← België

Arrest 150154 - - 13/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.154 Rolnummer: A. 142194/VII-30802 Zaak: Arrest 150154 - - 13/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 02:11 Fiche Arrest nr 150.154 van 13 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.154 van 13 oktober 2005 in de zaak A. 142.194/VII-30.802 In zake : 1. de n.v. TERCA TESSENDERLO 2. de n.v. TERCA NOVA 3. de n.v. TERCA ZONNEBEKE 4. de n.v. SYNDICAAT MACHIENSTEEN II 5. de n.v. DESIMPEL KORTEMARK INDUSTRIES die woonplaats kiezen bij Advocaat R. HONORÉ, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 4a tegen : het Vlaamse gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat 64. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. TERCA TESSENDERLO, de n.v. TERCA NOVA, de n.v. TERCA ZONNEBEKE, de n.v. SYNDICAAT MACHIENSTEEN II en de n.v. DESIMPEL KORTEMARK INDUSTRIES op 30 september 2003 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : “-artikel 5.30.1.3.2/ Vlarem II, zoals vervangen bij artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 2003 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, met betrekking tot de voorwaarden voor de inrichtingen voor de fabricage van keramische producten (B.S., 01.08.2003), in de mate dat deze bepaling een rookgasemissiegrenswaarde invoert voor de parameter CO, vastgesteld op 100 mg/Nm3 voor ovens met naverbranding en 800 mg/Nm3 voor ovens zonder naverbranding, (

  1. en)- artikel 5.30.1.4., § 2 Vlarem II, zoals ingevoegd bij artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 2003 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, met betrekking tot de voorwaarden voor de inrichtingen voor de fabricage van keramische producten (B.S., 01.08.2003), in de mate dat deze bepaling (overgangsregeling) een rookgasemissiegrenswaarde invoert voor de parameter CO, vastgesteld op 100 mg/Nm3 voor ovens met naverbranding en 800 mg/Nm3 voor ovens zonder naverbranding, geldend vanaf 1 januari VII-30.802-1/10 2004 voor bestaande inrichtingen en vanaf 1 januari 2003 voor nieuwe inrichtingen vergund voor 1 januari 2003”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON ; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 september 2005 ; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. RODTS die, loco Advocaten R. HONORÉ en M. DEKETELAERE verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat N. SCHEEPMANS die, loco Advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON ; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Artikel 1.2.3.1.van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne bepaalt : “§ 1. Een wijziging van de voorwaarden bepaald in de delen 4, 5 en 6 van dit besluit kan, voor een bepaalde sector of categorie van inrichtingen, worden aangevraagd door één of meer van de representatieve organisaties, vertegen- woordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, door deze Raad zelf, door één of meer van de milieu- en natuurverenigingen vertegenwoordigd in de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, of door deze Raad zelf. VII-30.802-2/10 § 2. De met redenen omklede aanvraag wordt ingediend bij de Vlaamse minister. Deze wint het advies in van de Gewestelijke Milieuvergunningscom- missie. Behoudens wanneer de aanvraag uitgaat van de betrokken Raad zelf, wordt de aanvraag tot wijziging eveneens voor advies voorgelegd aan de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen. § 3. Na de adviezen bedoeld in § 2 te hebben ingewonnen, legt de Vlaamse minister de aanvraag voor aan de Vlaamse regering, die erover beslist bij met redenen omkleed besluit.” 