id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.155 Rolnummer: A. 155788/VII-32783 Zaak: Arrest 150155 - - 13/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-21 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 02:11 Fiche Arrest nr 150.155 van 13 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.155 van 13 oktober 2005 in de zaak A. 155.788/VII-32.783. In zake : de v.z.w. BETER BRUGGESTRAAT, die woonplaats kiest bij Advocaat S. SERGEANT, kantoor houdende te BRUGGE, Zwijnstraat 3 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de b.v.b.a. Bernard LANGERAET, die woonplaats kiest bij Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan 141. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. BETER BRUGGESTRAAT op 20 september 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 10 juli 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij de beroepen ingediend door Oscar DE PAEPE en de verzoekende partij tegen het besluit van 22 augustus 1995 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ruiselede houdende het verlenen aan de b.v.b.a. Bernard LANGERAET van een milieuvergunning om een versnijderij voor varkensvlees, gelegen aan de Bruggestraat 82 te Ruiselede uit te baten, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd en aangepast; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; VII-32.783-1/16 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 december 2004, op welke datum de zaak in verderzetting wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 25 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. DE NYS die, loco Advocaat S. SERGEANT verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur S. VANPARIJS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat L. PROOT die, loco Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat met een verzoekschrift van 12 oktober 2004 de b.v.b.a. LANGERAET houder van de bestreden vergunning, vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd; 2. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. Op 5 juli 1995 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag klasse 2 in bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ruiselede voor : "een versnijderij voor varkensvlees (totaal vermogen van 161 kW) met * 6 koelcompressoren (104 kW) en een luchtcompressor van 7,5 kW * een overdekte stalruimte voor 14 bedrijfsvoertuigen * een wasplaats voor het wassen van max.14 voertuigen per dag VII-32.783-2/16 * het lozen van max. 1,35 m³/dag ander dan normaal huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering van de Bruggestraat, via een bezinkput met vetafscheider * het lozen van max. 3,5 m³/dag normaal huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering van de Bruggestraat, via een septische put * de opslag van 2.000 l lichte stookolie in een bovengrondse houder * de opslag van max. 180 ton versneden varkensvlees en 10 ton bijprodukten." Het gaat om een nieuwe aanvraag die betrekking heeft op terreinen gelegen aan de Bruggestraat. Volgens het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde gewestplan zal de inrichting gelegen zijn in een gebied voor milieubelastende industrieën en deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 2.2. Met een besluit van 22 augustus 1995 wordt de gevraagde vergunning verleend. Oscar DE PAEPE en de verzoekende partij tekenen daartegen hoger beroep aan. 2.3. Met het besluit van 25 januari 1996 verklaart de bestendige deputatie die administratieve beroepen "gedeeltelijk gegrond", maar bevestigt het beroepen besluit en vult dit aan als volgt : "1) De vergunning wordt verleend voor de exploitatie van een versnijderij met een capaciteit van max. 3000 varkens per week 2) De vergunningsvoorwaarden worden vervangen. 3) Er worden bijkomende vergunningsvoorwaarden opgelegd. Deze hebben betrekking op de lozing van bedrijfsafvalwater, de aan- en afvoer van karkassen en afgewerkte producten en de aanleg van een groenscherm." 2.4. Met het arrest nr. 130.721 van 27 april 2004 wordt de beslissing van de bestendige deputatie door de Raad van State vernietigd, in essentie op grond van de volgende overweging met betrekking tot het gedeelte van de vergunde inrichting dat zich in landschappelijk waardevol agrarisch gebied bevindt : "Overwegende dat in het bestreden besluit niet afdoende wordt aangegeven waarom de verweving van de functies die het gevolg is van de verleende milieuvergunning, de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat het bestreden besluit in dit verband overweegt dat de activiteiten die zullen worden verricht in de wasplaats 'niet milieuhinderend' zijn, dat 'de zone direkt paalt aan het gebied voor milieubelastende industrie' dat 'de agrarische belangen niet geschaad worden, vermits het terrein reeds geruime tijd aan de landbouw onttrokken is' en dat de wasplaats 'noodzakelijk is om de milieutechnische en sanitaire voorwaarden na te leven'; dat voorts wordt overwogen dat 'de parking en de oprit gelegen zijn in een klein stuk agrarisch gebied gelegen tussen woongebied en industriegebied, dat de bestemming agrarisch gebied in dit geval achterhaald is en de agrarische belangen niet geschaad worden' en 'dat de nieuwe VII-32.783-3/16 ontsluitingsweg een verbetering betekent voor de dorpskom wat de hinder door aan- en afvoer betreft'; dat het besluit in hoofdzaak, en dan nog zeer