werd getoetst aan de van toepassing zijn de richtwaarden; 3.2.1. Overwegende dat de auditeur het eerste middel kennelijk gegrond acht; dat hij die kennelijke gegrondheid stoelt op de volgende redenering : “4.1. Dat aan de voorwaarden van de proefvergunning is voldaan, blijkt volgens de bestreden beslissing uit het op 14 februari 2005 ter zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie neergelegd Addendum. De bestreden beslissing beperkt zich er evenwel toe de samenvatting die door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie werd gemaakt over te nemen, en bevat geen spoor van enige evaluatie van de conclusies ervan. Nochtans springen bij een eerste aandachtige lezing (...) meteen een aantal zaken in het oog, die enkel kunnen leiden tot de conclusie dat het, op zijn minst, niet aantoont dat aan de voorwaarden van de proefvergun- ning is voldaan. 4.2. Wat de verwerende partij thans ook moge beweren, in de proefvergun- ning stond wel degelijk dat de gehele inrichting moest voldoen aan de voorwaarden van afdeling 4.5.3. Weliswaar stond dit niet in het beschik- kend gedeelte, maar in de motivering stond: Overwegende dat, gelet op de omringing van de inrichting door dichtbebouwd woongebied met stiltebehoevende instellingen zoals scholen, alsook op de vigerende geluidsnormen vervat in [afdeling] 4.5.3. van titel II van het Vlarem, het aangewezen én verplicht is dat voor de ganse inrichting de richtwaarden van titel II van het Vlarem steeds gerespecteerd worden (...) In haar annulatieberoep tegen de proefvergunning heeft de tussenkomen- de partij onder meer aangevoerd dat de bewuste geluidsnormen niet mochten worden opgelegd voor de gehele inrichting. Dit middelonderdeel werd (zoals de andere) verworpen. De verwerende partij werd gevolgd in haar argumentatie dat artikel 4.5.6.1 volstond om de gehele inrichting aan de normen van afdeling 4.5.3 te onderwerpen, en de vraag of ook de verandering van het onderdeel graanmaalderij er op zich toe kon leiden VII-34.109-13/17 dat de gehele inrichting aan die normen werd onderworpen, werd irrelevant verklaard. 4.3. De proefvergunning ging er tevens van uit dat de inrichting moest worden beoordeeld als een nieuwe inrichting, zodat het oorspronkelijk omgevingsgeluid het geluid is zonder enige inbreng van de inrichting. Wanneer het gaat om de verandering van een bestaande inrichting, is in het oorspronkelijk omgevingsgeluid het geluid van de inrichting vóór verandering begrepen. Dit kan van wezenlijk belang zijn, omdat de waarde van het oorspronk- elijk omgevingsgeluid bepaalt of artikel 4.5.3.1, §1 dan wel §3 van toepassing is. De proefvergunning is op grond van de gegevens van het bij de vergunningsaanvraag gevoegde saneringsplan tot de conclusie gekomen dat de strengere §3 van artikel 4.5.3.1 van toepassing is. 4.4. Zelfs wanneer men zou aannemen dat enkel de verandering en de veranderde onderdelen moeten worden beoordeeld, is het Addendum uitermate betwistbaar. Het oorspronkelijk omgevingsgeluid is, volgens de definitie van artikel 1.1.2, het omgevingsgeluid dat aanwezig is vóór het exploiteren of veranderen van een inrichting. Het niveau ervan bepaalt, zoals gezegd, welke bijkomende geluidsproductie nog kan worden aanvaard. Het door de tussenkomende partij bezorgde Addendum vertrekt evenwel van het actuele omgevingsgeluid, waarin de geluidsproductie na de uitbreiding reeds zit vervat. Dit is een werkwijze die het uitgangspunt van afdeling 4.5.3. volledig onderuit haalt. 4.5. Maar het Addendum gaat nog verder. Waar het specifieke geluid na de verandering vanzelfsprekend het totale specifieke geluid is, maakt het Addendum abstractie van het geluid dat er reeds was door de bestaande inrichting, en beoordeelt het enkel de bijkomende geluidsproductie. Dit door op arbitraire wijze en zonder enige verantwoording aan te nemen dat de verandering voor de helft van het geluid zorgt. 