← België

Arrest 150235 - - 17/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.235 Rolnummer: A. 96320/IX-2541 Zaak: Arrest 150235 - - 17/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-04 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 02:21 Fiche Arrest nr 150.235 van 17 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.235 van 17 oktober 2005 in de zaak A. 96.320/IX-2541. In zake : 1. Myriam VANDENDRIESSCHE, 2. Luc DHONDT, 3. de BVBA Apotheek VANDENDRIESSCHE, die woonplaats kiezen bij advocaat P. LEROY, kantoor houdende te GENT, Coupure 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, thans de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaten L. DEPRE en P. SLEGERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 178. tussenkomende partij : Françoise VAN DER HEGGEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. DEMEESTER, kantoor houdende te GENT, Kortrijksesteenweg 535. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Myriam VANDENDRIESSCHE, Luc DHONDT en de BVBA Apotkeek VANDENDRIESSCHE op 10 oktober 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit genomen op 4 juli 2000 door de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu waarbij aan Françoise VAN DER HEGGEN een vergunning wordt verleend voor het IX-2541-1/29 openen van een voor het publiek opengestelde officina te Gavere aan de Baaigemstraat 128 (thans 123); Gelet op het arrest nr. 93.547 van 26 februari 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 2 april 2001 door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 11 mei 2001; Gelet op de beschikking van 18 juni 2001 die de tussenkomst van Françoise VAN DER HEGGEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd G. JACOBS; Gelet op de beschikking van 18 september 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 augustus 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; IX-2541-2/29 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VANHEULE, die loco advocaat P. LEROY, verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat H. DEMEESTER, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd G. JACOBS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Ingevolge een op 2 juli 1987 door Françoise VAN DER HEGGEN, tussenkomende partij, ingediende aanvraag wordt haar op 6 juli 1989 door de staatssecretaris voor Volksgezondheid een vergunning verleend voor het oprichten van een voor het publiek opengestelde apotheek te Gavere, Baaigemstraat 128. 1.2. Bij arrest nr. 54.581 van 13 juli 1995 vernietigt de Raad van State de voornoemde beslissing van 6 juli 1989. 1.3. Bij arrest nr. 75.693 van 8 september 1998 wordt aan de Belgische Staat een dwangsom opgelegd van 100.000 frank per dag, tot het arrest nr. 54.581 van 13 juli 1995 wordt nageleefd. 1.4. De procedure van vergunning wordt dan vanaf het begin hernomen. Alle overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken ingewonnen adviezen zijn ongunstig, met uitzondering van het advies van 10 november 1998 van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Oost-Vlaanderen. Het overeenkomstig artikel 8 van voornoemd koninklijk besluit IX-2541-3/29 van 25 september 1974 opgestelde rapport en de conclusies zijn eveneens ongunstig. Op 2 augustus 1999 brengt de vestigingscommissie een ongunstig advies uit. 1.5. Op beroep van de tussenkomende partij brengt de commissie van beroep op 24 mei 2000 een gunstig advies uit, waarvan de determinerende motieven als volgt luiden : "Wat het afstandscriterium betreft is er geen betwisting. De dichtsbijgelegen apotheek bevindt zich op 1,5 km van de geplande vestiging; Volgens de recente bevolkingscijfers telt de fusiegemeente Gavere 11.850 inwoners; De geplande officina richt zich op een deel van de inwoners in het noordelijk en het noordoostelijk gedeelte van de fusiegemeente dat een duidelijke bevolkingsexpansie vertoont en een aantal inwoners van het gehucht Makkegem en Vurste die wegens hun geografische ligging nauw aansluiten bij de gemeente Gavere. Overwegende dat de in aanmerking komende inwoners die vallen binnen de invloedssfeer van de geplande officina, als volgt dient berekend te worden : Gavere : 1.319, Baaigem 548, Dikkelvenne 79, Semmerzake 179, Vurste 657, Gehucht Makkegem 80; Overwegende dat de Commissie van Beroep, rekening houdende met de geografische inplanting van de officina en met de aangebrachte omstandige cijfergegevens oordeelt dat de geplande vestiging de behoeften van meer dan 2.500 inwoners dekt; Overwegende dat de Commissie van Beroep hierbij rekening houdt met de aantrekkingskracht van de gevestigde apotheken, zowel deze binnen de fusiegemeente Gavere als deze in de onmiddellijk nabij gelegen gemeenten;". 1.6. Op 4 juli 2000 neemt de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu het besluit waarvan thans de nietigverklaring wordt gevorderd. 2.1.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in een eerste exceptie het belang van de verzoekende partijen betwist; dat zij stelt dat de vestigingswet in de eerste plaats strekt tot het belang van de volksgezondheid, dat “aanvragers tot schorsing” dan ook “geen enkele blijkbare wettelijk voorziene zeggingskracht” hebben omtrent dit begrip, wat indirect blijkt uit het feit dat het economisch criterium uit de oorspronkelijke vestigingswet van 1970 door de Raad van State werd IX-2541-4/29 geweerd, dat vanaf de nieuwe tekst van 1974 de procedure dan ook werd aangepast en de houders van de omliggende officina’s werden geweerd uit de procedure die te hunnen opzichte wordt beperkt tot het geven van een kennisgeving van het bestaan van een aanvraag terwijl een toegestane vergunning hen zelfs niet ter kennis wordt gebracht, wat duidelijk wijst op het feit dat de wetgever het “zonder belang” beschouwt; dat de tussenkomende partij voorts opmerkt dat de verzoekende partijen enkel maar verwijzen naar het feit dat zij titularis zijn van een apotheek; 2.1.2. Overwegende dat de vaststelling dat de vestigingsregeling in de eerste plaats strekt tot het belang van de volksgezondheid niet belet dat de gevestigde apothekers die de concurrentie kunnen ondervinden van een nieuwe apotheek er belang bij hebben dat het aantal apothekers in de omgeving beperkt blijft; dat niet wordt betwist dat de verzoekende partijen uitbaters zijn van een apotheek welke gelegen is in de nabijheid van de apotheek, vergund door het bestreden besluit en dat zij concurrentie ervan zullen ondervinden; dat de exceptie niet opgaat; 2.2.1. Overwegende dat de verwerende partij de procesbevoegdheid van de derde verzoekende partij, de BVBA Apotheek VANDENDRIESSCHE in vraag stelt omdat geen beslissing om in rechte te treden, genomen door een bevoegd orgaan van de vennootschap wordt voorgelegd; 2.2.2. Overwegende dat op 16 november 2000 de statuten van de derde verzoekster evenals de beslissing van het bevoegde orgaan werden neergelegd; dat de exceptie feitelijke grondslag mist; 3.1.