← België

Arrest 150421 - - 19/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.421 Rolnummer: A. 166911/XIV-23810 Zaak: Arrest 150421 - - 19/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 02:43 Fiche Arrest nr 150.421 van 19 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.421 van 19 oktober

  1. in de zaak A. 166.911/XIV-23.
  2. In zake : XXX, alias XXX, die woonplaats kiest bij: advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ghanese nationaliteit, op 17 oktober 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 oktober 2005; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2005 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. JESPERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; XIV-23.810-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  3. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot de derde voorwaarde aanvoert dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing op zeer korte termijn een repatriëring naar Ghana tot gevolg zou hebben, dat de verzoekende partij al 14 jaar onafgebroken in België verblijft en hier ondanks alle moeilijkheden een leven heeft uitgebouwd, dat zij ernstig ziek is en bij haar huisarts en in het psychiatrisch ziekenhuis in Geel in behandeling is wegens schizofrenie en psychoses waarvoor zij permanent medicatie moet nemen, dat deze behandeling plots zou worden onderbroken zonder garantie dat zij in Ghana kan worden verdergezet, dat de verzoekende partij naar haar mening ernstig gevaar zou lopen in Ghana, dat de bestreden beslissing juridisch uiterst betwistbaar is doordat de verwerende partij door de repatriëring naar Togo, waarvan de verwerende partij wist dat het niet het land van herkomst is, een nieuwe situatie heeft gecreëerd en dat het een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is wanneer de verzoekende partij op een dergelijke betwistbare juridische grond naar Ghana zou worden teruggeleid; 1.
  5. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt - en de verzoekende partij bevestigt - dat de verzoekende partij in 1991 België is binnengekomen en zich met een voorgehouden Togolese identiteit vluchteling heeft verklaard, dat de asielprocedure werd afgesloten met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 augustus 1994, dat de verzoekende partij in 1995 door de correctionele rechtbank van Turnhout tweemaal is veroordeeld wegens zedenfeiten en daar een gevangenisstraf voor heeft ondergaan, dat zij bij haar vrijlating op 22 november 1995 een bevel om het grondgebied te verlaten heeft gekregen, dat zij in België is gebleven, dat zij in 2000 een regularisatieaanvraag overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk heeft ingediend, dat die aanvraag met een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 februari 2002 is afgewezen op grond van redenen van openbare orde en nationale veiligheid, dat die beslissing en een bevel om het grondgebied te verlaten op 11 april 2002 aan de verzoeken- de partij ter kennis zijn gebracht, dat de verzoekende partij in 2002 in een psychiatrische XIV-23.810-2/4 instelling is opgenomen, dat zij op 16 juli 2004 een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft ingediend, dat de verzoekende partij op 29 augustus 2005 in onwettig verblijf werd aangetroffen, dat zij toen nog steeds een Togolese identiteit opgaf, dat de verzoekende partij in het centrum voor illegalen in Merksplas werd opgesloten, dat haar aanvraag om machtiging tot verblijf van 16 juli 2004 op 1 september 2005 zonder voorwerp werd verklaard, dat voor de verzoekende partij een vlucht naar Togo op 13 september 2005 werd voorzien, dat de verzoekende partij zich op 13 september 2005 een tweede maal vluchteling heeft verklaard, ditmaal met een Ghanese identiteit, dat dezelfde dag een beslissing van weigering tot in overwegingname werd genomen, dat de verzoekende partij uiteindelijk op 6 oktober 2005 naar Togo werd gerepatrieerd doch dat zij aldaar door de autoriteiten werd teruggestuurd omdat zij niet van Togolese doch van Ghanese nationaliteit zou zijn; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat de verzoekende partij sedert het midden van de jaren 90 op onwettige wijze in België verblijft en herhaaldelijk bevelen om het grondgebied te verlaten heeft gekregen; dat zij uit angst na een voorgehou- den onheuse behandeling bij haar aankomst in België in 1991 een valse naam en identiteit zou hebben opgegeven doch dat zij pas 14 jaar (!) later in 2005 op de voorziene dag van haar repatriëring naar het tot dan toe voorgehouden land van herkomst (Togo) haar ware (Ghanese) nationaliteit zou hebben opgegeven; dat de verzoekende partij met die handelwijze zelf het mislukken van haar latere repatriëring heeft georganiseerd; dat de door de verzoekende partij aangehaalde nadelen van het verlies van haar bindingen in België en het mogelijkerwijze niet kunnen verderzetten van haar medische behandeling geen gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zijn, maar wel van de eigen handelwijze van de verzoekende partij, die gedurende vele jaren na de verwerping van haar eerste asielaanvraag onder een valse naam en nationaliteit een onwettig verblijf in België heeft georganiseerd en gehandhaafd, in weerwil van diverse negatieve beslissingen en bevelen om het grondgebied te verlaten; dat de verzoekende partij met de eenvoudige bewering dat zij “ernstig in gevaar” zou verkeren in Ghana geen ernstig nadeel aannemelijk maakt, a fortiori nu zij gedurende bijna 14 jaar in België geen gewag heeft gemaakt van dergelijk gevaar en ook haar asielaanvraag dienaangaande reeds is afgewezen; dat derhalve niet is voldaan aan de derde schorsingsvoorwaarde; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  6. XIV-23.810-3/4 De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien oktober tweeduizend en vijf, door : de HH C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS XIV-23.810-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.421 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.