1.2. Op grond van bovenvermelde bepaling dient de v.z.w. VLAAMS ECONOMISCH VERBOND (V.E.V.) op 16 november 2000 bij de Vlaamse minister van Leefmilieu een aanvraag in om met betrekking tot de grenswaarden inzake luchtemissies te voorzien in een sectorale afwijkingsregeling voor de keramische industrie (die de kleiverwerkende nijverheid en/of producenten van bakstenen, dakpannen, tegels, enz. omvat). In de sectorale afwijkingsaanvraag worden met betrekking tot de parameters SOx, HF, HCl, stof en VOS (vluchtige organische stoffen) emissiegrens- waarden voorgesteld die afwijken van de algemene emissiegrenswaarden bepaald in afdeling 4.4.3. van Vlarem II (inzonderheid artikel 4.4.3.1. en bijlage 4.4.2. van Vlarem II). De voorstellen van het V.E.V. zijn gebaseerd op een onderzoek van het Vlaams kenniscentrum voor Beste Beschikbare Technieken (VITO, oktober 1999) naar de Best Beschikbare Technieken voor de betrokken sector, rekening houdende met alle economische, technische en milieuhygiënische aspecten. De voorgestelde “afwijkende” emissienormen zijn identiek aan deze die voorgesteld werden in voormelde studie. 1.3. Over de aanvraag worden een aantal adviezen ingewonnen : a. De Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (MiNa-Raad) brengt op 7 maart 2002 advies uit. In dat advies wordt hoofdzakelijk stilgestaan bij de emissienorm voor de parameter SO2 : in vergelijking met het voorstel van de betrokken sector wordt een strengere regeling voor de emissie van SO2 aanbevolen. b. Op 13 maart 2002 stelt de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) voor om vanaf 1 januari 2004 de door de sector voorgestelde emissiegrenswaarden voor SO2, HF, HCl, stof en VOS in te voeren. VII-30.802-3/10 c. Door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 18 maart 2002 voorgesteld om het ingediende voorstel van sectorale regeling voor de keramische nijverheid, mits aanpassing, in te willigen. Concreet stelt de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie het volgende voor : “- voor bestaande inrichtingen : verlengen van de huidige sectorale voorwaarden (overgangsregeling) tot 31 december 2003 en nieuwe sectorale voorwaarden met ingang van 1 januari 2004; voor nieuwe inrichtingen : nieuwe sectorale voorwaarden met ingang van 1 januari 2003; - bevestigen van de voorgestelde emissiegrenswaarden voor de parame- ters HCl, HF, stof en VOS; - wijzigen van de voorgestelde emissiegrenswaarde voor de parameter totaal SOx uitgedrukt in SO2 als volgt : - voor de inrichtingen vergund vóór 1 januari 2003 : vermeld scenario 3 als eerste stap en vermeld scenario 2 met ingang van 1 januari 2010 (als tweede stap); - voor de inrichtingen vergund vanaf 1 januari 2003 : vermeld scenario 2 met ingang van 1 januari 2003; - volgende bijkomende emissiegrenswaarden : 3 - CO : 800 mg/Nm voor ovens zonder naverbranding en 100 mg/Nm3 voor ovens met naverbranding; - dioxinen en furanen : 0,1 ng TEQ/Nm3 bij 18% O2; - invoegen van bijlage 5.30.1. aan titel II van het Vlarem, omvattende de meetstrategie voor de bepaling van het zwavelgehalte in de grondstof en de meetstrategie voor de rookgassen afkomstig van de verhittingsin- stallaties;” Er kan worden opgemerkt dat in het advies van de Gewestelijke Milieuver- gunningscommissie ook emissiegrenswaarden worden voorgesteld voor de parameter CO, terwijl in het door het V.E.V. ingediende voorstel geen aandacht wordt besteed aan die parameter. 1.4. Op 11 oktober 2002 hecht de Vlaamse regering haar principiële goedkeuring aan een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering “houdende uitspraak over de op 16 november 2000 door het Vlaams Economisch Verbond (VEV) te 2000 Antwerpen, Brouwersvliet 5 bus 4, ingediende aanvraag tot wijziging van sommige voorwaarden van titel II van het Vlarem voor de inrichtingen voor de fabricage van keramische producten”, dat vervolgens op 15 oktober 2002 wordt voorgelegd aan het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State. Over dat ontwerp van besluit heeft de afdeling Wetgeving op 4 februari 2003 advies gegeven (advies nr. 34.248/3). 1.5. Op 21 maart 2003 neemt de Vlaamse regering het thans (gedeeltelijk) bestreden besluit. Dat besluit wordt slechts bestreden in zoverre het bepalingen bevat waarbij voor de rookgassen afkomstig van verhittingsinstallaties, VII-30.802-4/10 horende bij inrichtingen voor de fabricage van keramische producten, de emissie- grenswaarde voor de parameter CO wordt vastgesteld op 100 mg/Nm3 voor ovens met naverbranding en 800 mg/Nm3 voor ovens zonder naverbranding (artikel 5.30.1.3., 2/, b), van Vlarem II zoals gewijzigd door artikel 4 van het bestreden besluit) en in een overgangsregeling wordt voorzien waarbij voormelde emissiegrens- waarden gelden vanaf 1 