id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.152 Rolnummer: A. 156507/VII-32936 Zaak: Arrest 150152 - - 13/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-21 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 02:10 Fiche Arrest nr 150.152 van 13 oktober 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.152 van 13 oktober 2005 in de zaak A. 156.507/VII-32.936. In zake : Benoit BOONS, die woonplaats kiest bij Advocaat G. SOLS, kantoor houdende te LEOPOLDSBURG (HEPPEN), Beringsesteenweg 51 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van LIMBURG. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Benoit BOONS op 13 oktober 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 19 augustus 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij het beroep dat hij heeft ingesteld tegen het besluit van 27 december 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Leopoldsburg houdende het verlenen aan de n.v. EURORENT van de vergunning voor het exploiteren van een inrichting voor de verhuur van machines en gereedschappen, gelegen aan de Diestersteenweg 144 te Leopoldsburg, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 139.232 van 13 januari 2005 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verwerende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 18 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-32.936-1/23 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 28 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. SOLS, die verschijnt voor verzoeker, en van Bestuurssecretaris I. WILLEMS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Op 7 september 2001 dient de n.v. EURORENT bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Leopoldsburg een aanvraag in voor het exploiteren van een inrichting voor het verhuren van machines en gereedschappen aan industrie, vakman en doe-het-zelver, gelegen aan de Diestersteenweg 144 te Leopoldsburg, op percelen kadastraal gekend 1ste Afdeling, Sectie A, nrs. 45 t 126, 45 x 114 (deel), 45 p 50 en 45 t 93. Tot het voorwerp van de aanvraag behoort in concreto : - het lozen van 10 m3/jaar van niet in de rubrieken 3.4. of 3.6 begrepen bedrijfsafvalwater; - het lozen van 5 m3/jaar van niet in de rubrieken 3.6. begrepen huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering; - het stallen van 15 voertuigen en 45 aanhangwagens; - een garagewerkplaats; - een wasplaats voor het wassen van meer dan 10 voertuigen per dag; - de opslag van 12 gasflessen; - de opslag van 240 l zeer licht ontvlambare of ontvlambare vloeistoffen; VII-32.936-2/23 - de opslag van 400 l smeerolie, 400 l afvalolie en 240 l hydraulische olie in vaten. Op het aanvraagformulier heeft de exploitant aangekruist dat het “de exploitatie van een nieuwe inrichting + regularisatie” betreft. 1.2. Tijdens het openbaar onderzoek dat naar aanleiding van de aanvraag wordt georganiseerd, worden blijkbaar geen bezwaren ingediend. 1.3. Met een besluit van 27 december 2001 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Leopoldsburg de gevraagde vergunning voor een termijn van 20 jaar. Luidens artikel 4 van voormeld besluit wordt de vergunning afhankelijk gesteld van de naleving van de volgende exploitatievoorwaar- den : “§ 1 - Algemene : zie bijlage bij onderhavig besluit : Deel 4 §2 -Sectoriële : zie bijlage bij onderhavig besluit : Deel 5 : hfdst 5.3.; hfdst 5.15; hfdst 5.16, hfdst 5.17 § 3 - Bijzondere voorwaarden : - De los- en laadzone moet in de mate van het technisch mogelijke zo ver mogelijk van de aanpalende woning worden ingeplant; - de bufferzone dient uitgebreid naar de perceelsgrenzen grenzend aan Sie A nr 45Y 50 en Sie A nr 45F 133 en heeft een minimale breedte van 5 meter; - Het terrein moet voorzien worden met een omheining met afsluitbare poorten. Langs de straatzijde wordt ook een beplanting aangebracht waardoor de inrichting aan het oog onttrokken wordt (zichtscherm); - Bij