summier, de weerslag onderzoekt van de vergunde actitiviteiten op het agrarisch gebied; dat over de weerslag van de vergunde 'parking' en 'oprit' op het in de onmiddellijke omgeving gelegen woongebied waarin de Bruggestraat is gesitueerd, niets wordt gezegd; dat bovendien ten onrechte wordt voorbijgegaan aan het feit dat de vergunde activiteiten die zich in agrarisch gebied situeren, aanhorigheden lijken te zijn van een versnijderij die een industrieel karakter bezit; dat die aanhorigheden, wat hun impact betreft, nochtans niet zonder meer kunnen geïsoleerd worden van de hoofdzaak, de versnijderij; dat het feit dat een activiteit niet milieuhinderend is, op zichzelf niet aantoont dat ze, uit stedenbouwkundig oogpunt bekeken, de bestemming van de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang kan brengen; dat het bestreden besluit eveneens volledig voorbij gaat aan het gegeven dat het een landschappelijk waardevol gebied betreft; dat de tussenkomende partij uiteenzet dat het agrarisch gebied in feite dienst doet als bufferzone tussen het aanpalende industriegebied en de aan het industriegebied en landbouwgebied aanpalende woonzone aan de Bruggestraat; dat in dit geval de verwerende partij met nog meer omzichtigheid diende te onderzoeken of de inname van een gedeelte van die 'bufferzone' door een vergunningsplichtige inrichting geen verstoring zou betekenen van het nabije woongebied of die gegeven bestemming in het gedrang zou brengen; dat het middel in die mate gegrond is". 2.5. Ingevolge dit arrest wordt de beroepsprocedure door de verwerende partij hernomen. Er worden adviezen verleend die gunstig zijn. In het advies van de afdeling Milieuvergunningen van 15 juni 2004 wordt inzake het stedenbouwkundig aspect onder meer het volgende gesteld : "Overwegende dat de nieuwe toegangsweg en bijhorende bufferzones aangelegd zouden worden conform het nieuwe bestemmingsplan 'BPA Bruggestraat' goedgekeurd door de gemeenteraad van Ruiselede op 08-04-2004; dat de gebouwen en de wasplaats voor voertuigen en bakken en de parkeerplaats (zich) volgens het nieuwe BPA in een zone 6 deelzone B bevinden; dat met het nieuwe BPA de bestaande wasplaats en parking kan geregulariseerd worden voor zover het nieuw BPA kracht van wet heeft". 2.6. Op 15 juli 2004 beslist de verwerende partij de beroepen af te wijzen. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing maakt melding van het bijzonder plan van aanleg (B.P.A.) "Bruggestraat" dat intussen op 21 juni 2004 goedgekeurd is bij ministerieel besluit. Hierdoor bevindt het gedeelte van het bedrijf dat zich voorheen in agrarisch landschappelijk waardevol gebied bevond zich nu volledig binnen het bijzonder plan van aanleg "Bruggestraat". Tegen dit goedkeuringsbesluit heeft de verzoekende partij een verzoek tot schorsing en annulatieberoep ingediend. Bij arrest nr. 145.183 van 31 mei 2005 wordt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 21 juni 2004 verworpen; VII-32.783-4/16 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij als enig middel de schending aanvoert "van het gezag van gewijsde van het arrest van Uw Raad van 17 april 1997 (schorsingsarrest) en van 27 april 2004 (annulatiearrest), van de artikelen 2 en 43, § 7 van het Coördinatiedecreet Ruimtelijke Ordening van 22 oktober 1996, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen"; dat de uiteenzetting van het middel als volgt luidt : "3.1 De bestreden beslissing dd 15.07.2004 gaat er ten onrechte vanuit dat thans geen sprake meer is van zonevreemde exploitatie. Zij verwijst naar 'de ligging van de inrichting in een BPA 'Bruggestraat' (dd 21.06.2004) in een slachthuiszone - deelzone b' Aldus : 'Overwegende dat deze inrichting volledig gelegen is binnen de geëigende zone' Evenwel was op datum van de bestreden beslissing dd 15 juli 2004 voormeld BPA 'Bruggestraat' nog niet in werking getreden. Het goedkeuringsbesluit was zelfs nog niet gepubliceerd. De beslissing waarbij het BPA 'Bruggestraat' definitief aanvaard was door de Gemeenteraad en goedgekeurd door de Minister zou pas in werking treden 15 dagen na publicatie van het goedkeuringsbesluit in het Belgisch Staatsblad, hetzij 15 dagen na 17 juli 2004. Volkomen ten onrechte werd dan ook in de bestreden beslissing rekening gehouden met een BPA dat nog geen enkele verordenende kracht had. Op datum van de beslissing dd 15.07.2004 waren derhalve enkel de bestemmingen van het gewestplan Roeselare-Tielt voor de betrokken zone van toepassing. De situatie was in niets anders dan ten tijde van de eerste beslissing dd 25.01.1996, meer nog werd thans volstrekt ten onrechte volledig voorbij gegaan aan art 88 van de stedenbouwwet (thans art 43, § 7, van het Coördinatiedecreet). Des te meer omdat niet werd ingegaan op de vraag of (