januari 2004 tot en met 31 december 2009 voor bestaande inrichtingen en vanaf 1 januari 2003 tot en met 31 december 2009 voor nieuwe inrichtingen die vergund werden vóór 1 januari 2003 (artikel 5.30.1.4., § 2, van Vlarem II zoals ingevoegd door artikel 4 van het bestreden besluit); 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1. Overwegende, wat de vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de verzoekende partijen doen gelden wat volgt : "Het voorhanden zijn van een moeilijk te herstellen nadeel in casu kan geenszins betwist worden. Zoals reed vermeld, moeten verzoekende partijen - als bestaande inrichtingen - conform de overgangsregeling (art. 5.30.1.4. § 2 Vlarem 2, zoals ingevoerd bij art. 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 2003) reeds vanaf 1 januari 2004 voldoen aan de nieuwe CO-emissiegrenswaarde. De implementatie van deze CO-emissienorm - die, zoals hiervoor bij de bespreking van de ernstige middelen werd aangetoond geenszins afdoende onderbouwd en gemotiveerd is, en bovendien een schending van het gelijkheids- beginsel inhoudt, zal aanzienlijke bijkomende milieuinvesteringen vergen (naast de milieuinvesteringen die noodzakelijk zijn om andere nieuwe sectorale milieuvoorwaarden, o.a. nieuwe HF- en SOx-normering, te implementeren). Verzoekende partijen lieten door hun bedrijfsrevisor een berekening en inschatting maken van de financiële en bedrijfseconomische gevolgen van de implementatie en toepassing van de nieuw opgelegde CO-emissiegrenswaarden. Dienaangaande stelde bedrijfsrevisor een rapport op getiteld "Wienerberger Bricks Groep - verslag inzake milieuinvesteringen CO" (stuk nr. 11), waarbij de financiële implicaties van de bijkomende milieuinvesteringen teneinde de opgelegde CO-emissienorm te behalen, voor elk van de verzoekende partijen worden onderzocht. Op basis van de noodzakelijke investeringen en bijkomende kosten, door het management van verzoekende partijen aangereikt op basis van concreet voorliggende offertes, heeft de bedrijfsrevisor de milieuinvesteringen, de werkingskosten en de onderhoudskosten voor de toepassing van de CO- VII-30.802-5/10 emissienormering geprojecteerd en opgenomen in de resultatenrekeningen van elk van de verzoekende partijen vanaf het jaar 2004. In zijn rapport heeft de bedrijfsrevisor - op basis van de geprojecteerde financiële informatie - de analyseresultaten op het vlak van liquiditeit, solvabili- teit en rendabiliteit geëvalueerd, en zowel in tabelvorm als grafisch weergege- ven. Volgende financiële kengetallen werden daarbij berekend: liquiditeitsratio, solvabiliteitsratio, operationele cash-flow, operationele rendabiliteitsratio en rendabiliteit van het eigen vermogen. Deze oefening werd telkens gemaakt "exclusief" en "inclusief" de bijkomende investeringen en kosten noodzakelijk voor het behalen van de CO-emissienormering. In niet mis te verstane bewoordingen concludeert de bedrijfsrevisor (punt V - Conclusie, blz.9): ‘Uit de opgestelde financiële prognoses, die consistent en logisch zijn opgebouwd, en zijn toegelicht in de voorgaande hoofdstukken en gedetail- leerd in de bijlagen 1 tot en met 5, kan duidelijk worden waargenomen dat de bijkomende investeringsverplichtingen om de CO normering te halen bedrijfseconomisch en financieel een ernstige bijkomende hypotheek leggen op de verdere bedrijfsvoering van elk van de onderzochte productie entiteiten. Deze bijkomende lasten zullen op termijn dermate grote financiële impact hebben, dat beslissingen inzake desinvestering en/of discontinuïteit van de productie-entiteiten onafwendbaar zijn.’ Uit de voormelde studie blijkt enerzijds dat de milieuinvesteringen die verzoekende partijen zullen moeten realiseren voor het realiseren van de ‘andere’ sectorale voorwaarden (d.i. andere dan de bestreden CO-emissienorm), o.a. voor de normering inzake HF en SOx op zich reeds zeer zware inspanning- en vertegenwoordigen. De verzoekende partijen zullen de investeringen met betrekking tot het realiseren van de ‘andere’ voorwaarden hoedanook uitvoeren, niet in het minst omdat ze het resultaat zijn van een BBT-studie die precies tot doel had nieuwe sectorale voorwaarden voor de keramische nijverheid voor te bereiden. Anderzijds blijkt onomstotelijk dat het bijkomend moeten realiseren van de nieuwe CO-emissienormering - zoals aangetoond geenszins afdoende onder- bouwd en ook geenszins opgenomen noch onderzocht in het kader van de voormelde BBT-studie van Vito, en ten overvloede strijdig met het milieubeleid inzake de reductie van CO2-emissies (Kyoto) - verzoekende partijen uiteindelijk fataal zal worden. De bedrijfsrevisor concludeert zeer uitdrukkelijk dat deze investeringen (met de daaraan verbonden werkings- en onderhoudskosten) onvermijdelijk zullen leiden tot desinvestering en discontinuïteit van elk van de productie-entiteiten. Zoals reed herhaaldelijk aangegeven, moeten verzoekende partijen reeds voldoen aan de nieuwe CO-emissienormering met ingang van 1 januari 2004 (d.i. binnen drie maanden). Het staat dan ook vast dat de tenuitvoerlegging van de bestreden bepalingen (CO-emissienormering) verzoekende partijen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent. 6.2. Bij de bespreking van het eerste middel werd er reeds op gewezen dat de toepassing van de CO-emissienorm voor producenten van snelbouwstenen uiteindelijk enkel mogelijk is mits het installeren van naverbranding. Dergelijke maatregel wordt door de auteurs van de voorgelegde studie over de koolmonoxideproblematiek bij de Vlaamse grof-keramische industrie (stuk 10) vooreerst ernstig in vraag gesteld, gelet op de economische gevolgen van dergelijke investering in de installatie zelf en de werking ervan (vooral energie). Daarnaast stellen de auteurs echter dat dergelijke naverbranding ook ecologisch onverantwoord is, gelet op de aanzienlijke toename van de CO2- uitstoot. Volgens het Kyoto-protocol, onderschreven door de Belgische Staat VII-30.802-6/10 en de gewesten, moet echter voor ons land een CO2-reductie van 8% worden gerealiseerd. Het is evident - en dat wordt ook van alle daken geschreeuwd door de beleidsmakers - dat iedereen hiertoe een individuele bijdrage zal moeten leveren. In casu zullen de snelbouwsteenfabrikanten onverantwoord moeten investeren teneinde de toepassing van een (onwettige) CO-emissienorm te kunnen behalen, om achteraf te moeten vaststellen dat ze bijdragen aan een toename van de CO2- uitstoot (die algemeen genomen met 8% moet worden gereduceerd), en waar kan verwacht worden dat naar de toekomst ook verdere individuele reductie- maatregelen aan de bedrijven zullen opgelegd worden. Verzoekende partijen menen dat dit hun individueel moeilijk te herstellen ernstig nadeel alleen maar groter en evidenter maakt. Strikt genomen zou men kunnen stellen dat de toename of bijkomende vorming van onnuttig CO2 geen persoonlijk nadeel vormt voor verzoekende partijen aangezien de Kyoto-doelstelling een algemene norm/doelstelling betreft, doch alsdan moet men zich in alle redelijkheid afvragen wie dan wel zulk een nadeel zou kunnen aanvoeren. Een zelfde mening werd verwoord door auditeur E. LANCKSWEERDT in de zaak G/A.90.485/VII-20.806 (verslag schorsings- procedure dd. 25 mei 2000, blz. 23)."; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij als volgt repliceert : “1. De verzoekende partijen steunen het MTHEN op een verslag van hun bedrijfsrevisor over de milieu-investeringen (stuk 11 van de verzoekende partijen). De conclusie van het rapport is dat ‘de bijkomende investeringsver- plichtingen om de CO-normering te halen bedrijfseconomisch en financieel een ernstige bijkomende hypotheek leggen op de verdere bedrijfsvoering van elk van de onderzochte productie-entiteiten’. Deze conclusie roept onmiddellijk een aantal vragen en problemen op, waarover hierna meer. 2. Een aantal uitgangspunten van de studie geven echter al onmiddellijk aanleiding tot vragen. Zo bv wordt uitgegaan van de jaarrekeningen van 2002, behalve voor TERCA ZONNEBEKE NV en SYNDICAAT MACHIENSTEEN NV, waarvoor de business-plannen van 2003, respectievelijk 2004 (!) als uitgangspunt worden genomen. De offertes voor de milieu-investeringen worden niet meegedeeld, en evenmin is er inzicht in de omvang van de onderhouds- en werkingskosten. Het is dus niet mogelijk om de overwogen bestellingen technisch, financieel, economisch en ecologisch te bekijken, en