het regularisatiedossier voor een stedenbouwkundige vergunning dient rekening gehouden met de constructievoorwaarden voor gesloten opslag- plaatsen van gassen. Voor wat de algemene en sectorale voorwaarden betreft wordt nog eens de nadruk gelegd op volgende voorwaarden : - De opslag van oliën, vetten en benzine wordt in een inkuiping geplaatst; - Onverminderd de bepalingen van hfdst 4.5 zijn rustverstorende werkzaamhe- den verboden op werkdagen tussen 19.00u en 7.00u alsmede op zon- en feestdagen; - In de zone van 50 meter vanaf de naastliggende woning mogen er geen motoren warmgedraaid worden.” 1.4. Met een schrijven van 14 januari 2002 stelt het echtpaar BOONS- BECKX, woonachtig aan de Wielerbaanstraat 12 te Leopoldsburg, bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg beroep in tegen de zo-even vermelde beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Leopoldsburg. In hun beroepschrift laten de beroepindieners het volgende gelden: VII-32.936-3/23 “Na het lezen van het bekendmakingattest (art.31§ en36.5 van het Vlarem), uitgehangen aan het gemeentehuis van Leopoldsburg op datum van 28 december 2001, dienen wij bezwaar in om volgende redenen: Toekenning van deze milieuvergunning terwijl onze straat, Wielerbaanstraat, altijd gelegen is en nog steeds gelegen is in een woonzone. Dit wordt bevestigd op het plan van de gemeente waarop onze straat en omliggende straten donkerrood gekleurd zijn waarbij dit toch wil zeggen dat het hier een woonzone betreft en geen industriezone. Wij hebben reeds stappen ondernomen om protest in te dienen op datum van 6 juni 2001 met als raadsman Guy Sols, Beringsesteenweg 51 3971 Heppen- Leopoldsburg. Onze klacht luidde: hinder uit nabuurschap en stedenbouwkundi- ge inbreuken lastens N.V. Mallants en N.V. Eurorent (zie bijlage). Onze klacht is nog steeds lopende bij de heer Procureur des Konings in Hasselt. Tevens hebben wij braaf alle verantwoordelijke personen van onze gemeente Leopoldsburg bezocht en onze grieven bekend gemaakt. De burgemeester verzekerde ons met de hand op het hart dat hij dergelijke onrechtvaardigheid niet zou dulden in zijn gemeente. Onze hoop op rechtvaardigheid en op een rustige en menswaardige manier van wonen werd nu bruut de kop ingedrukt. Onze enige woning hebben wij 30 jaar geleden gebouwd in een eenvoudige nette straat en nu ik met een klein pensioen hier van mijn, ik dacht toch wel verdiende rust, wil genieten zijn wij beland in een vieze lawaaierige straat waarbij onze woning geprangd wordt tussen kraanwagens, bulldozers een zeer uitgebreid vrachtwagenpark en lawaai van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat. Wij vragen dan ook met aandrang om deze milieuaanvraag van Eurorent N.V. te vernietigen.” 1.5. Met een besluit van 2 mei 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg wordt het voormelde beroep niet ingewilligd en wordt het beroepen besluit integraal bevestigd. 1.6. Verzoeker heeft tegen voormeld besluit een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad van State. Het besluit van 2 mei 2002 wordt in eerste instantie geschorst bij arrest nr. 113.949 van 19 december 2002 en vervolgens vernietigd bij arrest nr. 129.843 van 30 maart 2004. Aan het vernietigingsarrest liggen onder meer de volgende motieven ten grondslag : “Er wordt niet betwist dat de inrichting volgens het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, gelegen is in een woongebied. Artikel 5.1.0. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bepaalt : (...); 2.5.1.2. Het bestreden besluit is als volgt gemotiveerd : (...); 2.5.1.3. Uit de bovenstaande motivering blijkt dat op het vlak van de toetsing van de aanvraag aan de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied en de VII-32.936-4/23 verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving het bestreden besluit enkel vermeldt dat ‘vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en -ruimtelijke aspecten, gesteld kan worden dat de uit te voeren activiteiten, die het voorwerp zijn van de vergunningsaanvraag, verenigbaar zijn met de voorschriften die gelden voor bovenvermeld gebied’. Voor het overige heeft de motivering betrekking op aspecten die volgens de verwerende partij opvolging verdienen in het kader van de beoordeling van de vereiste stedenbouwkundige vergunningen en op de aanvaardbaarheid van het bedrijf vanuit milieutechnisch oogpunt. Uit de gegeven motivering blijkt niet dat de verwerende partij de bestaanbaar- heid en de verenigbaarheid van de inrichting concreet heeft onderzocht. Uit de vermelding dat de activiteiten ‘vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten (...) verenigbaar zijn’ blijkt zulke concrete toetsing in elk geval niet wegens het te algemeen en te stereotiep en daarom nietszeggend karakter ervan. In die redengeving valt immers geen concreet feitelijk gegeven te bespeuren met betrekking tot de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving. De overweging in het bestreden besluit dat voor de activiteiten ‘geen verbodsbepalingen voorzien zijn’ - voor zover die vermelding al betrekking heeft op de stedenbouwkundige toetsing van de aanvraag (schijnbaar wordt immers gealludeerd op de in de milieuwetgeving voorkomende verbods- en afstandsregels voor bepaalde hinderlijke inrichtingen) - impliceert geenszins dat de inrichting voldoet aan de in artikel 5.1.0. van het inrichtingsbesluit gestelde voorwaarden. (...).” 1.7. Na de betekening van het vernietigingsarrest wordt de beroepspro- cedure tegen het besluit van 27 december 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Leopoldsburg hernomen. 1.8. In het kader van die herneming worden opnieuw een aantal adviezen ingewonnen. a. Op 9 juni 2004 adviseert de afdeling Milieuvergunningen gunstig over de aanvraag. b. De afdeling Ruimtelijke Ordening brengt op 7 juli 2004 het volgende advies uit : “Overwegende dat de inrichting gelegen is binnen een woongebied volgens het bij koninklijk besluit van 03 april 1979 goedgekeurd gewestplan Hasselt-Genk; Overwegende dat het gebruik van deze gebieden geregeld wordt in artikel 5.1.0. van het inrichtingsbesluit van 28 december 1972; Overwegende dat de woongebieden bestemd zijn voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. VII-32.936-5/23 Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving (artikel 5 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting, en de toepassing van de ontwerp-gewestplan- nen en de gewestplannen); Overwegende dat de inrichting verenigbaar is met de geldende stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat onze afdeling inzake het beroepschrift van de heer en mevrouw Boons-Beckx tegen de verlening van een milieuvergunning door het schepencollege van Leopoldsburg aan NV EURORENT reeds op 08.02.2002 een advies heeft uitgebracht, dat hierbij een ongunstig advies uitbracht voor het beroep; dat hierbij werd gesteld dat er geen stedenbouwkundige bezwaren zijn tegen de inrichting onder voorbehoud dat de nodige stedenbouwkundige vergunningen worden verkregen waarbij de nodige aandacht zal moeten worden geschonken aan afschermende groenschermen; Overwegende dat bij Arrest van de Raad van State dd. 19.12.2002 het besluit van de bestendige deputatie dd. 02.05.2002 - houdende niet- inwilliging van het beroep en bevestiging van de beslissing van het College van burgemeester en schepenen dd.27.12.2001 waarbij een milieuvergunning werd verleend aan de NV EURORENT voor het exploiteren van een inrichting voor de verhuur van machines en gereedschappen -, werd geschorst; dat door deze vernietiging door de Raad van State de bestendige deputatie verplicht is zich opnieuw uit te spreken over deze zaak; Overwegende dat er voor de betreffende gebouwen stedenbouwkun- dige vergunningen werden afgeleverd; de laatste op 16.10.2001 voor het afbreken van een woning