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van de voor het publiek opengestelde apotheken, doordat de apotheek van Françoise VAN DER HEGGEN zeer dicht aanleunt bij de apotheken van de beide verzoekende partijen, zodat het vergunnen van een bijkomende apotheek in Gavere - wijl het overeenkomstig artikel 1, § 2, vastgestelde aantal van 4 apotheken reeds werd bereikt - de IX-2541-5/29 concentratie van apotheken in Gavere in de hand werkt, terwijl de in de ingeroepen bepaling vastgestelde criteria zijn: het beperken van het aantal apotheken tot een maximum per gemeente, het voorkomen van een te grote concentratie van apotheken op een bepaalde plaats en het voorzien in de noden van een afgelegen woonkern; dat de bestreden vergunning volgens de verzoekende partijen aldus niet strookt met de wil van de wetgever die zeer nadrukkelijk de deconcentratie van het aantal apotheken nastreeft, en welke bij koninklijk besluit van 9 december 1999 nogmaals werd bevestigd en versterkt; dat, immers, ingevolge de invoeging in het koninklijk besluit van 25 september1974 van een artikel 1, § 3bis, de aanvankelijke criteria van artikel 1, § 3, werden gewijzigd voor de aanvragen na 9 december 2000, en een moratorium werd ingesteld voor aanvragen of hernieuwde aanvragen tot vergunning voor het openen van voor het publiek opengestelde apotheken gedurende de periode die ingaat op 8 december1999 en eindigt op 8 december 2009; dat volgens de verzoekende partijen de bij de bestreden vergunning toegelaten officina van Françoise VAN DER HEGGEN bovendien niet voldoet aan "de noden van een afgelegen woonkern": zij is gelegen vlak bij het centrum van Gavere op amper 1 km van de Markt alwaar de apotheek van de eerste verzoekster is gelegen; 3.1.1.2. Overwegende dat de verwerende partij vooreerst opwerpt dat het middel niet ontvankelijk is in de mate dat de schending wordt ingeroepen van een bepaling die tot gevolg heeft dat de overheid bij de beoordeling van de aanvraag voor een bijkomende apotheek ertoe gehouden is de in die bepaling opgenomen criteria in haar appreciatie en motivering te betrekken, terwijl daarbij niet tevens de schending wordt ingeroepen van de materiële of formele motiveringsplicht; dat volgens haar het in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 gaat over "criteria die er op gericht zijn een behoorlijke spreiding van de voor het publiek opengestelde apotheken te organiseren", zodat het een richtlijn betreft voor de overheid die omtrent deze criteria moet motiveren, veeleer dan een precies gedragsvoorschrift waarvan op zich de schending kan worden ingeroepen; dat zij voorts stelt dat het voormelde artikel 1 werd gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 maart 1999, waardoor het enige overblijvende criterium ten opzichte waarvan beslissingen en adviezen met betrekking tot aanvragen voor de vestiging van IX-2541-6/29 apotheken gemotiveerd moeten worden is, "het beperken van het aantal apotheken tot een maximum per gemeente, zoals bepaald in de hiernavolgende paragrafen" en dat het middel in elk geval niet gegrond is in de mate dat een schending wordt aangevoerd van de verplichting om de mate te appreciëren waarin tegemoet gekomen wordt aan de noden van een afgelegen woonkern; dat wat betreft de overige punten van het middel, de verwerende partij vaststelt dat de verzoekers voorbij gaan aan het feit dat de bestreden beslissing precies een toepassing uitmaakt van artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 hetzij een uitzondering op het in § 2 geoperationaliseerde enige geldende spreidingscriterium; 3.1.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij van haar kant betoogt dat geen rekening meer kan worden gehouden met de criteria "overconcentratie" en "noden van afgelegen woonkernen" die thans niet meer bestaan; dat wat het afstandscriterium en het aantal inwoners betreft, zij er op wijst dat het annulatiearrest nr. 54.581 van 13 juli 1995 mede gegrond was op de overweging "dat er onvoldoende appreciatie werd gegeven aan de ligging en de aantrekkingskracht van de eerste verzoekende partij" doch dat men de vraag kan stellen in hoeverre die omschrijving welke toen door de Raad gebruikt werd geen synoniem is van het begrip "overconcentratie"; dat in vroegere arresten de Raad inderdaad kwam tot het begrip overconcentratie of liever, dat er slechts tot overconcentratie besloten kon worden door geen rekening te houden met alle bestaande officina's die op de één of andere manier bijdragen tot de geneesmiddelenbevoorrading op een bepaalde plaats (arrest nr. 18.932 van 26 april 1978 inzake VANDEWEGHE); dat de tussenkomende partij daarbij aanstipt dat de bestreden beslissing en het advies dat er aanleiding toe gaf uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de bestaande officina’s, zodat men in feite hier ook tot toepassing zou kunnen komen van het principe dat vervat is in het arrest nr 22.332 van 10 juni 1982 inzake CARDOEN, en waarin gesteld werd dat, wanneer de commissie en de minister op redelijke wijze tot het besluit komen dat er 2.500 inwoners aangewezen zullen zijn op de nieuwe officina, rekening houdend met de bestaande officina's, dit niet voor kritiek vatbaar is; dat volgens de tussenkomende partij die beschouwing overigens een keerzijde heeft, omdat zo bijvoorbeeld het ook volstaat dat de commissie en de minister gemotiveerd oordelen dat de IX-2541-7/29 geneesmiddelenbevoorrading toereikend is om over te gaan tot het weigeren van een vergunning (arrest nr. 22 129 van 18 maart 1982) quod non in casu; dat wat het "dicht" of "zeer dicht aanleunen" betreft, de tussenkomende partij stelt dat de wettelijke afstand gerespecteerd is zodat dit argument van "zeer dicht" niet inroepbaar is; dat de tussenkomende partij besluit dat, overigens, wegens de speciale constellatie van de gemeente Gavere en waarbij Asper, een afgelegen gemeente over de Schelde gelegen, 2 officina's bezit voor 4.000 inwoners en de overige 7.850 op hun beurt slechts over twee als voor hen normaal te bereiken officina's beschikken, de “overconcentratie” ter plekke verre van duidelijk is en dat indien men de gemeente beschouwt deze zich enkel situeert in het afgelegen Asper; 3.1.1.4. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord hun stelling handhaven dat er terzake geen uitzondering kan worden toegestaan op de algemene beperking van het aantal apotheken per gemeente zoals bepaald in artikel 1, § 1 , 1/ en artikel 1, § 2, gelet op de duidelijke en expliciet bevestigde wil van de wetgever om het aantal apotheken te beperken en dat het verweer van de verwerende partij niet ernstig is, aangezien de schending van de materiële of formele motiveringsplicht het voorwerp uitmaakt van een ander middel; 3.1.1.5. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie nog benadrukken dat de in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 vermelde criteria dienen om de behoorlijke spreiding van de voor het publiek opengestelde apotheken te organiseren, met de duidelijke bedoeling om het aantal apotheken tot een maximum per gemeente te beperken en dat de criteria opgesomd in de paragrafen 2 en 3 van hetzelfde artikel onlosmakelijk met die doelstelling verbonden zijn; dat dus, aangezien op basis van het bevolkingscriterium bepaald in paragraaf 2 de vestiging van een apotheek aan Françoise VAN DER HEGGEN onmogelijk kon worden toegestaan, de verwerende partij enkel een beroep kon doen op de afwijkingsregel in paragraaf 3, waarin cumulatief een afstandsvereiste van ongeveer 1 km en een behoeftendekking van 2.500 inwoners gelden, doch aan die cumulatieve voorwaarden niet is voldaan en dat, door toch de vestiging toe te staan IX-2541-8/29 de verwerende partij daardoor ook de in artikel 1, § 1, vermelde beperking van nieuwe vestigingen voor apotheken geschonden heeft; 3.1.2.1. Overwegende dat het door de verzoekende partijen ingeroepen artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken tot de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 maart 1999 luidde als volgt : “Art. 1. § 1. De criteria die erop gericht zijn een behoorlijke spreiding van de voor het publiek opengestelde apotheken te organiseren zijn : 1/ het beperken van het aantal apotheken tot een maximum per gemeente, zoals bepaald in de hiernavolgende paragrafen; 2/ het voorkomen van een te grote concentratie van apotheken op een bepaalde plaats; 3/ het voorzien in de noden van afgelegen woonkernen.”; 3.1.2.2. Overwegende dat de verwerende partij ten onrechte opwerpt dat het middel onontvankelijk zou zijn in de mate dat de schending van die bepaling zou