- de)ruimtelijke ordening niet zou worden geschaad, en meer inzonderheid dan of de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang zou brengen of verstoren. Door aldus niet tegemoet te komen aan de overwegingen van Uw Raad, die tot de ernst van verzoeksters tweede middel hebben geleid in de vorige zaak van verzoekster, schendt de Gemeente manifest het gezag van gewijsde van het arrest van 23 november 1995 3.2 Zelfs zo aanvaard zou worden dat het nieuwe BPA wèl rechtskracht had (quod non), faalt de bestreden beslissing in haar motiveringsplicht. Immers volstond het niet te verwijzen naar het nieuwe BPA om de milieuvergunningsaanvraag toe te kennen. Evenmin volstaat het dat de VII-32.783-5/16 exploitatie volledig gelegen is in de daartoe bestemde zone om de vergunning toe te kennen. In de eerste bestreden beslissing van de Bestendige Deputatie dd 25.01.1996 werd de milieuaanvraag ènkel onderzocht vanuit de weerslag van de vergunde activiteiten op het agrarisch gebied. De discussie werd aldus toegespitst op de wasplaats voor de vrachtwagens, de overdekte stalruimte voor 14 bedrijfsvoertuigen, de oprit en de ontsluitingsweg van BVBA LANGERAET, inzoverre deze strijdig waren met (
- de)bestemming van landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het gewestplan Roeselare-Tielt. Uw Raad heeft dan de beslissing dd 25.01.1996 dan ook op de korrel genomen omdat noch de totaliteit van de activiteiten van BVBA LANGERAET (weze na de toegestane uitbreiding zoals vervat in de milieuvergunning), noch de weerslag ervan op het in de onmiddellijke omgeving gelegen woongebied onderzocht werd. In dat opzicht werd de beslissing dd 25.01.1996 niet draagkrachtig in haar motivatie bevonden. Ook uit art 21 § 2 en 25, 2/ van het Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) blijkt minstens impliciet dat de verenigbaarheid van de inrichting met de omgeving en de goede plaatselijke ordening mee overwogen moet worden bij de milieuvergunningsaanvraag. Art 21 § 2 VLAREM I stelt dat het advies van de bevoegde afdeling ROHM van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen ondermeer (...) 2/ een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, bevat. Art 25 2/ VLAREM I stelt dat het (...) advies van de provinciale milieuvergunningscommissie volgende gegevens moet bevatten (...) 2/ een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Zeker in het geval van uitbreiding van dergelijke industriële sites zoals deze van het slachthuiscomplex te Ruiselede, ook wanneer het stricto sensu gaat over een milieuvergunningsaanvraag, dient steeds gemotiveerd te worden geantwoord op de bezwaarschriften die aanvoeren dat de ruimtelijke draagkracht overschreden wordt. De formele motiveringsplicht van de Bestendige Deputatie inzake milieuvergunningen omvat trouwens een strengere motiveringsplicht inzoverre art 30 § 1, 3/ VLAREM I verplicht om te verwijzen naar, in zoverre deze zijn voorgeschreven, de door het college van burgemeester en schepenen, de adviesverlenende overheidsorganen en de milieuvergunningscommissie uitgebrachte adviezen alsmede naar de aard van de tijdens het openbaar onderzoek gemaakte bemerkingen en bezwaren. In de bezwaarschriften is ingegaan op de stankhinder van de versnijderij en de verkeershinder in de Bruggestraat, die, mede door de uitbreiding van exploitatie, voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag - tot in de bufferzone -, aanleiding geeft tot een overschrijding van de grenzen van de ruimtelijke draagkracht. De overwegingen die de Bestendige Deputatie maakt, voldoen in deze niet. Los van het feit dat geenszins ernstig onderzocht wordt of ingegaan wordt op de intensiteit en aard van de hinder die door de gevraagde en vergunde exploitatie veroorzaakt wordt, wordt niet afdoende ingegaan op de hinder die in de bezwaren aangehaald wordt Zo wordt wat de geurhinder betreft, louter verwezen naar de goede intenties van het bedrijf om de vleesproducten en afvalstoffen te koelen en regelmatig af te voeren. Dit zijn niet-controleerbare, niet-afdwingbare intenties, die in niets gelijken op strikte voorwaarden verbonden aan een milieuvergunning. VII-32.783-6/16 Zo wordt wat de verkeershinder betreft, enkel verwezen naar een nieuwe toegangsweg. Dit is volstrekt onvoldoende. In het nieuwe BPA wordt trouwens niet ontkend dat er verkeersoverlast is doch de Gemeenteraad zich beperkt met een verwijzing naar het Mobiliteitsplan. De werkelijkheid is dat reeds in het verleden duidelijk gebleken is dat geen behoorlijk antwoord kàn gegeven worden aan de verkeersoverlast die een slachthuiscomplex, gelegen in het centrum van een landelijke gemeente, veroorzaakt. Laat staan wanneer dit complex uitgebreid wordt. In het schorsingsarrest van Uw Raad van 16.03.95 werd er reeds op gewezen dat reeds in vergadering van 20.10.92 van het hoofdbestuur van de stedenbouw gesteld werd dat aanleg van een nieuwe toegangsweg slechts een afdoende maatregel zou zijn, indien deze een onderdeel zou vormen van een noordelijke omlegging Bruggestraat-Aalterstraat en dat die omlegging enkel mogelijk was nà voorafgaande wijziging van het gewestplan (stuk 2 - blz 5-6), en dat dan ook vragen moeten gesteld worden bij de alternatieven die de Gemeente in het kader van het Mobiliteitsplan vooropstelt. 