en garage; dat er op 22.08.2001 een proces- verbaal werd opgemaakt door de politie van Leopoldsburg in verband met het oprichten/instandhouden van een garage en verharden van een stuk grond; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen op 01.10.2002 een weigering van de stedenbouwkundige vergunning heeft uitgebracht voor het aanleggen van een terrein, plaatsen van een omheining en regulariseren van 2 garageboxen, omwille van de volgende redenen: - dergelijke activiteiten, namelijk het opslaan van allerlei materiaal, het parkeren van voertuigen en aanhangwagens, zijn niet aanvaardbaar in de betreffende woonomgeving; - de activiteiten zijn storend in het straatbeeld en brengen allerlei hinder voor de omgeving (lawaai- en geuroverlast, onesthetisch uitzicht, ... ) met zich mee; - de garageboxen in geprofileerde metalen platen zijn niet aanvaardbaar omwille van hun onesthetisch uitzicht; - dergelijke activiteiten moeten eerder gesitueerd worden in een kmo- zone; BRENGT HET VOLGENDE ADVIES UIT GUNSTIG VOOR HET BEROEP Overeenkomstig ons advies dd. 08.02.2002 kunnen wij stellen dat er vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de inrichting, voor wat betreft de hinderlijke aspecten van de inrichting die in beroepschrift worden aangehaald. In het kader van de ruimtelijke afweging werd evenwel een ongunstig advies uitgebracht tegen de inrichting. De ruimtelijke impact van dergelijke activiteiten zijn storend binnen een woonzone. Dit standpunt VII-32.936-6/23 wordt bevestigd in de argumentatie voor de weigering van bovenvermel- de stedenbouwkundige vergunning van 01.10.2002". c. Door de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt op 5 juli 2004 voorgesteld om het beroep ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing te bevestigen. 1.9. Met een besluit van 19 augustus 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg wordt het administratief beroep van verzoeker andermaal ongegrond verklaard en wordt het beroepen vergunningsbesluit integraal bevestigd. Dit besluit maakt het voorwerp uit van voorliggend annulatiebe- roep; 2. De gegrondheid van het beroep 2.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel de schending aanvoert van de artikelen 5.1.0. en 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van artikel 50, 3/, van Vlarem I, van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; dat hij betoogt dat “het bestreden besluit bepaalt dat de inrichting verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving terwijl de verwerende partij geen zorgvuldig onderzoek heeft gevoerd naar deze verenigbaarheid, en uit de concrete feitelijke gegevens duidelijk blijkt dat de inrichting niet verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving en de goede plaatselijke ordening, en er daarenboven geen antwoord wordt verstrekt op de door de beroepindiener geformuleerde bezwaren”; dat hij vervolgens het middel als volgt toelicht : “Eerste onderdeel. -1- De verwerende partij is bij de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag verplicht de bestemming vastgelegd in de plannen van aanleg in acht te nemen, nu die plannen conform art. 2 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22.10.1996 (verder afgekort D.R.O.) bindende en verordenende kracht hebben. In casu is de inrichting die het voorwerp uitmaakt van het bestreden besluit gelegen in een woongebied volgens het goedgekeurd gewestplan Hasselt-Genk. Volgens art. 5.1.0 van het KB dd. 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen zijn woonge- bieden bestemd voor 'wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke VII-32.936-7/23 ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd( ... ). Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving.' Of een bepaalde inrichting ‘thuishoort’ in een woongebied, dient derhalve bepaald te worden via een dubbele toetsing naar enerzijds de bestaanbaarheid van de inrichting met de bestemming woongebied en anderzijds de verenigbaar- heid ervan met de onmiddellijke omgeving. Art. 19 in fine van hoger vermeld koninklijk besluit koppelt hieraan nog een derde voorwaarde, met name dat een vergunning, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan, slechts kan afgegeven worden voor zover de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. - 2- Toegepast op de huidige casus is de eerste vraag derhalve of de inrichting bestaanbaar is met de bestemming woongebied, m.a.w. of de inrichting niet in een daartoe aangewezen gebied moet worden afgezonderd. Dat verzoekende partij moet vaststellen dat de verwerende partij in haar nieuwe (bestreden) beslissing dd. 19.8.2004 andermaal nalaat om de hinderlijke aspecten van de kwestieuze inrichting na te gaan, integendeel, verwerende partij onderbouwt de kwestie betreffende de hinderlijke aspecten in de bestreden beslissing aan de hand van het summiere en niet naar behoren uitgevoerd verslag van AROHM dewelke voorhoudt dat de kwestieuze inrichting wel verenigbaar is met de geldende stedenbouwkundige voorschriften ofschoon hiervoor geen afdoende reden wordt weergegeven. Dit is uiteraard problematisch, nu deze bestaanbaarheid in casu allesbehalve vanzelfsprekend is, wel integendeel. Volgens de Omzendbrief dd. 8.7.1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen dient men bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming van woongebied rekening te houden met de aard en de omvang van het bedrijf, waardoor dat laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van het bedrijf, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied. Dat de inrichting in casu (een) intrinsiek hinderlijk en storend karakter heeft, staat vast. Zoals in de milieuvergunningsaanvraag wordt aangegeven, bestaat de activiteit van de NV Eurorent in de verhuur van machines en gereedschappen aan de industrie, de vakman en doe-het-zelver. Deze activiteit gaat per definitie gepaard met een permanente aan- en afvoer van cliënteel, zowel particulieren als grote aannemers of andere bedrijven ( met vaak grote vrachtwagen enz.). die tot een verhoogde verkeersdruk en verkeersonveiligheid aanleiding geven. Het laden, lossen en stapelen van allerlei grote en kleine materialen is op zich bijzonder luidruchtig, en deze geluidsover- last wordt nog versterkt door het opstarten, proefdraaien enz. van de diverse machines. Inherent aan de aard van de verhuurde materialen is dat zij meestal aangewend worden in de bouwsector, hetgeen tot gevolg heeft dat de activiteiten 's morgens reeds zeer vroeg, vanaf ongeveer 6 uur, starten en slechts eindigen rond 18.30u. De exploitatie van de inrichting gaat ook onvermijdelijk gepaard met geur- licht en stofhinder. De AROHM blijft hiervoor desondanks blind en stelt dat vanuit stedenbouw- kundig opzicht de inrichting van NV Eurorent geen hinderlijke aspecten vertoont. Dat zulks pertinent niet strookt met de waarheid en dat het verslag van de AROHM niet naar behoren werd uitgevoerd, blijkt onmiskenbaar uit het feit dat zich een explosie heeft voorgedaan in de inrichting van NV Eurorent op VII-32.936-8/23 1.4.2004, oftewel 2 dagen nadat de Raad van State op 30.3.2004 de eerdere beslissing van verwerende partij dd. 2.5.2002 had nietig verklaard (ut supra). Het verslag in de kranten daags na het incident liegen niet om de omvang en intensiteit ervan (stuk1l): PAGINA 1 HET BELANG VAN LIMBURG DD. 2.4.2004: EXPLOSIE TILT DAK VAN EURORENT OP PAGINA 13 HET BELANG VAN LIMBURG DD. 2.4.2004 EXPLOSIE IN SMEERPUT RICHT ENORME SCHADE AAN ‘De ontploffing deed zich voor in de smeerput in het magazijn’, vertelt centerverantwoordelijke Patrick Geypen van Eurorent Leopoldsburg. ‘Op dat ogenblik bevond zich een bestelwagen boven de put; Waarschijnlijk hebben zich tijdens de werkzaamheden benzinedampen opgehoopt. Om een nog onduidelijke reden is op een bepaald ogenblik de compressor in de put in de gang geschoten. Dat heeft een vonk veroorzaakt die de benzinedampen deed ontploffen. Het was een geweldige klap, onmiddellijk gevolgd door een steekvlam. Onze werknemer bevond zich op dat ogenblik amper vijf meter van de put. Hij kwam er met de schrik vanaf. We zijn er nog zelf in geslaagd het vuur te blussen. Maar de enorme druk heeft veel schade veroorzaakt.’ Op het ogenblik van de ontploffing bevonden zich klanten aan de balie in de winkel. Daar zijn de ruiten gebarsten. Niemand raakte gewond. Volgens de brandweer van Leopoldsburg was de klap zo hevig dat het dak van het magazijn even opgelicht werd. Daardoor zijn ook de muren op bepaalde plaatsen verschoven. De brandweermannen hebben de machines - die onbeschadigd bleven - naar buiten gehaald zodat het dak later gestut kon worden. Volgens een woordvoerder is de schade erg groot en moet het magazijn waarschijnlijk volledig gesloopt.’ Dit incident spreekt boekdelen omtrent het al dan niet hinderlijk karakter van de kwestieuze inrichting van NV Eurorent. Het gegeven dat AROHM dit incident niet eens vermeldt in haar verslag geeft blijk van de ontoereikende wijze waarop het verslag is opgesteld. Aan verzoekende partij werd bovendien niet de mogelijkheid geboden om bijkomende grieven te formuleren naar aanleiding van het nieuwe ambtshalve onderzoek waartoe verwerende partij gehouden was ingevolge het vernieti- gingsarrest dd. 30.3.2004, alleszins werd hij hiertoe niet uitgenodigd in het schrijven dd. 4.5.2004 van verwerende partij hetwelke verzoekende partij aangetekend in kennis bracht van het ambtshalve heronderzoek van de bestreden beslissing dd. 27.12.2001 van het college van burgemeester en schepenen van Leopoldsburg. Alsdan had verzoekende partij minstens het kwestieus incident dd. 1.4.2004 kunnen opwerpen. Op de vraag of de kwestieuze inrichting van NV Eurorent met de bestemming van woongebied bestaanbaar is, dient derhalve onmiskenbaar negatief te worden geantwoord. - 2- Naast het bestaan van de objectieve hinderlijkheid van de inrichting, moet anderzijds ook rekening worden gehouden met het eigen karakter van het betrokken woongebied. In casu zal niet kunnen ontkend worden dat de inrichting gevestigd is in een rustige residentiële woonwijk. Er kan derhalve geen betwisting bestaan over het feit dat de inrichting de woonfunctie van het gebied zoals dat thans bestaat, en waarin de verzoekende partij leeft, in gevaar brengt. Uit al de voorgaande gegevens had verwerende partij derhalve, in redelijk- heid, moeten afleiden dat de inrichting enkel thuishoort in een gebied specifiek bestemd voor industriële of ambachtelijke bedrijven (zie art. 7.2.0 van het KB dd. 28.12.1972). -3- VII-32.936-9/23 Doch zelfs als men al zou kunnen aannemen dat de inrichting in kwestie bestaanbaar is met de bestemming woongebied - quod certe non - , dan nog kan een niet-residentiële inrichting slechts worden toegelaten in woongebied indien ze verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving. De beoordeling van de verenigbaarheid impliceert (zie Omzendbrief dd. 8.7.1997) een nauwkeurige en concrete controle op basis van omstandige analyse van de algemene aanleg van het betrokken gebied en van de weerslag van (de uitbating van) de inrichting op de levensomstandigheden van de wijk. Van dergelijke analyse is in het bestreden besluit echter helemaal niets terug te vinden. Dit is schrijnend, als men weet dat de inrichting is ingeplant in een rustige residentiële woonwijk, en men precies in die gevallen erover moet waken dat de woonzone een leefbaar klimaat behoudt. Ook het advies van AROHM schiet, net als het bestreden besluit zelf, tekort in deze concreto beoordeling vermits AROHM nergens melding maakt van het explosie-incident dd. 1.4.2004 ofschoon de kranten en dagbladen er destijds vol van hebben gestaan en een eenvoudige navraag en onderzoek ter plaatse zulks aan het licht had kunnen brengen. - 