betekenen dat de overheid deze criteria in haar beoordeling had dienen te betrekken omdat de verzoekende partijen de schending van de motiveringsplicht niet aanvoeren; dat de verzoekende partijen wel uitdrukkelijk de schending van de motiveringsplicht aanvoeren in hun derde middel; 3.1.2.3. Overwegende dat de bestreden vergunning werd verleend met toepassing van artikel 1, § 3, van het voormelde koninklijk besluit van 25 september 1974, zoals het gewijzigd werd bij koninklijk besluit van 19 april 1977; dat hierin uitdrukkelijk is bepaald dat “in afwijking van § 2” een bijkomende apotheek kan worden toegestaan indien de dichtst bijgelegen apotheek zich op een bepaalde afstand van de geplande apotheek bevindt en indien deze laatste de behoeften van een minimum aantal inwoners dekt; dat hierdoor wordt afgeweken van de algemene bepaling vervat in artikel 1, § 2, hetwelk met het oog op de spreiding van de apotheken een beperkt aantal apotheken per gemeente toelaat op basis van het bevolkingscijfer van de gemeente; dat niet wordt betwist dat op basis van het IX-2541-9/29 bevolkingscriterium van artikel 1, § 2, van voornoemd koninklijk besluit een bijkomende apotheek niet kon worden vergund, en dat de vergunning werd verleend op grond van artikel 1, § 3; 3.1.2.4. Overwegende dat het bepaalde in de §§ 2 en 3 van artikel 1 de concrete toepassing vormt van de criteria vervat in artikel 1, § 1, van voornoemd koninklijk besluit; dat daarbij niet uit het oog mag worden verloren dat de criteria vermeld sub 2/ en sub 3/, te weten het voorkomen van een te grote concentratie van apotheken op een bepaalde plaats en het voorzien in de noden van afgelegen woonkernen, werden geschrapt door het koninklijk besluit van 25 maart 1999; dat de thans bestreden beslissing dateert van na het in werking treden van die laatste bepaling, welke geacht moet worden onmiddellijk van toepassing te zijn geweest op de hangende aanvragen, aangezien niet uitdrukkelijk anders bepaald is; dat verzoekende partijen zich derhalve ten onrechte beroepen op de criteria vervat in artikel 1, § 1, 2/ en 3/; dat het middel in zoverre het daarop is gesteund niet gegrond is; 3.1.2.5. Overwegende dat in de mate dat het betoog van de verzoekende partijen nog begrepen zou kunnen worden in de zin dat het enig overblijvend criterium sub artikel 1, § 1, namelijk het 1/, het beperken van het aantal apotheken tot een maximum per gemeente, meebrengt dat boven dit aantal geen nieuwe apotheek meer kan worden vergund, vastgesteld dient te worden dat het bepaalde in artikel 1, § 3, onverkort van toepassing blijft en dat de omstandigheid dat de vergunningsaanvraag niet verleend zou kunnen worden met toepassing van artikel 1, § 2 -waarvan de concrete toepassing geregeld wordt door het criterium vervat in artikel 1, § 1, 1/- de toepassing niet verhindert van het bepaalde in artikel 1, § 3; dat het moratorium waarop de verzoekende partijen eveneens steunen hoe dan ook niet dienstig wordt ingeroepen, aangezien het enkel geldt voor aanvragen vanaf 9 december 2000 en het in dezen een aanvraag betreft welke dateert van 1987; dat het eerste middel in zijn geheel niet gegrond is; IX-2541-10/29 3.2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 1, § 2 en § 3 van het genoemde koninklijk besluit van 25 september 1974; dat zij verwijzen naar het arrest nr. 54.581 van 13 juli 1995 waarbij de oorspronkelijke vergunning verleend aan de tussenkomende partij nietig werd verklaard en meer bepaald naar de overwegingen, enerzijds dat niet vastgesteld was dat er door de geplande vestiging voldaan wordt aan de noden van een afgelegen woonkern, anderzijds, dat de aantrekkingskracht van de in de omgeving bestaande apotheken door de verwerende partij niet in de appreciatie betrokken is, meer in het bijzonder dat wat de vooropgestelde vestiging van de eerste verzoekende partij - de huidige eerste verzoekster - aangaat, niet aangetoond is dat de inwoners van Gavere en Semmerzake waarop bij de vestiging door de tussenkomende partij aanspraak is gemaakt, niet of niet meer tot de normale invloedssfeer van de apotheek van de eerste verzoekende partij zouden behoren; dat zij daarna vaststellen dat in haar gunstig advies van 24 mei 2000 de commissie van beroep, “rekening houdende met de geografische inplanting van de officina en met de aangebrachte omstandige cijfergegevens”, oordeelt dat de geplande vestiging de behoeften van meer dan 2.500 inwoners dekt, dat de commissie van beroep hierbij stelt “rekening [te houden] met de aantrekkingskracht van de gevestigde apotheken, zowel deze binnen de fusiegemeente Gavere als deze in de onmiddellijke nabij gelegen gemeenten”, doch nalaat in feite aan te tonen op welke manier in concreto rekening werd gehouden met de aantrekkingskracht van de bestaande apotheken in de directe omgeving van de geplande officina; dat uit de door de commissie van beroep weergegeven omstandige cijfergegevens betreffende de inwoners die vallen binnen de invloedssfeer van de geplande officina immers blijkt dat de inwoners van Gavere in aanmerking worden genomen ten belope van 1.319, terwijl die zelfde inwoners reeds jaren binnen de invloedssfeer vallen van de bestaande apotheek van de eerste verzoekster, die gevestigd is op de Markt te Gavere; dat de verzoekende partijen vervolgen dat de inwoners van Gavere het grootste pakket vormen van de inwoners die overeenkomstig het gunstig advies van de commissie van beroep vallen binnen de invloedssfeer van de geplande officina, dat de Raad van State in zijn arrest nr. 54.581 van 13 juli 1995 expliciet als vereiste vooropstelde dat om te voldoen aan de door artikel 1, § 3, a, bepaalde criteria - de geplande officina diende te voorzien in de IX-2541-11/29 noden van een “afgelegen woonkern”- en “dat vereist is dat er een van de omliggende apotheken afgelegen woonkern bestaat, welke niet van die apotheken zal blijven afhangen eenmaal de bijkomende vestiging is vergund (...)”; dat de Raad van State derhalve als vereiste vooropstelt dat bij de beoordeling van het tweede criterium van artikel 1, § 3, a, in concreto dient te worden aangetoond dat de inwoners van Gavere en Semmerzake waarop bij de vestiging door de tussenkomende partij aanspraak is gemaakt, niet of niet meer tot de normale invloedssfeer van de apotheek van de eerste verzoekende partij zouden behoren; dat volgens hen zich derhalve de conclusie opdringt dat de commissie van beroep, en vervolgens de minister van Volksgezondheid, geen rekening hebben gehouden met de invloedssfeer van de bestaande apotheken, onder meer de apotheek van de eerste verzoekster die gevestigd is in Gavere op de Markt, dat niet is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 1, § 3, a, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, wat betreft de bepaling van de behoeften van de in aanmerking genomen inwoners en dat de bestreden vergunning de voornoemde bepaling schendt; 3.2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat ter zitting van de commissie van beroep de aanvraagster een aantal gegevens heeft toegelicht, inzonderheid de aanwezigheid van vele "publiekstrekkers" in de nabijheid van de vestigingsplaats, in detail werd aangetoond waarom men in de huidige bevolkingsconstellatie mag aannemen dat de inwoners uit dit deel van de fusiegemeente zich min of meer gelijkmatig zullen verdelen over de 3 officina 's en rekening houdend met een beschikbaar bevolkingspotentieel van 7.740, wat maakt dat er van iedere officina meer dan 2.500 inwoners zullen blijven afhangen en vervolgens ook in detail (bijna inwoner per inwoner) aangetoond wordt hoeveel inwoners uit de verscheidene deelgemeenten van Gavere - en met name uit Gavere zelf- tot de invloedssfeer van de geplande apotheek behoren; dat de commissie van beroep