evenmin om de investeringen en de correctheid van hun prijzen te beoordelen. Het is ook mogelijk om de investeringen over de hele bedrijfsgroep van de verzoekende partijen (WIENERBERGER BRICKS GROEP) te bekijken. Dit is belangrijk omdat in een groep altijd naar synergiën wordt gezocht, zodat het geenszins evident is om aan te nemen dat de huidige bedrijfsstructuur met verschillende productiezetels en meerdere ovens voor verschillende producten als dusdanig zal worden behouden. Ook over de evolutie van omzet en prijzen is er geen aanvaardbaar uitgangspunt. In het algemeen genomen wenst de verwerende partij derhalve belangrijke vragen te stellen bij de essentiële uitgangspunten en parameters van het rapport van de bedrijfsrevisor. Zij wenst ook inzicht te krijgen in het effect van de beleidsbeslissingen die binnen de groep ongetwijfeld zullen worden genomen. 3. VII-30.802-7/10 De verzoekende partijen moeten hoe dan ook milieu-investeringen doen. Terecht hebben zij geprobeerd om de gevolgen te onderzoeken van de bijkomende investeringen en kosten die noodzakelijk zijn voor het realiseren van de CO-emissiegrenswaarde. Bij een eerste lezing van het rapport moet worden vastgesteld dat de gevolgen van de CO-gebonden meerinvesteringen marginaal zijn. Dit blijkt uit de verificatie van het gros van de berekende ratio's. Wat betekent bv dat de liquiditeitsratio ten gevolge van de CO-gebonden investeringen enkele tienden van een punt zal dalen, indien deze ratio al van tevoren of als exclusief gevolg van de niet CO-gebonden investeringenal problematisch is. De rendabiliteitsratio is voor alle verzoekende partijen negatief of wordt het vanaf 2004, met uitzondering voor TERCA TESSENDERLO NV, die vanaf 2006 opnieuw een licht positief bedrijfsresultaat zou krijgen. Het effect can de CO-gebonden investeringen is voor de solvabiliteitsratio van alle bedrijven vrijwel betekenis- loos omdat alleen een sowieso aanwezige neerwaartse trend van de ratio wordt bevestigd. Het rapport doet derhalve vaststellen da de financiële en economische situatie van de verzoekende partijen in de eerstkomende jaren negatief evolueert, uitzonderingen of details niet te na gesproken. De milieu-investeringen zullen hierin een rol spelen, maar deze zijn in hoofdorde niet veroorzaakt door de invoering van de CO2-emissiegrenswaarde. Dat de CO-gebonden milieu- investeringen slechts op marginale wijze een trend in de financiële en economi- sche ratio en resultaten bevestigen is van het hoogste belang voor de beoorde- ling van het MTHEN. 4. Het rechtstreeks causaal verband tussen de CO-gebonden milieu-investering- en en de beweerde negatieve financiële en economische resultaten van de bedrijvengroep van de verzoekende partijen is afwezig, omwille van de marginaliteit van de CO-gebonden investeringen ten aanzien van de bedrijfspa- rameters in het algemeen en de niet-CO-gebonden milieu-investeringen uit oorzaak van het bestreden besluit in het bijzonder. Bij gebrek aan causaal verband kan er geen MTHEN zijn. 5. Het financiële en/of economische resultaat van de bedrijvengroep van de verzoekende partijen wordt in geen geval op significante wijze beïnvloed door de CO-gebonden investeringen. Een marginale invloed, in de zin van een loutere en cijfermatige beperkte bevestiging van een onversneden trend, is geen ernstig nadeel. De verwerende partij wenst bij deze evaluatie rekening te houden met de economische en financiële kracht en het aanpassingsvermogen van de verzoe- kende partijen als groep, en niet als individuele bedrijven. Het is inderdaad niet zonder reden dat de verzoekende partijen binnen de WIENERBERGER BRICKS GROEP samenwerken en dus synergiën en rationaliseringen zullen ontwikkelen. Overigens treden de verzoekende partijen evenmin zonder reden samen aan in de voorliggende procedure. 6. Het MTHEN is in elk geval louter financieel, en dus in beginsel herstelbaar. Dit kan enkel niet het geval zijn wanneer het bestaan van de verzoekende partijen door faillissement is bedreigd. Hiervan is zeker geen sprake. 