id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.327 Rolnummer: A. 166843/XIV-23788 Zaak: Arrest 150327 - - 18/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-20 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 02:38 Fiche Arrest nr 150.327 van 18 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.327 van 18 oktober 2005 in de zaak A. 166.843/XIV-23.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL Franklin Rooseveltlaan 156 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 14 oktober 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 oktober 2005; Gelet op de beschikking van 14 oktober 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 oktober 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat G. COOLSAET, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; XIV-23.788-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij op 1 februari 2005 België is binnengekomen met een visum, geldig tot 26 februari 2005; dat haar op 11 oktober 2005 een bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde wordt betekend; dat dit de bestreden beslissing is; 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, machtsmisbruik en machtsafwending opwerpt; dat zij aanvoert dat een motivering die inzicht kan verschaffen in de vraag of het zin heeft een beroep bij de Raad van State in te dienen ontbreekt, dat de gegeven motivering onjuist en onredelijk is, dat de verzoekende partij met een geldig visum in het land is gekomen en onmiddellijk een aanvraag “voor verblijf” heeft ingediend, dat zij met de aanvraag van 8 (lees “25") februari 2005 uitdrukkelijk een verblijfsvergun- ning heeft gevraagd voor de noodzakelijke duur van een onderzoek naar de omstandighe- den die aanleiding hebben gegeven tot de zelfmoord van haar zoon Vadislav, dat aan een persoon die tijdens zijn legaal verblijf een aanvraag voor verblijf heeft ingediend geen bevel om het land te verlaten kan worden gegeven zolang geen beslissing is genomen over de verblijfsaanvraag, dat de verwerende partij derhalve niet kan stellen dat de verzoekende partij zonder visum verblijft en dat de houding van de verwerende partij duidelijk op een doofpot-operatie wijst omdat maandenlang geen enkel onderzoek naar het overlijden van de zoon van de verzoekende partij is gevoerd, terwijl de repatriëring van de verzoekende partij amper één dag na haar opsluiting werd voorzien; 2.1.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat deze tot doel heeft dat de bestuurde in de hem aanbelangende beslissing de gronden kan terugvinden waarop die beslissing is gesteund om aldus met kennis van zaken te kunnen nagaan of het zinvol is gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarover de bestuurde in rechte beschikt; dat het motief prima facie op eenvoudige wijze in de XIV-23.788-2/4 bestreden beslissing kan worden gelezen, te weten het feit dat de verzoekende partij in het Rijk verblijft zonder houder te zijn van de vereiste documenten en dat zij niet in het bezit is van een geldig visum in haar paspoort; dat uit het middel prima facie blijkt dat de verzoekende partij dit motief kent; dat aldus prima facie aan de voornaamste doelstelling van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het middel in die mate niet ernstig is; Overwegende dat de verzoekende partij, in de mate dat zij de onjuistheid en de onredelijkheid van de motivering opwerpt, de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat de verzoekende partij niet betwist dat haar visum op het ogenblik van de bestreden beslissing niet meer geldig was; dat de brief van 25 februari 2005 van de raadsman van de verzoekende partij aan de dienst Vreemdelingenzaken prima facie niet als een ontvankelijke aanvraag om machtiging tot verblijf kan worden beschouwd, alleen al omdat het geen aanvraag via de bevoegde diplomatieke post in het land van herkomst is noch een aanvraag via de burgemeester met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat het middel prima facie feitelijke grondslag mist in de mate dat het verwijst naar een verzoek om machtiging tot verblijf waarover eerst uitspraak zou moeten worden gedaan, daargelaten de vraag of zulks afbreuk zou doen aan het motief van de bestreden beslissing; dat de verzoekende partij derhalve prima facie niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze is genomen; Overwegende dat de verzoekende partij zich met betrekking tot het voorgehouden machtsmisbruik en de machtsafwending beperkt tot beschuldigingen zonder enig begin van bewijs; dat het middel in die mate niet ernstig is;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- XIV-23.788-3/4 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-23.788-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.327 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.