3.3. Dat het niet volstond om met een pennetrek de kleur van de agrarische zone te wijzigen om de hinder voor het omliggend woongebied weg te nemen. Om die reden heeft verzoekende partij trouwens de schorsing van de tenuitvoerlegging en de annulatie (gevorderd) van het bijzonder plan van aanleg zoals op 21.06.2004 goedgekeurd door de Vlaamse Minister. Het is klaar en duidelijk dat de Gemeente Ruiselede bij het opstellen van dat BPA uitgegaan is van het economisch belang van het slachthuiscomplex. Deze werd voor gegeven genomen. Door het economisch belang van het slachthuiscomplex voorop te stellen en de wens naar verdere uitbreiding van dit complex te honoreren buiten de (vroegere) zone voor milieubelastende industrie/ (thans) slachthuiszone, waarbij zoals aanvullend overwogen in het annulatiearrest van Uw Raad dd 27.04.2004 het (vroeger) landschappelijk waardevol agrarisch gebied/ (thans) bufferzone verder aangevreten wordt, is de verenigbaarheid met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening in het gedrang gekomen. Wordt het BPA zoals op 21.06.2004 goedgekeurd door de Vlaamse Minister door Uw Raad geschorst en vernietigd, dan valt sowieso de hele bodem uit de motivatie van de bestreden beslissing (die er ten onrechte van uitgaat dat het volstaat dat er geen zonevreemde exploitatie is). Voorliggende zaak is dan ook dermate nauw verbonden met de schorsing van de tenuitvoerlegging en de annulatie van het bijzonder plan van aanleg zoals op 21.06.2004 goedgekeurd door de Vlaamse Minister, dat verzoekende partij de samenvoeging vraagt."; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota als volgt repliceert : "In een eerste en enige middel werpen verzoekers de schending van het gezag van gewijsde van de arresten van de Raad van State van 17 april 1997 en van 27 april 2004 op. Daarnaast beweren verzoekers ook nog dat het bestreden besluit de artikelen 2 en 43 § 7 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 schendt evenals de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht der bestuurshandelingen. In eerste instantie beweren verzoekers dat de bestreden beslissing ten onrechte heeft rekening gehouden met het BPA 'Bruggestraat' (dd. 21 juni 2004). Dit leiden ze af uit het feit dat de bestreden beslissing dateert van 15 juli 2004, terwijl het betreffende BPA pas op 17 juli 2004 gepubliceerd werd in het VII-32.783-7/16 Belgisch Staatsblad. Nochtans dateert de goedkeuring al van 21 juni 2004. Het betrof aldus een goedgekeurd, maar nog niet gepubliceerd BPA. Het verordenend gedeelte van een bijzonder plan van aanleg of van een ruimtelijk uitvoeringsplan is pas tegenstelbaar aan de burger na behoorlijke bekendmaking. Maar ondertussen kan diezelfde burger wel al van de betrokken overheid de toepassing van het betreffende plan vorderen. Inzake dit dossier wierp de exploitant tijdens de vergadering van de provinciale milieuvergunningscommissie op dat het BPA 'Bruggestraat', waarin het volledig bedrijf (met alle toebehoren) van Langeraet ook vervat is, goedgekeurd is. Ingevolge dit BPA is het bedrijf zone-eigen. De exploitant argumenteerde, als burger, dat het BPA reeds was goedgekeurd en dus moest toegepast worden door de overheid. Aangezien de Bestendige Deputatie in kennis was gesteld van de goedkeuring van het betreffende BPA, was zij er inderdaad toe gehouden om dit BPA toe te passen, ook al was het nog niet gepubliceerd. Het is namelijk zo dat de overheid geen bekendmaking nodig heeft om gebonden te zijn, vermits zij het betreffende plan heeft vastgesteld en erdoor gebonden is vanaf het tijdstip van de ondertekening van het vaststellingsbesluit en krachtens die ondertekening (B. HUBEAU en W. VANDEVYVERE (eds.), Handboek ruimtelijke ordening en stedenbouw, Die Keure, 2004, p. 209 nr. 12). De overheid is dus zelf gebonden door het verordenend gedeelte, maar kan nog niet van de burger eisen dat hij dat plan toepast. Bij toepassing van het patere legem quam ipse fecisti-beginsel moet bovendien vastgesteld worden dat de verordenende kracht inhoudt dat voorschriften van de plannen moeten worden nageleefd bij het nemen van de beslissingen die ze moeten toepassen. Dit geldt niet alleen voor de bij het DRO bedoelde overheden, maar ook voor iedere overheid die optreedt in het raam van een andere reglementering (bv. de milieuvergunning) (B. HUBEAU en W. VANDEVYVERE (eds.), Handboek ruimtelijke ordening en stedenbouw, Die Keure, 2004, P. 210 nr. 13). Bijgevolg was de Bestendige Deputatie ertoe gehouden om bij de beoordeling van het beroep rekening te houden met het BPA 'Bruggestraat' dd. 21 juni 2004. Vervolgens stellen verzoekers dat, ook al zou het BPA toch verordenende kracht hebben, het bestreden besluit alsnog de motiveringsplicht schendt. De Bestendige Deputatie is hier niet mee akkoord gelet op de uitgebreide overwegingen die opgenomen zijn in het bestreden besluit. Iedere overweging werd trouwens op een voldoende wijze besproken en gemotiveerd. Zo werd vastgesteld dat de inrichting volledig gelegen is binnen de geëigende zone. De inrichting is bijgevolg verenigbaar met de stedenbouwkundige voorschriften. Vervolgens werden de concrete activiteiten van de inrichting beschreven, waarop de verschillende elementen die eventueel hinder zouden kunnen veroorzaken worden beschreven en weerlegd. Er wordt geen afvalwater meer geloosd, alle bedrijfsactiviteiten gebeuren in gesloten en geïsoleerde bedrijfsruimten, er is voldoende goede koeling voorzien en er is een nieuwe toegangsweg voorzien die de dorpskom ontlast. Bovendien moet er opgemerkt worden dat alle uitgebrachte adviezen gunstig waren, meer bepaald de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen van Aminal, van de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg, van de Vlaamse Milieumaatschappij en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie. De Openbare Afvalstoffenmaatschappij is om advies gevraagd, maar deze was van oordeel dat zij geen advies dienden uit te brengen. De afdeling ROHM tenslotte werd ook om advies gevraagd, maar er