bij het opstellen van haar advies vanzelfsprekend gesteund heeft op deze ernstige toelichtingen, en ook uitdrukkelijk verwijst naar de geactualiseerde bevolkingstoestand van de fusiegemeente Gavere en naar een actueel situeringsplan; dat de commissie van beroep dus uitdrukkelijk de argumenten van Françoise VAN DER HEGGEN met betrekking tot de hoegrootheid van haar invloedssfeer IX-2541-12/29 onderschrijft, die overigens wordt bevestigd door de verklaringen van de verzoekende partijen, die de invloed van de apotheek van Françoise VAN DER HEGGEN op hun zaak becijferen als een "terugloop van de omzet met meer dan 35 %", wat bewijst dat de apotheek van Françoise VAN DER HEGGEN wel degelijk in de behoeften voorziet van de door haar aangegeven invloedssfeer; dat de Raad van State de vernietiging met zijn arrest nr. 54.581 van 13 juli 1995 niet gesteund heeft op een verkeerde bepaling van het aantal inwoners in de invloedssfeer (met uitzondering van de inwoners van Semmerzake, waarvoor de aantrekkingskracht van de apotheek van eerste verzoekster niet voldoende in aanmerking werd genomen), maar op een onvoldoende invulling van het criterium "afgelegen woonkern", dat nu echter niet meer kan worden toegepast; dat de verwerende partij daarbij laat opmerken dat de commissie van beroep zich uitdrukkelijk baseert op het geactualiseerd situatieplan, waaruit onder andere blijkt dat er belangrijke wijzigingen zijn aan de bereikbaarheid vanuit Semmerzake, hetgeen niet wegneemt dat nu nog slechts op een niet betwistbaar gedeelte van de inwoners van Semmerzake een beroep wordt gedaan om te zeggen dat ze tot de invloedssfeer behoren van de apotheek van Françoise VAN DER HEGGEN, namelijk amper 1/8, terwijl dat naar aanleiding van de eerste vergunningsbeslissing 1/3 was, wat door de Raad van State niet werd aanvaard wegens een gebrekkig bevonden appreciatie van de verhouding van de respectieve invloedssferen van de verschillende apothekers met betrekking tot de inwoners van Gavere en Semmerzake; dat de verwerende partij besluit dat aan al de door het arrest nr. 54.581 in aanmerking genomen bezwaren tegemoet gekomen is en dat bovendien in het algemeen alle relevante gegevens in de beoordeling van de aanvraag werden betrokken en een correcte toepassing werd gemaakt van de geldende criteria; 3.2.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij van haar kant aanvoert dat het betoog van de verzoekende partij in hoofdorde erop neer komt te stellen dat er 1.319 inwoners van Gavere ten onrechte werden gerekend tot de invloedssfeer van de vergunde officina; dat het begrip "invloedssfeer" echter in de eerste plaats de invloedssfeer is van de nieuw ontworpen officina, wat reeds benadrukt werd in diverse arresten van de Raad van State, terwijl het ook duidelijk is dat elke nieuwe IX-2541-13/29 vestiging die tot op heden is toegekend aan de invloedssfeer van bestaande officina's "knaagt", en daarbij in onderhavige zaak het verslag van de Inspectie opgesteld op verzoek van de vestigingscommissie tot het besluit komt dat er inderdaad slechts 1.077 inwoners van Gavere in de invloedssfeer liggen van de nieuwe aangevraagde vergunning; dat volgens de tussenkomende partij, zelfs indien men dit cijfer aanvaard door de Inspectie - die negatief adviseerde - aanneemt, ook dan het aantal van 2.500 inwoners bereikt wordt, wat niet verwonderlijk is wanneer men voor ogen houdt dat 7.850 inwoners zijn aangewezen op de 2 bestaande officina's; dat de tussenkomende partij dan uitgebreid de door haar gehanteerde cijfers toelicht; 3.2.1.4. Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat de verwerende partij zich stelselmatig beroept op feitelijke gegevens welke Françoise VAN DER HEGGEN zelf aan de commissie van beroep heeft voorgelegd, en zonder meer besluit dat deze éénzijdige toelichtingen van Françoise VAN DER HEGGEN aan de grondslag zouden liggen van het gunstig advies van de commissie van beroep; dat echter de éénzijdige door Françoise VAN DER HEGGEN in haar persoonlijk belang geïnterpreteerde feitelijke gegevens geen bewijskracht verkrijgen ingevolge het gunstig advies van de commissie van beroep, hetgeen de verwerende partij nochtans suggereert; dat de verzoeksters vaststellen dat het grootste aantal inwoners die zouden vallen binnen de invloedssfeer van de geplande officina, inwoners van de gemeente Gavere zijn die sinds jaren vallen onder de invloedssfeer van de bestaande apotheken van de verzoeksters, onder meer met de apotheek van de eerste en derde verzoeksters te Gavere op de Markt, zodat geen rekening werd gehouden met de invloedssfeer van deze bestaande apotheken van de verzoeksters en er derhalve niet is voldaan aan de voorwaarden zoals geformuleerd in artikel 1, §§ 2 en 3, a; 3.2.1.5. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie nog stellen dat de behoeftendekking van 2.500 inwoners in beide paragrafen van artikel 1 van het koninklijk besluit essentieel blijkt te zijn om de in artikel 1, § 1, uitgedrukte doelstelling om een behoorlijke spreiding van de voor het publiek opengestelde apotheken te organiseren, met tegelijkertijd een vastlegging van een maximum aantal apotheken per gemeente; dat zij stellen dat opdat de vestiging van IX-2541-14/29 een bijkomende apotheek kan worden toegestaan, er dus wel degelijk een realistische behoeftendekking moet bestaan voor 2.500 inwoners en zelfs na de schrapping van de principes van de concentratievoorkoming en van het voorzien in de noden van afgelegen woonkernen uit het voormelde koninklijk besluit, de vestigingstoelating enkel mag gebeuren vanuit het oogmerk om het aantal apotheken te beperken: enkel indien er daadwerkelijk aan een reële behoeftendekking kan worden voldaan, mag de toelating nog worden gegeven; dat volgens de verzoekende partijen die behoeftendekking geenszins in abstracto mag worden beoordeeld en dat het schrappen van de notie van de "afgelegen woonkern" in niets de concrete beoordelingsplicht van de behoeften heeft verminderd; dat die behoeftendekking voor 2.500 personen in artikel 1 , § 3, weliswaar niet langer hoeft te bestaan binnen een afgelegen woonkern, maar toch reëel aanwezig moet zijn en bij de beoordeling hiervan de verwerende partij nog altijd rekening moet houden met de ligging en de aantrekkingskracht van de in de omgeving bestaande apotheken, ten aanzien waarvan verzoekster VANDENDRIESSCHE zelf concrete gegevens heeft verstrekt; dat de bestreden beslissing, die voor de motivering steunt op het gunstig advies van de commissie van beroep, echter vertrekt van de feitelijke gegevens die door Françoise VAN DER HEGGEN zijn voorgelegd, op basis waarvan men tot de vaststelling komt dat de apotheek zou voorzien in een behoeftendekking van 2.862 inwoners, waaronder 1.319 inwoners van de (kern)gemeente Gavere, terwijl die laatste groep van inwoners echter sedert jaar en dag onder de invloedssfeer valt van de apotheek van eerste en derde verzoekende partij; dat de verzoekende partijen betogen dat, alhoewel sommigen misschien wel gebruik zouden kunnen maken van de apotheek VAN DER HEGGEN, geenszins aangetoond is dat bij die inwoners een behoefte bestaat om te worden bediend door een nieuwe, bijkomende apotheek: juist die behoefte is essentieel opdat een bijkomende apotheek zou kunnen worden gevestigd, bovenop het reeds toegelaten maximum aantal apotheken in de gemeente; dat volgens de verzoekende partijen er geen garantie noch aanwijzing bestaat dat alle 1.319 aangeduide inwoners van de gemeente Gavere de apotheek van eerste en derde verzoeksters links zullen laten liggen: de optelling van deze groep van inwoners bij de vaststelling van de behoeftendekking geboden door de bijkomende apotheek, houdt- in strijd met de nog altijd geldende concrete beoordelingsplicht die uit