7. De verzoekende partijen brengen verder aan dat hun MTHEN evidenter wordt gemaakt doordat het installeren van naverbrandingsinstallaties, noodzakelijk om de CO2-emissiegrenswaarde te bereiken, tot een grotere CO2- uitstoot zal leiden, en dus contraproductief zal zijn. Dit zou des te erger zijn omdat de naleving van het Kyoto-protocol de bedrijven tot neg meer maatrege- len en investeringen zal dwingen. VII-30.802-8/10 Het kan niet worden ingezien dat deze redenering doet besluiten tot een (groteren aanvaardbaarheid) van het MTHEN. Uiteraard moeten contraproduc- tieve investeringen worden vermeden. Het is echter volslagen hypothetisch om te beweren dat investeringen voor naverbranding, indien ze al zouden worden gedaan (cfr. supra), zouden verhinderen dat de Kyoto-doelstellingen worden nageleefd. Het is op dit ogenblik bijvoorbeeld volstrekt niet duidelijk op welke wijze de CO2-reductie aan de individuele bedrijven zal worden opgelegd en worden geïmplementeerd. Het feit alleen al dat de Belgische Staat onderhandelt over schoneluchtcontingenten laat de verzoekende partijen niet toe om op dit ogenblik op zelfs maar benaderende wijze te zeggen tot welke CO2-emissiere- ductie zij zouden worden gedwongen. Bijgevolg staat het ook niet vast dat maatregelen die zij nu zouden nemen niet zouden volstaan. Voor het overige wordt niet goed ingezien dat dit debat nog in verband kan worden gebracht met een ernstig nadeel dat een oorzaak vindt in de bestreden beslissing. De opmerking is dus niet pertinent.”; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partijen het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij beweren te zullen lijden door het moeten naleven van de betwiste opgelegde emissienorm voor CO, samen zien met de financiële implicaties voor het behalen van de niet betwiste emissienorm voor SOx en HF; dat zij bij het verzoekschrift een rapport voegen van de bedrijfsrevisor met als titel “Wienerberger Bricks Groep. Verslag inzake milieuinvesteringen CO” en dat een tabel bevat met de raming van investerings- en werkingskosten voor het behalen van de met het gedeeltelijk bestreden besluit opgelegde emissienormen; dat evenwel uit de voorgelegde tabel niet kan worden opgemaakt of de financiële implicaties voor het behalen van de emissienormen SOx en HF -die veel hoger zijn dan die voor het behalen van de CO-norm- slaan op investeringen die de betrokken ondernemingen onmiddellijk dienen te doen, dan wel pas op termijn; dat immers in dat verband niet kan worden voorbijgegaan aan het gegeven dat het bestreden besluit een overgangs- regeling bevat waarbij voor de parameters SOx en HF tot 31 december 2009 in beduidend minder strenge rookgasemissie-grenswaarden wordt voorzien (artikel 5.30.1.4., § 2, van Vlarem II); dat bij gebreke aan enige verduidelijking het niet mogelijk is om de globale financiële weerslag tengevolge van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in te schatten; dat, daarenboven, de verwerende partij kan worden gevolgd in haar betoog dat uit de door de revisor opgestelde ratio’s voor de periode 2002-2007 blijkt dat in het merendeel van de gevallen de meegedeelde ratio’s in het scenario “exclusief” de kosten verbonden aan het behalen van de CO-emissienormen reeds een neerwaartse trend vertonen die door de revisor als kritisch wordt aangemerkt voor het voortbestaan van de vennootschap en dat sommige van die ratio’s, zoals de rendabiliteit en de vrije cash-flow, reeds van VII-30.802-9/10 in den beginne negatief zijn, zonder dat dit ook maar op enige wijze kan worden toegeschreven aan de financiële implicaties voor het behalen van de CO-norm; Overwegende dat het nadeel voortvloeiend uit de verwachting dat de fabrikanten van snelbouwstenen in de toekomst geconfronteerd zullen worden met bijkomende maatregelen om de emissie van CO2 te verminderen in het kader van de Kyoto-doelstellingen, louter hypothetisch is en alleszins niet rechtstreeks voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit dat terzake geen maatregelen oplegt; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste voorwaarde; dat de vordering moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-30.802-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.154 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.848 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.