werd geen advies ontvangen zodat dit stilzwijgend gunstig was. Het is nochtans de afdeling ROHM die de stedenbouwkundige aspecten van de aanvraag onderzoekt. De Bestendige Deputatie heeft dan ook, mede gelet op de verschillende adviezen, op een voldoende wijze het bestreden besluit gemotiveerd. VII-32.783-8/16 Het eerste en enige middel mist feitelijke grondslag en is bijgevolg ongegrond."; 3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar vordering tot tussenkomst het volgende doet gelden : "2.1 Eerste onderdeel : verbindende en verordenende kracht van het BPA 'Bruggestraat' De verzoekende partij wijst vooreerst op het feit dat in de bestreden beslissing verkeerdelijk zou geoordeeld zijn dat er geen sprake meer was van een zonevreemde exploitatie, gelet op de ligging van de versnijderij in het - weliswaar door de Minister goedgekeurde, maar nog niet in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde - B.P.A. 'Bruggestraat' in een slachthuiszone - deelzone B. Het betreffende B.P.A. 'Bruggestraat' werd op 21 juni 2004 goedgekeurd door de Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening en werd op 15 juli 2004 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Door dit B.P.A. komt de versnijderij te liggen in daartoe geëigende zone, nl. een slachthuiszone (deelzone B). Door de goedkeuring door de Vlaamse Regering van een B.P.A. wordt de conformiteit ervan met de wetgeving en met het algemeen belang bevestigd en worden zowel de grafische als de geschreven voorschriften ervan goedgekeurd en wordt aan deze laatste verbindende en verordenende kracht gegeven (R.v.St. nr. 91.936, Vande Ginste, 29 december 2000). Een plan dat bindende en verordenende kracht heeft, mag en kan overeenkomstig artikel 2 van het gecoördineerd Stedenbouwdecreet, worden toegepast. In dat opzicht hield de bestendige deputatie, bij haar beoordeling in het kader van de bestreden beslissing, rekening met het B.P.A. 'Bruggestraat', dat reeds op 21 juni 2004 goedgekeurd was door de Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening. Het moge duidelijk zijn dat de huidige situatie derhalve verschilde van de situatie vóór het B.P.A. 'Bruggestraat'. De bestreden beslissing schendt dan ook geenszins het gezag van gewijsde van vorige arresten van Uw Raad in dit verband. 2.2 Tweede onderdeel: afdoende - motivering van de verenigbaarheid met de stedenbouwkundige bestemming - Verzoekende partij beweert dat de bestreden beslissing aangetast zou zijn door een motiveringsgebrek ten aanzien van de verenigbaarheid met de stedenbouwkundige bestemming. Deze bewering mist feitelijk grondslag, gelet op de volgende overwegingen in de bestreden beslissing: 'Gelet op de ligging van de inrichting deels gelegen in een industriegebied en deels agrarisch gebied van het gewestplan Roeselare-Tielt (dd. 17/12/1979), Gelet op de ligging van de inrichting in een BPA 'Bruggestraat' (dd.21/06/2004) in een slachthuiszone - deelzone B; Overwegende dat (motivering vanuit het oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten) gesteld kan worden dat de verandering/exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de gronden gelegen binnen onderhavige deelzone bestemd zijn voor de randactiviteiten die in relatie staan tot het slachthuis (o.a. versnijderij, opslag, koeling, ...) burelen, EHBO en voorzieningen in functie van de bestaande bedijfsvoering; dat deze activiteiten aansluiten bij het slachthuis maar zelf geen slachtactiviteiten omvatten; dat productieactiviteiten binnen onderhavige deelzone niet toegelaten zijn; dat de nodige bedieningwegen, VII-32.783-9/16 parkeerplaatsen, laad- en losplaatsen en stapelruimte binnen onderhavige deelzone eveneens toegelaten zijn; Overwegende dat deze inrichting volledig gelegen is binnen de geëigende zone;' - Verder poneert de verzoekende partij dat, zelfs indien het B.P.A. 'Bruggestraat' rechtskracht had, de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd zou zijn, nu, enerzijds, de weerslag ervan op het onmiddellijk ernaast gelegen woongebied niet onderzocht zou geweest zijn en, anderzijds, de bezwaarschriften inzake de vermeende stank- en verkeershinder onvoldoende zouden behandeld zijn. In dit verband dient gesteld te worden dat de overheid, die een milieuvergunningsaanvraag dient te beoordelen, rekening dient te houden met enerzijds de milieu-aspecten en anderzijds met de verenigbaarheid met de stedenbouwkundige bestemming van het betrokken gebied. Inzake dit laatste, diende de overheid in casu de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening en de ruimtelijke draagkracht van het betrokken gebied niet meer (...) te evalueren, aangezien er een goedgekeurd B.P.A. is. De beoordeling in kwestie ligt immers besloten in het goedgekeurde BPA zelf. Deze beoordeling dient dan ook niet overgedaan te worden in de bestreden beslissing. Artikel 19 van het KB. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen - dat stelt dat de vergunning, die niet in strijd is met het gewestplan of ontwerp - gewestplan, slechts afgegeven wordt indien de werken verenigbaar zijn met de goede plaatselijke ordening-, is in deze niet van toepassing, aangezien hier niet niet de gewestplanbestemming geldt, maar wel het B.P.A. De verwerende partij motiveert dan ook afdoende de stedenbouwkundige verenigbaarheid door te verwijzen naar de ligging binnen het goedgekeurde B.P.A. 