het IX-2541-15/29 arrest nr. 54.581 voortvloeit - onvoldoende rekening met de bestaande invloed van een behoeftendekking door de apotheek van eerste en derde verzoeksters; dat de commissie van beroep hieromtrent in haar advies geen enkel bewijs aanvoert , maar zich beperkt tot de eenvoudige overname van de cijfers voorgelegd door Françoise VAN DER HEGGEN; dat de overwegingen "dat de Commissie van Beroep, rekening houdende met de geografische inplanting van de officina en met de aangebrachte omstandige cijfergegevens oordeelt dat de geplande vestiging de behoeften van meer dan 2.500 inwoners dekt” en "dat de Commissie van Beroep hierbij rekening houdt met de aantrekkingskracht van de gevestigde apotheken, zowel deze binnen de fusiegemeente Gavere als deze in de onmiddellijk nabij gelegen gemeenten" niet afdoende zijn en de beslissing niet in redelijkheid ondersteunen; dat zij immers voorbij gaan aan alle eerder gegeven ongunstige adviezen en in het bijzonder aan dat van de vestigingscommissie die op 2 augustus 1999 reeds had opgemerkt dat de belangrijkste invloedssfeer gelegen is aan de linkerzijde van de gekozen vestigingsplaats, waar reeds de apotheek van eerste en derde verzoekster is gevestigd, terwijl het agrarische gebied aan de rechterzijde van de vestigingsplaats minder bevolkt is, waarop de vestigingscommissie dan ook besloot dat er slechts een invloedssfeer van ongeveer 1.600 inwoners bestaat; dat door eenvoudigweg op de cijfers van de aanvrager te vertrouwen en daarmee zonder bewijs of motivering 1.319 inwoners aan de bestaande invloedssfeer van de apotheek van de eerste en derde verzoekster te onttrekken, terwijl andere adviezen dit niet hebben aangenomen, het advies van de commissie van beroep volgens de verzoekende partijen op een kennelijk onredelijke en onzorgvuldige wijze tot stand gekomen is zodat de aangevochten beslissing door hetzelfde gebrek is aangetast; 3.2.2.1. Overwegende dat niet wordt betwist dat de bestreden vergunning niet kon worden verleend op basis van het bevolkingscriterium bedoeld in artikel 1, § 2, van het voornoemd koninklijk besluit van 25 september 1974; dat zij werd verleend op grond van artikel 1, § 3, van dat koninklijk besluit; dat de ter zake relevante bepaling ervan luidt als volgt : IX-2541-16/29 § 3. In afwijking van het bepaalde in § 2 mag de vestiging van een bijkomende apotheek worden toegestaan:

  1. a)indien de dichtstbijgelegen apotheek zich op ongeveer 1 km bevindt van de geplande apotheek en indien deze laatste de behoeften dekt van 2.500 inwoners; (...)”. Dat de bespreking van het middel dan ook beperkt dient te worden tot de aangevoerde schending van artikel 1, § 3, a); 3.2.2.2. Overwegende dat ook niet wordt betwist dat de vergunde apotheek voldeed aan het vereiste afstandscriterium van “ongeveer 1 km”; dat de verzoekende partijen daarentegen wél betwisten dat ter zake aan de vereiste behoeftendekking van 2.500 inwoners zou zijn voldaan; 3.2.2.3. Overwegende dat zoals reeds werd uitgemaakt bij de behandeling van het eerste middel, het criterium “afgelegen woonkern” gehanteerd in het arrest nr. 54.581 van 13 juli 1995 van de Raad van State nu niet meer van toepassing is, zodat de verzoekende partijen het ten onrechte inroepen; dat in zoverre zij aanvoeren dat de 1.319 inwoners van Gavere die in aanmerking werden genomen reeds jaren binnen de invloedssfeer vallen van de bestaande apotheek van eerste verzoekster en dat ook nu geen rekening werd gehouden met de invloedssfeer van de bestaande apotheken, ook dat gegeven, op zijn minst voor een groot deel, zijn relevantie heeft verloren; dat, immers, het bepaalde in § 3 van artikel 1 werd beschouwd als de concrete toepassing van de criteria vervat in artikel 1, § 1, 2/ én 3/ en ook de doelstelling van het voorkomen van een te grote concentratie van apotheken op een bepaalde plaats werd geschrapt bij koninklijk besluit van 25 maart 1999; dat de vergunningverlenende overheid thans over een ruimere beoordelingsbevoegdheid beschikt, aangezien zij enkel nog dient na te gaan of de bijkomende apotheek de behoeften zal dekken van 2.500 inwoners in het licht van de wettelijke doelstelling, namelijk, “een spreiding van de apotheken te organiseren ten einde ter bescherming van de Volksgezondheid in alle streken van het land een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening te verzekeren” zonder, zoals voorheen, IX-2541-17/29 rekening te moeten houden met de invloedssfeer van de bestaande apotheken in het licht van de criteria vermeld in artikel 1, § 1, 2/ en 3/; 3.2.2.4. Overwegende in zoverre de verzoekende partijen het bestreden besluit verwijten dat de 1.319 inwoners van Gavere die in aanmerking werden genomen “reeds jaren binnen de invloedssfeer vallen van de bestaande apotheek van eerste verzoekster, die gevestigd is op de markt te Gavere”, dat de regeling van artikel 1, § 3, die als uitzondering geldt op de algemene regeling, niet uitsluit en overigens onvermijdelijk impliceert, dat ten gevolge van de vestiging van een bijkomende apotheek de invloedssfeer van de bestaande apotheken wordt verkleind; dat daarover een andere opvatting huldigen zou betekenen dat de toepassing van artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 buiten werking wordt gesteld; 3.2.2.5. Overwegende dat de evaluatie van het potentieel cliënteel van een geplande apotheek een appreciatie in feite inhoudt en de Raad van State niet bevoegd is om zich daarbij in de plaats van de bevoegde overheid te stellen; dat hij nochtans, belast met het toezicht op de wettelijkheid van de hem voorgelegde administratieve rechtshandelingen, kan nagaan of de voor hem bestreden beslissing op vaststaande feiten is gegrond en op grond van die feiten de overheid haar beslissing in redelijkheid heeft kunnen rechtvaardigen; dat in de mate dat de verzoekers met dit onderdeel van hun middel de feitelijke appreciatie ter zake betwisten, het middel niet ontvankelijk is aangezien de Raad van State zijn beoordeling niet in de plaats kan stellen van de vergunnende overheid; dat in de mate dat dit onderdeel van het middel nog begrepen zou kunnen worden als schending van het redelijkheidsbeginsel, er nog op gewezen moet worden dat het redelijkheidsbeginsel enkel dan geschonden is wanneer het bestuur een beslissing heeft genomen die men van een normaal werkend bestuur onmogelijk kan verwachten; 3.2.2.6. Overwegende dat de commissie van beroep in haar advies stelde dat de geplande officina zich richt op een deel van de inwoners in het noordelijk en het noordoostelijk gedeelte van de fusiegemeente dat een duidelijke bevolkingsexpansie IX-2541-18/29 vertoont, en op een aantal inwoners van het gehucht Makkegem en Vurste die wegens hun geografische ligging nauw aansluiten bij de gemeente Gavere; dat de in aanmerking te nemen inwoners werden berekend als: Gavere : 1.319, Baaigem 548, Dikkelvenne 79, Semmerzake 179, Vurste 657, gehucht Makkegem 80, hetzij samen meer dan 2.500 en dat de commissie van beroep hierbij rekening hield met de aantrekkingskracht van de gevestigde apotheken, zowel die binnen de fusiegemeente Gavere als die in de onmiddellijk nabij gelegen gemeenten; dat zij zodoende rekening hield met de geografische inplanting van de apotheek, de aangebrachte bevolkingscijfers van de gemeenten en de deelgemeenten, waarvan de juistheid als dusdanig niet wordt betwist en de aantrekkingskracht van de gevestigde apotheken; dat inzonderheid wat de deelgemeente Gavere betrof de commissie van beroep van oordeel was dat het aantal inwoners waarop de vergunningaanvraagster zich beriep in haar omstandig gemotiveerde nota van 26 januari 2000, namelijk 1.319 op een totaal van 2.811 inwoners, aangenomen kon worden; dat daarmee impliciet wordt aangenomen dat de overige inwoners