4- Tenslotte is er nog de vraag naar de verenigbaarheid van de inrichting met de goede plaatselijke ordening. Er dient daarbij gekeken te worden naar de inrichting vanuit visueel - esthetisch oogpunt. Het behoeft geen betoog dat een grote opslagplaats met een terrein in open lucht dat vol staat met materialen en machines moeilijk op esthetisch verantwoorde wijze kan ingepast worden in een woonwijk. Het college van Burgemeester en Schepenen heeft dit erkend, nu zij zelf stelt dat de inrichting aan het oog moet worden onttrokken door een 'zichtscherm’. Ook de verwerende partij stelt dat er bij het afleveren van de nodige stedenbouwkundi- ge vergunning de aandacht zal moeten geschonken worden aan afschermende grensschermen. Daarbij verliest de verwerende partij wel even uit het oog dat er op het terrein vlak naast de woning van de verzoekende partij ook hoogtewerkers worden geplaatst (zie foto's stuk 4), die niet aan het zicht kunnen worden onttrokken door een groen haagje... Tweede onderdeel Uit de toelichting bij hoger vermelde onderdeel blijkt duidelijk dat de verwerende partij zich niet de moeite heeft getroost om de plaatselijke situatie voldoende te onderzoeken, en de concrete impact van de activiteiten waarvoor vergunning gevraagd wordt niet op een zorgvuldige wijze te hebben ingeschat. Er is verder ook geen sprake van een billijke afweging van de in het geding zijnde belangen. Er is geen oog voor de belangen van de buurtbewoners, zoals die concreet worden geformuleerd door de verzoekende partij. De argumenten inzake onbestaanbaarheid en onverenigbaarheid worden op kennelijk onredelijke wijze van tafel geveegd, zonder dat het voor de verzoekende partij duidelijk is welk standpunt de verwerende partij concreet inneemt opzichtens zijn bezwaren. Zulks is des te zeker het geval nu verzoekende partij eveneens na het tussengekomen vernietigingsarrest dd. 30.3.2004 van de Raad van State nalaat om de hierin geformuleerde en opgeworpen bezwaren te onderzoeken en te beoordelen. Derhalve zijn ook het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel in casu geschonden”; 2.2 Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het middel als volgt weerlegt : VII-32.936-10/23 "2. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel van haar enig middel opwerpt dat ons college, bij het nemen van de bestreden beslissing van 19 augustus 2004, artikel 5.1.0 en art. 19, in fine van het KB. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ont- werp-gewestplannen, gelezen in samenhang met de motiveringsverplichting, heeft geschonden; dat zij hierbij aanvoert dat de inrichting, die vergund wordt door het bestreden besluit, niet bestaanbaar is met de bestemming woongebied, niet verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving en daarenboven evenmin verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening en dat ons college in zijn besluit op dit vlak niet afdoende zou gemotiveerd hebben waarom de milieuver- gunning toch werd toegekend; 2.1 Overwegende dat ons college hiertegen allereerst en in het algemeen wenst in te brengen dat de beoordeling van de toelaatbaarheid van een vergunningsplichtige inrichting tot de appreciatiebevoegdheid van de vergun- ningverlenende overheid behoort en dat de verzoekende partij zich niet in de plaats kan stellen van deze overheid, noch een eigen beoordeling kan geven van die toelaatbaarheid; dat de vergunningverlenende overheid aldus op eigen gezag moet uitmaken of een inrichting moet afgezonderd worden in een daartoe aangewezen gebied; dat het hierbij uiteraard wel aan uw Raad toekomt om aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de vergunningverlenende overheid de feiten, waarop de beoordeling steunt, correct heeft vastgesteld en of op grond van die feiten in redelijkheid kon worden geoordeeld dat de te vergunnen inrichting al dan niet moet afgezonderd worden in een daartoe aangewezen