4.6. Gelet op voorgaande opmerkingen kon de verwerende partij onmogelijk concluderen dat uit het Addendum blijkt dat thans aan de voorwaarden van de proefvergunning is voldaan. Het eerste middel is kennelijk gegrond.”; 3.2.2. Overwegende dat de Raad van State een beroep tot nietigverkla- ring slechts volgens de procedure voorgeschreven door artikel 94 van het algemeen procedurereglement vermag af te doen wanneer hij vaststelt dat een middel kennelijk gegrond is, d.w.z. dat de aangevoerde onwettigheid duidelijk is en voor de hand ligt en derhalve de nietigverklaring onvermijdelijk is op grond van dat middel; dat het beroep op de verkorte procedure van artikel 94 van het algemeen procedureregle- ment alleen in dat opzicht is gerechtvaardigd ; dat die gestrengheid zich opdringt omdat het naar die verkorte procedure gedirigeerde geding zonder verdere plichtplegingen, met een minimaal verweer, definitief wordt beslecht en dan nog door een alleenzetelende rechter, hoewel in de regel alleen een voltallige kamer een beslissing kan nemen over het definitief gegrond bevinden van een middel; dat in het raam van deze procedure alleen vermag geoordeeld worden of de in het verslag van het auditoraat als kennelijk gegrond bevonden middelen dit wel zijn; VII-34.109-14/17 3.2.3. Overwegende dat artikel 4.5.3.1.,§ 3, van Vlarem II het volgende bepaalt : “§ 3.LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is lager dan de richtwaarden in de gebieden onder 2/, 3/, 5/, 8/, of 9/ van de bijlage 2.2.1. bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, beperkt worden tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 5 dB(A).”; 3.2.4. Overwegende dat op pagina 9 van stuk 2 van het administratief dossier -zijnde de proefvergunning van 23 maart 2001- waarnaar in noot 14 van het verslag wordt verwezen, het volgende te lezen staat : “Overwegende dat het bij de aanvraag gevoegde ‘saneringsplan met betrekking tot geluid’, uitgevoerd door een erkend deskundige in de discipline ‘Geluid en Trillingen’ en gedateerd februari 1999, inzake de geluidshinder het volgende vermeldt: S voor inrichtingen, niet gelegen in industriegebied, dient het specifiek geluid beoordeeld te worden op 200 m van de bedrijfsgrens, tenzij er zich woningen korter bij bevinden, wat het geval is voor de NV Dossche Mills & Bakery; S voor de meetpunten 1 en 3 bedraagt het oorspronkelijk omgevingsgeluid (op zondag, zonder het bedrijf) respectievelijk 45-50 dB(A) en meer dan 45 dB(A) overdag, en voor beide meetpunten 35-40 dB(A) 's nachts; S de beoordelingsposities bevinden zich in woongebied, op minder dan 500 m van een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's, waarvoor volgens bijlage 4.5.4 van titel II van het Vlarem volgende richtwaarden voor het specifieke geluid in open lucht gelden: overdag (7-19
- h)50 dB(A), 's avonds (19-22
- h)45 dB'(A), 's nachts (22-7
- h)40 dB(A); S ter hoogte van de beoordelingsposities overschrijdt het specifieke geluid de richtwaarden met maximaal 7 dB(A) (nachtperiode) en 13 dB(A) (nachtperio- de); S remediërende maatregelen worden opgesomd”; 3.2.5. Overwegende dat uit geen van deze elementen kan worden afgeleid dat het middel kennelijk gegrond is; dat deze vaststelling reeds wordt tegengesproken door de in het verzoekschrift gegeven uiteenzetting, waar de verzoekende partijen meer dan vijf bladzijden hebben gewijd aan de toelichting van het middel; dat het hier bovendien gaat om een materie die zeer technisch is en die zich niet leent tot vernietiging op grond van een juridische prima facie-beoordeling; dat het middel niet kennelijk gegrond is; dat het past dat deze zaak volgens de “gewone” procedure wordt behandeld; VII-34.109-15/17 3.3. Overwegende, wat de vordering tot schorsing betreft, dat aangezien het auditoraatsverslag opgemaakt in het kader van het administratief kort geding is gesteund op de kennelijke gegrondheid van het annulatieberoep, het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek van de vordering tot schorsing, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY wordt ingewilligd. Artikel 2. Het annulatieberoep is niet kennelijk gegrond. Artikel 3. De debatten worden heropend. Artikel 4. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek van de vordering tot schorsing. VII-34.109-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober tweeduizend en vijf, door : de H. E. BREWAEYS wnd. kamervoorzitter, staatsraad Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-34.109-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.151 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.449 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.494 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div