← België

Arrest 150256 - - 17/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.256 Rolnummer: A. 131247/XIV-13259 Zaak: Arrest 150256 - - 17/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-03 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 02:28 Fiche Arrest nr 150.256 van 17 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.256 van 17 oktober 2005 in de zaak A. 131.247/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat C. COESEMANS, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 24 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 augustus 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij betekend op 26 november 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 14 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 29 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-13.259-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. COESEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Angolese nationaliteit, is België binnengekomen op 12 april 1999 en heeft zich op 19 april 1999 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 7 mei 1999 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 15 september 1999 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing dat verder onderzoek noodzakelijk was. 1.
  6. Op 5 maart 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  7. Op 28 juni 2002 neemt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  8. Tegen deze beslissing stelt verzoeker op 12 augustus 2002 een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Op 27 april 2005 verwerpt de Raad van State bij arrest nr. 143.755 het door verzoeker ingestelde beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 28 juni
  9. 1.
  10. Op 18 juli 2002 dient verzoeker een aanvraag in om machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). XIV-13.259-2/5 1.
  11. Op 26 november 2002 wordt aan verzoeker bevel gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing : “(...) BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN 452/2002 In uitvoering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of van zijn gemachtigde, wordt aan XXX geboren te Fatima Huambo, op 30.08.1982 van Irak nationaliteit, het bevel gegeven om uiterlijk op 26-12-02 (datum aanduiden), het grondgebied van België te verlaten evenals het grondgebied van volgende Staten: Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Finland, IJsland, Zweden, Noorwegen en Denemarken, behalve als hij (zij) in het bezit is van de nodige documenten voor een van deze landen. REDEN VAN DE BESLISSING : Verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft. (Wet van 15 december 1980 - art. 7, alinea 1, 2/). Werd niet erkend als vluchteling. (K.B. van 8 oktober 1981 - Art. 77).”.
  12. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt : “II. MET BETREKKING TOT DE ONTVANKELIJKHEID Verzoeker vecht een uitvoeringsmaatregel aan waarvan de eventuele nietigverklaring geen gevolgen zal hebben op zijn verblijfstoestand. De hoedanigheid van vluchteling werd hem immers geweigerd door de vaste beroepscommissie voor vluchtelingen. Overeenkomstig artikel 77 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981 dient hij het grondgebied van het Rijk te verlaten. De eventueel voor de Raad van State ingediende vordering tot vernietiging, is niet schorsend. De rechtspraak is desbetreffend nationaal gelijkluidend. Considérant qu'en prenant l'ordre de quitter le territoire attaqué, la partie adverse n'a fait que tirer les conséquences d'une décision par rapport à laquelle elle ne dispose d'aucun pouvoir d'appréciation et dont elle n'a pau dès lors s'approprier les vices éventuels; que la partie adverse n'a pu, en effet, que constater que n'ayant pas été reconnu réfugié, le demandeur était en séjour illegal à laquelle il convenait de mettre fin, le recours en annulation dirigé contre la décision précitée du 12 juillet 1993 n'ayant au demeurant aucun effet suspensif. Considérant qu'il s'ensuit que l'acte attaqué est une simple mesure d'exécution, non susceptible d’être annulée; que la demande de suspension est irrecevable.(C.E. Vième ch. référés, 29 décembre 1993, A 53.528 /III-16.148/ NAKUL Chandra Banik / EB) De vordering tot schorsing ingeleid tegen het bevel het grondgebied te verlaten is niet ontvankelijk.”; 2.
  14. Overwegende dat het bestreden bevel als rechtsgrond vermeldt: artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en artikel 77 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 in uitvoering van voormelde wet; dat daarenboven het bestreden bevel steunt op de omstandigheid dat verzoeker niet werd erkend als vluchteling; dat het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 in artikel 77, eerste lid bepaalt dat "de vreemdeling die niet als vluchteling erkend is, het grondgebied (moet) verlaten"; dat het tweede lid van dit artikel uitdrukkelijk bepaalt : "de Minister of zijn gemachtigde geeft XIV-13.259-3/5 hem (vreemdeling) daartoe het bevel. Aan de vreemdeling wordt kennis gegeven van de beslissing door afgifte van het document overeenkomstig het model bijlage 13 (...)"; dat derhalve de Minister van Binnenlandse Zaken, op grond van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen en conform artikel 77 van het hogergenoemd koninklijk besluit, het bestreden bevel diende te nemen; dat op 28 juni 2002 de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ten opzichte van verzoeker de beslissing nam tot weigering van de erkenning als vluchteling; dat op 27 april 2005 de Raad van State bij arrest nr. 143.755 het door verzoeker ingestelde beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 28 juni 2002 verwierp; dat uit het voorgaande blijkt dat verzoeker geen belang heeft bij het beroep tot vernietiging van het bestreden bevel; dat, mocht er tot vernietiging van dit bevel worden overgegaan, de Minister van Binnenlandse Zaken, conform artikel 77 van het hogergenoemd koninklijk besluit, een nieuw bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten zou dienen te nemen; dat dit nieuw bevel een identieke motivering zou bevatten en met steeds hetzelfde ongunstige gevolg voor verzoeker; dat het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk is;
  15. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  16. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-13.259-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.259-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.256 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.