'Bruggestraat'. Terzake kan gewezen worden op de hierboven geciteerde stedenbouwkundige motivering van de bestreden beslissing. - De door de verzoekende partij (...) aangehaalde artikelen 21 § 2 en 25, 2/ Vlarem I hebben betrekking op de inhoud van de adviezen van de bevoegde afdeling ROHM en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie als zodanig. Meer specifiek stelt artikel 21 § 2 Vlarem I dat het advies van de bevoegde afdeling ROHM de volgende gegevens moet bevatten: '1/ de voorschriften en verordeningen op het vlak van de stedenbouw en de ruimtelijke ordening die van toepassing zijn op de percelen, waarop de vergunningsaanvraag slaat en de beschrijving van de bestemming die, overeenkomstig de plannen van aanleg, in een straal van 500 m. rond de betrokken inrichting, aan de omgeving is gegeven; 2/ een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening.' Artikel 25, 2/ Vlarem I bepaalt dat het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie het volgende dient te bevatten: 'Een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening.' De verwerende partij kan evenwel, bij het nemen van de bestreden beslissing, zeker niet deze bepalingen van Vlarem I geschonden hebben, nu uiteraard niet zij, maar wel de afdeling ROHM en de Provinciale Milieuvergunningscommissie zelf instaan voor de inhoud van de verstrekte adviezen. Zij dient daarentegen wel rekening te houden met die adviezen bij het nemen van haar beslissing en de motivering ten aanzien van de adviezen dient veruitwendigd te worden in de beslissing, hetgeen in casu zeker het geval is. De verwerende partij heeft immers duidelijk verwezen naar de diverse verleende adviezen: VII-32.783-10/16 'Gelet op het gunstig advies ten aanzien van de inrichting dd. 15/06/2004 van de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het Departement Leefmilieu en Infrastructuur; Gelet op het stilzwijgend gunstig advies ten aanzien van de inrichting van de afdeling ROHM van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur; Gelet op het gunstig advies ten aanzien van de inrichting dd. 14/06/2004 van de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg van de administratie Gezondheidszorg van het departement van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; Gelet op het gunstig advies dd. 02/06/2004 ten aanzien van de inrichting van de Vlaamse Milieumaatschappij; Gelet op het schrijven dd. 30/06/2004 van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij waarin wordt gesteld dat de vergunningsaanvraag geen rubrieken bevat waarvoor door haar advies moet worden verleend; Gelet op het gunstig advies ten aanzien van de inrichting dd. 02/07/2004 van de Provinciale Milieuvergunningscommissie. ' Er kan derhalve bezwaarlijk gesteld worden dat de verwerende partij, bij het nemen van de bestreden beslissing, geen rekening gehouden heeft met alle (gunstige) adviezen, die terzake werden uitgebracht. De bestreden beslissing is immers volledig conform de verleende adviezen. Ook ten aanzien van de diverse hinderaspecten (geluids- en verkeershinder), opgeworpen in het bezwaarschrift, is de bestreden beslissing duidelijk afdoende gemotiveerd. Terzake kan verwezen worden naar de volgende passages uit het bestreden besluit: 'Overwegende dat de bezwaren van de beroeper als volgt kunnen worden geëvalueerd: - deze inrichting is volledig gelegen binnen de geëigende zone, - het gaat om een afzonderlijk bedrijf dat gespecialiseerd is in het versnijden van vlees; er wordt zowel vlees aangevoerd van het slachthuis De Coster als van derden; dat de exploitant tijdens de vergadering van de provinciale milieuvergunningscommissie verklaard heeft dat het rundvlees afkomstig is van andere slachthuizen; er is een aparte waterleiding, riolering, electriciteit, eigen wagenpark; het bedrijfsafvalwater wordt afgevoerd via de waterzuiveringsinstallatie van De Coster; - Alle activiteiten met uitzondering van de aan- en afvoer van vleesproducten, gebeuren binnen in het bedrijfsgebouw; het lossen en laden gebeurt via geïsoleerde kaaien die voorzien zijn van isolerende afdekkappen (zodat de laadruimtes van de vrachtwagens als het ware rechtstreeks worden aangesloten op het gebouw),' de stationaire koelwagens worden aangesloten op het electrisch net zodat geluidshinder en reukhinder van stationair draaiende koelwagens worden voorkomen; de opslag van de te versnijden vleesproducten (beenderen, vet, koppen en longen, tongen en lever) gebeurt in een overdekte en gekoelde ruimte; op de parking van het bedrijf kon er geen geurhinder worden vastgesteld,' (...) - De nieuwe ontsluitingsweg is een verbetering omdat op deze manier de dorpskom ontlast wordt van het verkeer van en naar de versnijderij.' De verwerende partij is dus wel degelijk ingegaan op de bezwaren inzake de vermeende geur- en verkeershinder. De bezwaren inzake geur- en verkeershinder worden duidelijk en afdoende weerlegd in het bestreden besluit. 2.3 Derde onderdeel: bezwaren tegen het BPA "Bruggestraat" als zodanig zijn niet gelieerd aan de bestreden beslissing Tenslotte uit verzoekende partij nog een aantal bezwaren in verband met de totstandkoming van het betrokken B.P.A. 