gebied; dat uw Raad trouwens reeds eerder heeft beslist dat zij zelf niet in de plaats van de vergunningverlenende overheid mag oordelen over de al dan niet toelaatbaarheid van een vergunningsplichtige inrichting (R.v.St., Jacobus, nr. 55.941, 19 oktober 1995) en evenmin over de vraag of de exploitatie, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, een onaanvaardbare hinder zou teweegbrengen (R.v.St. NV. Autogas, nr. 70.166, 11 december 1997); 2.2 Overwegende dat in casu evenwel kan worden opgemerkt dat ons college, rekening houdende met de opnieuw in dit dossier uitgebrachte adviezen en met de in de beroepen beslissing opgelegde voorwaarden, in alle redelijkheid kon beslissen tot het verlenen van de milieuvergunning voor de inrichting, die, bij naleving van de in eerste aanleg opgelegde voorwaarden, wel verenigbaar is met de bestemming woongebied en met de onmiddellijke omgeving, vanuit een milieutechnisch oogpunt; dat hiervoor allereerst kan worden verwezen naar het advies van de Afdeling Milieuvergunningen van de AMINAL dat gunstig was voor de aanvraag; dat dit advies wel louter was gestoeld op de milieu-technische beoordeling van de aanvraag, waarbij werd geoordeeld dat de hinder die de inrichting zou veroorzaken wel degelijk tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht via de door het college van burgemeester en schepenen opgelegde (algemene en bijzondere) milieuvoorwaarden; dat de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de milieuvergunningsaan- vraag daarnaast gunstig werd beoordeeld door de Afdeling ROHM-Limburg, die in haar advies stelde “dat de inrichting verenigbaar is met de geldende stedenbouwkundige voorschriften” en meer in het bijzonder van oordeel was dat er “vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de inrichting, voor wat betreft de hinderlijke aspecten van de inrichting die in het beroepschrift worden aangehaald”; dat m.a.w. in het kader van de beoordeling van de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de milieuvergunningsaanvraag de Afdeling deze aanvraag dus wel degelijk gunstig adviseerde; VII-32.936-11/23 dat slechts in het kader van de "ruimtelijke afweging” -los van de milieuver- gunningsaanvraag- de Afdeling oordeelde dat de “ruimtelijke impact” van de activiteiten storend is binnen de woonzone, waarmee de Afdeling doelde op het onderscheid tussen de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag vanuit milieutechnisch oogpunt enerzijds en die van de bouwvergunningsaanvraag vanuit stedenbouwkundig oogpunt anderzijds (waarvoor eerder een ongunstig advies werd verleend door de Afdeling); dat wat de milieuvergunningsaanvraag betreft de Afdeling ROHM Limburg dus wel degelijk een gunstig advies verleende, i.t.t. wat uw Raad stelt in zijn arrest van 13 januari 2005; dat de Provinciale Milieuvergunningscommissie dan ook met unanimiteit, op basis van de standpunten van de adviesverlenende instanties én de argumenten van de exploitant tijdens de hoorzitting, oordeelde dat de inrichting ter plaatse aanvaardbaar was, vanuit milieutechnisch oogpunt, zodat de milieuvergunning volgens de commissie kon worden toegekend en het beroep van het echtpaar Boons-Beckx ongunstig werd geadviseerd; dat tijdens de zitting van deze commissie de Afdeling ROHM Limburg zich uitdrukkelijk aansloot bij dit voor de milieuvergunningsaanvraag gunstige advies; 2.3 Overwegende dat het verder van belang is dat, naast de weergave van de adviezen van de drie onafhankelijke, in de materie gespecialiseerde, instanties, ons college ook een eigen motivering heeft opgebouwd die uitdrukkelijk tot uiting komt in het bestreden besluit van 19 augustus 2004; dat uit deze eigen motivering, die tegelijkertijd slaat op milieutechnische aspecten als op de stedenbouwkundige en ruimtelijke (omgevings)factoren, blijkt dat geenszins sprake kan zijn van een (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.