de aantrekkingskracht van de bestaande apotheken zullen blijven ondergaan; dat overigens de farmaceutische inspecteur, die een ongunstig advies had uitgebracht, in haar advies van 4 november 1998 meende dat voor de deelgemeente Gavere 1.071 inwoners in aanmerking konden worden genomen; dat mede in acht genomen wat hierover al reeds is gezegd, de niet gestaafde bewering van de verzoekende partijen, als zouden de voor Gavere in aanmerking genomen inwoners blijven afhangen van de bestaande apotheek dan ook niet tot het besluit leiden dat deze beoordeling de marginale toetsing niet kan doorstaan; dat het middel niet gegrond is; 3.3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel de schending aanvoeren van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij in hoofdorde betogen dat de minister haar beslissing tot het verlenen van de gevraagde vergunning louter motiveert door zich aan te sluiten bij het gunstig advies van de commissie van beroep, ofschoon de in het middel aangevoerde bepalingen haar opleggen om de beslissing tot het verlenen van de gevraagde vergunning "uitdrukkelijk" te motiveren, hetgeen uiteraard niet het geval is wanneer de minister zich beperkt tot de verwijzing IX-2541-19/29 in algemene termen naar een eerder door de commissie van beroep verleend advies, hetwelk bovendien andersluidend is dan het advies van de vestigingscommissie; dat zij ook stellen dat overeenkomstig artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 “in de akte” , met andere woorden in de beslissing van de minister tot het verlenen van de gevraagde vergunning aan Françoise VAN DER HEGGEN zelf, “de juridische feitelijke overwegingen” vermeld worden die de minister ertoe hebben gebracht de bestreden beslissing te nemen, doch dat ter zake de akte van 4 juli 2000 geen concrete “juridische feitelijke overwegingen” ter motivering van de door de minister genomen beslissing vermeldt; dat in bijkomende orde de verzoekende partijen stellen dat, zelfs indien zou worden geoordeeld dat het advies van de commissie van beroep van 24 mei 2000 geldt als motivering in de zin van de wet van 29 juli 1991, ingevolge de expliciete verwijzing ernaar in de bestreden beslissing, dan nog de bestreden beslissing de in het middel ingeroepen bepalingen schendt, aangezien de commissie van beroep nagelaten heeft om de "juridische feitelijke overwegingen" te vermelden betreffende haar oordeel dat "de geplande vestiging de behoeften van meer dan 2.500 inwoners dekt" en dat de aangewende algemene stijlformule "dat de Commissie van Beroep, rekening houdende met de geografische inplanting van de officina en met de aangebrachte omstandige cijfergegevens" geen adequate en wettelijke juridische feitelijke motivering biedt voor het oordeel van de commissie dat de geplande vestiging de vereiste behoeften zou dekken; dat volgens de verzoekende partijen zulks eveneens geldt ten aanzien van de zonder meer en niet verder ontwikkelde overweging van de commissie van beroep dat hij "hierbij rekening houdt met de aantrekkingskracht van de gevestigde apotheken, zowel binnen de fusiegemeente Gavere als deze in de onmiddellijk nabij gelegen gemeenten"; dat volgens hen de aantrekkingskracht van onder meer de apotheken van de verzoekende partijen aldus niet opgenomen wordt en deze derhalve niet in concreto werd onderzocht, zoals nochtans bevolen bij arrest van de Raad van State van 13 juli 1995; 3.3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat volgens vaste rechtspraak van de Raad van State aan de verplichting tot uitdrukkelijke motivering ook kan worden voldaan door verwijzing naar een gemotiveerd advies of voorstel, op voorwaarde én dat de genomen beslissing in overeenstemming is met dat advies IX-2541-20/29 of voorstel én dat de inhoud hiervan, door overname van het advies of het voorstel in de beslissing zelf of door voeging ervan bij de akte, aan de betrokkenen ter kennis wordt gebracht; dat te dezen het gemotiveerde advies van de commissie van beroep inderdaad is gehecht aan de bestreden beslissing, zodat aan de voorwaarden van de formele motiveringsplicht kennelijk voldaan is; dat, voorts, volgens de verwerende partij van dat advies niet ernstig beweerd kan worden dat het niet formeel gemotiveerd zou zijn: eerst wordt duidelijk het van toepassing zijnde regime afgebakend en wordt gesteld dat het een aanvraag betreft op grond van artikel 1, § 3, a), van het koninklijk besluit van 25 september 1974, zodat meteen duidelijk is dat aan twee voorwaarden moet worden voldaan, waarvan de eerste niet voor betwisting vatbaar is, vervolgens wordt het voldaan zijn van de tweede voorwaarde gemotiveerd; dat uit die motivering volgens de verwerende partij perfect kan worden opgemaakt door welke gegevens de commissie van beroep zich heeft laten beïnvloeden, welke redenen zij doorslaggevend acht om te beslissen tot het voldaan zijn van de tweede voorwaarde; dat het recente bevolkingscijfer en de gedetailleerde beschrijving van de invloedssfeer van de apotheek van Françoise VAN DER HEGGEN, zoals dit in de nota neergelegd en toegelicht ter zitting van de commissie van beroep - inderdaad "omstandig" - uiteengezet wordt, en daarbij telkens concreet wordt aangegeven welke de invloedssferen blijven van de andere aanwezige apotheken; dat dit belangrijke gegevens zijn waarover de commissie zich een geëxpliciteerd oordeel vormt, zodat haar motivering de verzoekende partijen volkomen in staat stelt te weten waarom een voor hen ongunstige beslissing werd genomen; dat de verwerende partij ook nog aanvoert dat de invloedssfeer van een apotheek een moeilijk te vatten begrip is, zodat niet verwacht kan worden dat in de beslissing zelf straat per straat geargumenteerd wordt waarom die straat tot de invloedssfeer van deze of gene apotheek zou behoren: er kan alleen grosso modo geschat worden op basis van verkeerssituaties, reliëf, aanwezigheid van publiekstrekkers (zoals scholen, supermarkten,. . . ), uitbreiding bevolking, woonuitbreidingsgebieden, . . . .; de motivering van het advies, bedoeld om de beslissing begrijpelijk te maken, in de eerste plaats voor de aanvrager van de vergunning, kan voor deze details terecht verwijzen naar stukken die tot het IX-2541-21/29 administratief dossier behoren, die haar concreet werden toegelicht op de hoorzitting en die de situatie exhaustief beschrijven; 3.3.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij eveneens betoogt dat het zich aansluiten door de minister bij de beslissing van een administratieve commissie volstaat; 3.3.1.4. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord repliceren dat het advies van de commissie van beroep bezwaarlijk kan gelden als de "motivering" van de bestreden beslissing in de zin van de wet van 29 juli 1991, aangezien dit advies geen "juridische en feitelijke overwegingen" bevat omtrent het oordeel van de commissie van beroep omtrent de behoeften van de geplande officina; dat zij zich immers beperkt tot een loutere weergave van de inwonersaantallen die naar haar oordeel binnen de invloedssfeer van de geplande officina zouden vallen, terwijl nochtans de samenstelling van deze inwonersaantallen van meet af aan het voorwerp van interpretatie, en derhalve van betwisting is geweest; dat in dat verband verzoekende partijen wijzen op de aan het advies van de commissie van beroep voorafgaande adviezen van onder meer de vestigingscommissie, die alle zonder enig onderscheid negatief waren, en die andere inwonersaantallen in aanmerking namen binnen de invloedssfeer van de geplande officina, inzonderheid het ongunstig advies van de vestigingscommissie van 2 augustus 1999, dat wat het inwonersaantal betreft, oordeelde dat het bevolkingscijfer van 2.796 inwoners dat zij vooropstelt willekeurig samengesteld is aan