'Bruggestraat'. Meer in het bijzonder VII-32.783-11/16 zou het B.P.A. louter rekening gehouden hebben met het economisch belang van het slachthuiscomplex en zou het B.P.A., door het voorzien van een slachthuiszone, de goede ruimtelijke ordening in het gedrang brengen. Het moge evenwel duidelijk zijn dat deze bezwaren louter betrekking hebben op het B.P.A. en niet gerelateerd zijn met de thans bestreden beslissing. Deze problematiek dient derhalve aan bod te komen in de procedures, die door verzoekende partij voor Uw Raad ingeleid werden tegen het B.P.A. Het betreft evenwel twee aparte procedures, die volledig onafhankelijk van elkaar kunnen beoordeeld worden. Tussenkomende partij ziet dan ook geen enkele reden waarom de beide zaken zouden moeten samengevoegd worden. Het middel is ongegrond."; 3.4.1. Overwegende vooreerst, dat het bijzonder plan van aanleg "Bruggestraat", waardoor de betrokken bedrijfssite in een "slachthuiszone - deelzone B" is komen te liggen, door de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening op 21 juni 2004 werd goedgekeurd; dat prima facie door die goedkeuring de overheid gebonden is door dat plan; dat het gegeven dat op de datum waarop het bestreden besluit werd genomen evengenoemd bijzonder plan van aanleg nog niet in het Belgisch Staatsblad was bekendgemaakt, enkel meebrengt dat de overheid van de burger niet kan eisen dat hij dat plan toepast; dat evenwel in casu het bestreden besluit er niet toe strekt de naleving van het bijzonder plan van aanleg door de verzoekende partij af te dwingen; dat uit het voorgaande moet worden besloten dat er op het eerste gezicht geen redenen zijn om aan te nemen dat de bestreden beslissing het gezag van gewijsde van de arresten van 17 april 1997 en van 27 april 2004 schendt, nu deze beweerde schending louter berust op de onterechte stelling dat de verwerende partij nog geen rekening mocht houden met het bijzonder plan van aanleg "Bruggestraat", wegens het niet gepubliceerd zijn ervan in het Belgisch Staatsblad, en aldus de ten tijde van de vernietigde beslissing van 25 januari 1996 vigerende gewestplanbestemming in aanmerking diende te worden genomen; 3.4.2. Overwegende, voorts, dat de verzoekende partij nog aanvoert dat het bijzonder plan van aanleg "Bruggestraat" onwettig is, dat zij stelt dat zij een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 21 juni 2004 tot goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg heeft ingediend en dat zij de samenvoeging van beide zaken vraagt; dat de verzoekende partij in haar onderhavig verzoekschrift geen exceptie van onwettigheid van evengenoemd bijzonder plan van aanleg heeft uitgewerkt; dat de Raad van State de verzoekende partij tegemoet gekomen is, in die zin dat de debatten over de onderhavige zaak werden uitgesteld totdat de Raad over de schorsing van de tenuitvoerlegging van evengenoemd ministerieel besluit uitspraak zou hebben gedaan; dat ter terechtzitting de verzoekende partij instemde met dergelijke werkwijze; dat de Raad van State bij VII-32.783-12/16 arrest nr. 145.183 van 31 mei 2005 die vordering heeft verworpen; dat, dienvolgens, vooralsnog niet tot de onwettigheid van het bijzonder plan van aanleg kan worden besloten; 3.4.3.1. Overwegende, wat de aangevoerde schending van de formele motiveringsplicht betreft, dat het bestreden besluit volgende overwegingen bevat : "(...) Gelet op de ligging van de inrichting deels gelegen in een industriegebied en deels agrarisch gebied van het gewestplan Roeselare-Tielt (d.d. 17/12/1979); Gelet op de ligging van de inrichting in een BPA 'Bruggestraat' (d.d. 21/06/2004) in een slachthuiszone - deelzone b; Overwegende dat (motivering vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten) gesteld kan worden dat de verandering/exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de gronden gelegen binnen onderhavige deelzone bestemd zijn voor de randactiviteiten die in relatie staan tot het slachthuis (o.a. versnijderij, opslag, koeling, ...) burelen, EHBO en voorzieningen in functie van de bestaande bedrijfsvoering; dat deze activiteiten aansluiten bij het slachthuis maar zelf geen slachtactiviteiten omvatten; dat productieactiviteiten binnen onderhavige deelzone niet toegelaten zijn; dat de nodige bedieningwegen, parkeerplaatsen, laad- en losplaatsen en stapelruimte binnen onderhavige deelzone eveneens toegelaten zijn; Overwegende dat deze inrichting volledig gelegen is binnen de geëigende zone; Overwegende dat het gaat om een bedrijf dat gespecialiseerd is (
- in)het aan- en verkopen, het in- en uitvoeren van vleeswaren en het exploiteren van een versnijderij voor varkensvlees; dat de te versnijden varkens zowel afkomstig zijn van het aanpalende slachthuis De Coster als van andere slachterijen; Overwegende dat de voornaamste afvalstoffen de volgende zijn : beenderen, vet, koppen en lever en deze worden opgeslagen in een gekoelde ruimte en dagelijks opgehaald door erkende ophalers; dat de andere afvalstoffen (verpakkingsafval, papier en karton) opgeslagen worden in aparte containers; Overwegende dat er geen afvalwater meer wordt geloosd in de openbare riolering; dat al het huishoudelijk afvalwater en het bedrijfsafvalwater via het intern rioleringsnet worden verpompt naar de waterzuiveringsinstallatie van De Coster; dat derhalve ook indelingsrubrieken '3.3 en 3.4 van Titel I van Vlarem' niet meer van toepassing zijn; Overwegende (dat) alle bedrijfsactiviteiten met inbegrip van alle handelingen met rolcontainers gebeuren in gesloten en geïsoleerde bedrijfsruimten; dat het lossen en laden gebeurt ter hoogte van de verschillende laadkaaien; dat de laadkaaien voorzien zijn van isolerende afdekkappen zodat de laadruimtes van de vrachtwagens als het ware rechtstreeks aangesloten worden op het gebouw; dat de koelwagens worden aangesloten op een elektrisch aansluitpunt waardoor geluidshinder van stationair draaiende koelwagens wordt voorkomen; dat de koelcompressoren (zich) in een gebouw bevinden met bovenop het dak de condensors; dat de koelinstallatie naast de versnijzaal en tussen het slachthuis van (