de hand van straten of gedeelten van straten waarop zij meent beroep te kunnen doen, dat de belangrijkste invloedssfeer die in aanmerking komt, gelegen is aan de linkerzijde van de gekozen vestigingsplaats, waar zich de apotheker van Gavere (VANDENDRIESSCHE) en te zuiden die van Dikkelvenne (DHONDT) bevindt, terwijl het rechtergedeelte agrarisch en minder bevolkt is; dat de commissie van beroep echter niet aangeeft waarom thans andere getallen in aanmerking worden genomen dan de aantallen die de vestigingscommissie in aanmerking had genomen; dat zij voorts stellen dat de overwegingen van de commissie van beroep niets meer dan stijlformules zijn in functie van de eerdere rechtspraak van de Raad van State, IX-2541-22/29 welke geen uitstaans hebben met de concrete problematiek van de concentratie van apotheken in Gavere; dat ten slotte de verzoeksters de bewering betwisten van de verwerende partij, als zou de motivering van het advies van de commissie van beroep perfect toelaten om op te maken door welke elementen de commissie zich heeft laten beïnvloeden : het advies beperkt zich immers tot de loutere mededeling dat er door F. VAN DER HEGGEN beroep werd ingesteld tegen de beslissing van de vestigingscommissie, en dat zij, bijgestaan door haar raadsman, is verschenen op de zitting van de commissie van beroep op 26 januari 2000; dat van een nota die op de zitting van de commissie van beroep door Françoise VAN DER HEGGEN “omstandig .. werd toegelicht”, geen melding wordt gemaakt; 3.3.1.5. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie benadrukken dat het afdoende karakter van de motivering het verband legt tussen de formele en de materiële motiveringsverplichting: de omvang van de motivering moet aangepast zijn aan het belang van de beslissing; dat uit de uiteenzetting bij het tweede middel reeds gebleken is dat de behoeftendekking voor 2.500 inwoners een centraal gegeven is voor de toelating tot vestiging van een apotheek en dat de motivering dat aan die voorwaarde is voldaan afdoende moet zijn; dat verzoeksters verwijzen naar de jarenlange discussie over de behoeftendekking door de bijkomende apotheek, de tegenstrijdige interpretaties hiervan, de negatieve adviezen van onder meer de vestigingscommissie, en het gebruik van andere inwonersaantallen in die adviezen, zodat volgens hen van een afdoende motivering mag worden verwacht dat zij de volledige juridische en feitelijke motieven zou vermelden waarom toch het vereiste aantal inwoners wordt bereikt, terwijl de eenvoudige overname van de cijfers van Françoise VAN DER HEGGEN, zonder motivering waarom juist die cijfers voorrang genieten boven de cijfers van de andere adviesorganen, aan de vereiste afdoende motivering niet voldoet; dat dit volgens verzoeksters des te meer klemt omdat de vestigingscommissie zelf in haar ongunstig advies van 2 augustus 1999 het door Françoise VAN DER HEGGEN voorgestelde bevolkingscijfer van 2.796 inwoners op een afdoende gemotiveerde wijze als willekeurig heeft afgedaan; IX-2541-23/29 3.3.2.1. Overwegende dat de verwerende partij terecht opmerkt dat aan de verplichting tot uitdrukkelijke motivering ook kan worden voldaan door verwijzing naar een gemotiveerd advies of voorstel, op voorwaarde én dat de genomen beslissing in overeenstemming is met dat advies of voorstel én dat de inhoud hiervan, door overname van het advies of het voorstel in de beslissing zelf of door voeging ervan bij de akte, aan de betrokkenen ter kennis wordt gebracht; dat in dezen het gemotiveerde gunstig advies van de commissie van beroep inderdaad gehecht was aan de bestreden beslissing, zodat op dit punt aan de voorwaarden van de formele motiveringsplicht voldaan is; 3.3.2.2. Overwegende dat in zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de commissie van beroep heeft nagelaten om de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden betreffende haar oordeel dat de geplande vestiging de behoeften van meer dan 2.500 inwoners dekt, inzonderheid dat zij rekening heeft gehouden met de aantrekkingskracht van de gevestigde apotheken, verwezen kan worden naar de behandeling van de vorige middelen; dat wat betreft de grief dat de commissie van beroep, door te stellen dat zij rekening heeft gehouden met de geografische inplanting van de officina en met de aangebrachte omstandige cijfergegevens, louter algemene stijlformules hanteert, vastgesteld dient te worden dat het advies verwijst naar de stukken van het dossier, “ondermeer de geactualiseerde bevolkingsstand van de fusiegemeente Gavere op 22 januari 2000 en een aan de huidige toestand beantwoordend situeringsplan”; dat dan op het stuk van de ligging en de bevolkingscijfers het advies meer bepaald vaststelt dat de geplande officina zich richt op een deel van de inwoners in het noordelijk en het noordoostelijk gedeelte van de fusiegemeente dat een duidelijke bevolkingsexpansie vertoont en een aantal inwoners van het gehucht Makkegem en Vurste die wegens hun geografische ligging nauw aansluiten bij de gemeente Gavere, waarna de in aanmerking komende inwoners van de aldus bepaalde invloedssfeer concreet vermeld worden en tot besluit gekomen wordt dat hun totaal meer dan 2.500 bedraagt; dat die motivering aldus afdoende is in de zin dat zij de bestuurden, in casu de verzoekende partijen, een zodanig inzicht verschaffen in de motieven van de beslissing dat zij met kennis van zaken kunnen oordelen of het zinvol is de beslissing aan te vechten; dat met andere woorden in het IX-2541-24/29 als motivering geldend advies van de commissie van beroep duidelijk naar voor komt dat deze de betrokken gegevens en bevolkingscijfers, ook al werden zij overgenomen uit de door de tussenkomende partij voorgelegde stukken, in aanmerking heeft genomen; dat de verzoekende partijen die gegevens zelf niet concreet op hun merites toetsen maar zich ertoe beperken vast te stellen dat de farmaceutische inspectie en vestigingscommissie - wier advies overigens is vervangen door dat van de commissie van beroep - daarover een andere mening hadden; dat de commissie van beroep geen rechtscollege is en dat artikel 97 van de Grondwet luidens hetwelk elk vonnis met redenen omkleed is, op de uitspraken van deze commissie niet van toepassing is; dat zij dus niet verplicht is op de door de partijen aangevoerde middelen te antwoorden noch hoeft te motiveren waarom zij, in tegenstelling tot het advies van de vestigingscommissie, tot een andere beoordeling kwam wat betreft het aantal inwoners dat zou aangewezen zijn op de nieuwe apotheek; dat in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen stellen, de overwegingen dat de commissie van beroep, rekening houdende met de geografische inplanting van de officina en met de aangebrachte omstandige cijfers oordeelt dat de geplande vestiging de behoeften van meer dan 2.500 inwoners dekt en dat zij hierbij rekening houdt met geplande vestigingen, dan ook niet verschijnen als stijlformules maar als een samenvattende conclusie van hetgeen voorafgaat; dat het middel niet gegrond is; 3.4.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een vierde middel de schending aanvoeren van de artikelen 4 tot en met 13 van het meergenoemde koninklijk besluit van 25 september 1974; dat zij ter staving daarvan aanvoeren dat de Raad van State bij zijn arrest nr. 54.581 van 13 juli 1995, de eerste aan F. VAN DER HEGGEN verleende vergunning heeft vernietigd, doch niet de adviezen die aan de grondslag ervan lagen, te weten het ongunstig advies van de vestigingscommissie en het gunstig advies van de commissie van beroep; dat nochtans ten gevolge van dat vernietigingsarrest de procedure tot aanvraag van een vergunning zoals bepaald in de artikelen 5 tot en met 13 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 werd herhaald; dat volgens de verzoekende partijen het irrelevant is dat de adviezen van de vestigingscommissie en de commissie van beroep gebeurlijk dienden ter motivering en/of ondersteuning van de door de Raad van State nietig IX-2541-25/29 verklaarde vergunning, aangezien de adviezen van de vestigingscommissie en de commissie van beroep autonome rechtshandelingen zijn die, behoudens nietigverklaring hun volledige gelding blijven behouden, zelfs na de nietigverklaring door de Raad van State van de beslissing die op grond van die adviezen zou zijn genomen; dat volgens de verzoekende partijen derhalve ten onrechte werd overgegaan tot het inwinnen van een nieuw advies van de vestigingscommissie enerzijds en de commissie van beroep anderzijds, alvorens een nieuwe beslissing over de aanvraag tot vergunning te nemen; 3.4.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het middel niet ontvankelijk is, vooreerst omdat het verwijt dat de verzoekers formuleren geen grief is tegen de bestreden beslissing, maar wel tegen een beslissing van 27 maart 1997 van de vestigingscommissie, dus gericht tegen een beslissing die niet wordt aangevochten, en die bovendien niet meer kan worden aangevochten, vermits de verzoekers de termijn van 60 dagen die hen daarvoor ter beschikking stond niet in acht genomen hebben; dat volgens haar het middel eveneens niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, aangezien de verzoekende partijen er geen belang bij hebben of al dan niet nieuwe adviezen werden gevraagd, integendeel, de nieuwe adviesronde, waarvan ze in kennis werden gesteld vanaf het begin, hen eigenlijk toeliet om in die procedure hun stem te laten horen, wat ze niet gedaan hebben; dat wat de grond betreft, de beslissing om nieuwe adviezen aan te vragen volgens de verwerende partij enkel kan worden begrepen in het kader van de motieven van de vernietiging door de Raad van State bij arrest nr. 54.581 van 13 juli 1995; dat, immers, om de toen in aanmerking genomen gebreken van de beslissing -onder andere onvolledige appreciatie- goed te maken, het meer dan aangewezen was om nieuwe adviezen in te winnen; 3.4.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij van haar kant betoogt dat het niet gaat om twee afzonderlijke akten, maar het advies één geheel vormt met de vergunning; dat overigens de verzoekende partijen zich niet geschaad heeft kunnen voelen door het feit dat men de hele procedure heeft overgedaan in plaats van dat de minister onmiddellijk een nieuwe beslissing heeft genomen; dat zij ook stelt dat na IX-2541-26/29 tien jaar de gegevens geactualiseerd dienden te worden, wat enkel kon middels het optreden van de commissie, aangezien de minister geen beslissing kan treffen zonder -geactualiseerd- advies; 3.4.1.4. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun repliek staande houden dat de in het kader van het koninklijk besluit van 25 september 1974 vereiste adviezen onafhankelijke administratieve rechtshandelingen zijn die, behoudens expliciete vernietiging door de bevoegde instantie, hun gelding behouden en dat de thans bestreden beslissing de resultante is van een onwettige procedure, waarbij na de nietigverklaring van de ( eerste) ministeriële vergunning van 6 juli 1989 door de Raad van State, overgegaan werd tot de “ontvankelijkverklaring” - voor de tweede maal - van de aanvraag van 7 juli 1987 van F. VAN DER HEGGEN, en waarbij nogmaals werd overgegaan tot een “procedure van onderzoek” zoals bedoeld in de artikelen 4 tot 8 van het voormeld koninklijk besluit; dat volgens hen de eventuele mogelijkheid die zij zouden hebben om op te komen tegen de beslissing van de vestigingscommissie van 27 maart 1997 in het kader van de betwisting omtrent de wettigheid van het bestreden besluit, derhalve volstrekt irrelevant is; dat zij ook menen dat de verwerende partij het verkeerd voor heeft wanneer zij stelt dat de verzoeksters er geen belang bij hebben "of er al dan niet nieuwe adviezen werden gevraagd”: de verzoeksters hebben er alleszins wel belang bij dat een bij koninklijk besluit voorgeschreven procedure correct wordt nageleefd en dat een vernietigingsarrest van de Raad van State niet automatisch aanleiding geeft tot een totaal nieuwe procedure in het kader van een nochtans ongewijzigd gebleven aanvraag; dat de grief van de verzoeksters derhalve het feit overstijgt dat er nieuwe adviezen werden aangevraagd en verkregen, vandaar dat het middel de schending vermeldt van de artikelen 4 tot en met 8 van het koninklijk besluit van 25 september 1974; 3.4.1.5. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie nog stellen dat, door nieuwe adviezen in te winnen, de verwerende partij de procedurevoorschriften miskend heeft; dat de aanvraag van F. VAN DER HEGGEN hierdoor op een voor haar meer gunstige wijze, met dubbele adviesaanvraag en IX-2541-27/29 mogelijkheid tot inbreng van nieuwe argumenten, behandeld werd, wat strijdig is met het formele gelijkheidsbeginsel hetwelk vereist dat de procedurevoorschriften op eenieder op gelijke wijze zouden worden toegepast; 3.4.2.1. Overwegende dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing ook de nietigverklaring impliceert van het gunstig advies van de commissie van beroep dat eraan voorafgaat en waarnaar de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwijst, derwijze dat het geacht moet worden de conclusie ervan over te nemen en de motieven van de bestreden beslissing te bevatten; dat overigens het advies van de commissie van beroep voorbereidend is ten aanzien van de beslissing waarbij een vergunning wordt verleend of geweigerd en het geen bestaan kan leiden onafhankelijk van die eindbeslissing; dat het advies van de vestigingscommissie hoe dan ook uit het rechtsverkeer is verdwenen aangezien het advies van de commissie van beroep in zijn plaats getreden is; 3.4.2.2. Overwegende dat ter zake de verwerende partij, gelet op het verstrijken van de lange termijn sedert de aanvraag, terecht van oordeel was dat de reacties en adviezen ingewonnen bij de verschillende betrokken partijen en overheden overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6 tot 8 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 niet langer actueel waren en dat deze met het oog op een behoorlijke voorlichting van de vergunningverlenende overheid opnieuw dienden te worden ingewonnen; dat zoals reeds meermaals vermeld, ook de reglementaire voorwaarden waaronder de betrokken apotheek kon worden vergund gewijzigd waren; 3.4.2.3. Overwegende dat de vraag of de verzoekende partijen er belang bij hebben zich te verzetten tegen het organiseren van een nieuwe adviesronde buiten beschouwing kan worden gelaten; dat het immers ook getuigt van een behoorlijk bestuur dat een vergunningverlenende overheid die - zoals in casu - verplicht is met eerbiediging van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest uitspraak te doen over de opnieuw hangende vergunningsaanvraag en die hierbij in beginsel ertoe gehouden is rekening te houden met de recentste gegevens, in het licht van die gegevens met het oog op de vrijwaring van de actuele belangen van alle betrokken IX-2541-28/29 partijen, waaronder ook de gevestigde apothekers en met het oog op een behoorlijke voorlichting van de bevoegde minister, tien jaar na de aanvraag opnieuw de wettelijk vereiste adviezen heeft ingewonnen; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1041,18 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een derde. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien oktober 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2541-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.235 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.93.547 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.