- de)De Coster is gelegen zodat het geluid volledig gedempt wordt door de gebouwen van de bvba Langeraet enerzijds en het slachthuis De Coster anderzijds; VII-32.783-13/16 Overwegende dat tussen de verschillende opslagruimten voor vleeswaren en de buitenwand van de uitsnijderij (zich) een gekoelde gang bevindt die als buffer fungeert ter vrijwaring van warmte en opname uit de buitenlucht en als reducerende maatregel voor geluidshinder; dat het transport van en naar het bedrijf langs de nieuwe toegangsweg gebeurt zodat de dorpskom ontlast wordt van het transport; Overwegende dat een goede koeling van de vleesproducten en van de vrijgekomen afvalstoffen van de versnijderij alsmede een regelmatige afvoer van afvalstoffen, maatregelen zijn waardoor geurhinder wordt voorkomen; Overwegende dat de indiener van het beroep volgende argumenten aanhaalt : - de locatie is onverenigbaar met de voorschriften van het gewestplan; - het bedrijf is geïntegreerd in de gebouwen van het slachthuis Decoster, die samen één geheel uitmaken; - stankhinder van de versnijderij en de verkeershinder in de Bruggestraat blijven onverminderd bestaan voor de omwonenden; - de schorsing van het BPA Bruggestraat door de Raad van State impliceert een onverenigbaarheid met de geldende stedenbouwkundige voorschriften; - 2/3 van de versnijderij is gelegen in een landbouwzone zodat er een stedenbouwkundige onverenigbaarheid bestaat; - de omleidingweg zal geen invloed hebben op de geluidshinder aangezien het zware verkeer niet uit de Bruggestraat zal worden gehouden; Overwegende dat de bezwaren van de beroepen als volgt kunnen worden geëvalueerd : - deze inrichting is volledig gelegen binnen de geëigende zone; - het gaat om een afzonderlijk bedrijf dat gespecialiseerd is in het versnijden van vlees; er wordt zowel vlees aangevoerd van het slachthuis De Coster als van derden; dat de exploitant tijdens de vergadering van de provinciale milieuvergunningscommissie verklaard heeft dat het rundvlees afkomstig is van andere slachthuizen; er is een aparte waterleiding, riolering, elektriciteit, eigen wagenpark; het bedrijfsafvalwater wordt afgevoerd naar de waterzuiveringsinstallatie van De Coster; - Alle activiteiten met uitzondering van de aan- en afvoer van vleesproducten, gebeuren binnen in het bedrijfsgebouw; het lossen en laden gebeurt via geïsoleerde kaaien die voorzien zijn van isolerende afdekkappen (zodat de laadruimtes van de vrachtwagens als het ware rechtstreeks worden aangesloten op het gebouw); de stationaire koelwagens worden aangesloten op het elektrisch net zodat geluidshinder van stationair draaiende koelwagens worden voorkomen; de opslag van de te versnijden vleesproducten (beenderen, vet, koppen en longen, tongen en lever) gebeurt in een overdekte en gekoelde ruimte; op de parking van het bedrijf kon er geen geurhinder worden vastgesteld; - Het BPA 'Bruggestraat' werd op 21.6.2004 goedgekeurd; - een klein ca. 15 % van de inrichting was voorheen gelegen in agrarisch gebied nl. wasplaats voor vrachtwagens, de parking, de oprit en de ontsluitingsweg; de wasplaats voor het reinigen van vrachtwagens is niet milieuhinderend omdat de waszone direct paalt aan milieubelastende industrie; en de wasplaats is noodzakelijk om milieutechnische en sanitaire redenen; de parking voor bedrijfsvoertuigen is wel meldingsplichtig; een groenscherm van 5 meter breed is aangelegd langs de westelijke perceelgrens; - De nieuwe ontsluitingsweg is een verbetering omdat op deze manier de dorpskom ontlast wordt van het verkeer van en naar de versnijderij; (...)"; VII-32.783-14/16 3.4.3.2. Overwegende dat prima facie op het stedenbouwkundig vlak de motivering afdoende lijkt te zijn in die zin dat de gevraagde inrichting volledig gelegen is binnen de volgens het bijzonder plan van aanleg geëigende zone en dat de gevraagde inrichting enkel betrekking heeft op de nevenactiviteiten gerelateerd aan het slachthuis en niet op de slachtactiviteiten; dat ook wat het milieuhygiënische aspect betreft, alle bezwaren van de beroepindieners lijken te zijn vermeld en geëvalueerd; dat prima facie die motivering afdoende is; 3.5. Overwegende dat het enig middel niet ernstig is; dat niet is voldaan aan de eerste krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste voorwaarde; dat derhalve de vordering moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de b.v.b.a. Bernard LANGERAET in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro komen ten laste van tussenkomende partij. VII-32.783-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober tweeduizend en vijf, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-32.783-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.155 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.276 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div