← België

Arrest 150424 - - 19/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.424 Rolnummer: A. 166768/VII-34744 Zaak: Arrest 150424 - - 19/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-21 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 02:44 Fiche Arrest nr 150.424 van 19 oktober 2005 - Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.424 van 19 oktober 2005 in de zaak A. 166.768/VII-34.

  1. In zake : de b.v.b.a. MULTOGAS SERVICE, die woonplaats kiest bij advocaten E. DESAIR en N. JONCKHEERE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Alfred Coolstraat 2 tegen : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering, dat woonplaats kiest bij advocaten A. VANDAELE en C. WIJNANTS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. MULTOGAS SERVICE op 11 oktober 2005 heeft ingediend om de schorsing bij uiterst dringende noodzake- lijkheid te vorderen van de tenuitvoerlegging van het “besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dd. 29 september 2005, meegedeeld aan verzoekster bij aangetekend schrijven dd. 4 oktober 2005, waarbij het beroep, ingediend door verzoekster tegen de weigering door het Milieucollege tot verlenging van haar milieuvergunning klasse 1B voor de verdere exploitatie van haar benzinestation aan de Akenkaai 18 te 1000 Brussel, is verworpen , en derhalve de verlenging van de milieuvergunning met een nieuwe periode van 15 jaar is geweigerd”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 oktober 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; VII-34.744-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. JONCKHEERE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A. VANDAELE die, in eigen naam en loco advocaat C. WIJNANTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Feiten Overwegende dat de volgende feiten van belang zijn ter beoorde- ling van het voorliggend geschil : 1.
  4. De verzoekende partij exploiteert een benzinestation aan de Akenkaai 18 te 1000 Brussel. 1.
  5. De meest recente milieuvergunning voor de inrichting werd verleend bij besluit van 2 augustus 1999 van het Brussels Instituut voor Milieube- heer. Met betrekking tot de duur van die milieuvergunning wordt in artikel 2 van voormeld besluit het volgende bepaald : “§
  6. De milieuvergunning wordt toegekend voor een periode van 6 jaar. De milieuvergunning wordt toegekend voor een periode van minder dan 15 jaar omwille van de volgende redenen : - om de toekomst te vrijwaren inzake de heraanleg van de betreffen- de zone door het Gewest en de stad Brussel - omdat er geen planning is vastgelegd voor de uitvoering van de werken §
  7. Indien er geen plan en planning wordt vastgelegd voor de aanleg van de promenade op de rechteroever kan de duur van de milieuvergunning verlengd worden voor een duur van 15 jaar. De aanvraag om verlen- ging moet echter naar behoren minstens 12 maanden voor de vervalda- tum ingediend zijn, op straffe van vervallenverklaring.” 1.
  8. Op 15 juli 2003 dient de verzoekende partij een nieuwe aanvraag in voor het verder exploiteren van het benzinestation. VII-34.744-2/8 1.
  9. Bij besluit van 18 januari 2005 weigert het Brussels Instituut voor Milieubeheer de gevraagde vergunning. 1.
  10. Nadat de verzoekende partij op 3 februari 2005 telefonisch, per fax en bij aangetekend schrijven haar bezwaren tegen deze weigering kenbaar had gemaakt, wordt de voormelde beslissing op 4 februari 2005 ingetrokken. 1.
  11. Op 7 februari 2005 neemt het Brussels Instituut voor Milieubeheer een nieuwe beslissing over de ingediende vergunningsaanvraag. De verlenging van de vergunning wordt opnieuw geweigerd op grond van dezelfde motieven als deze die tot de eerste, ingetrokken, weigering hebben geleid. 1.
  12. Ook de beslissing van 7 februari 2005 wordt ingetrokken. 1.
  13. Met een aangetekend schrijven van 18 februari 2005 maant de verzoekende partij het Brussels Instituut voor Milieubeheer aan om alsnog een uitdrukkelijke beslissing over de ingediende vergunningsaanvraag te nemen. 1.
  14. Het Brussels Instituut voor Milieubeheer beslist echter niet binnen een termijn van twee maanden na het versturen van de aanmaning, zodat krachtens artikel 62, § 6, tweede lid, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, de vergunning voor het benzinestation wordt geacht te zijn verlengd voor een termijn van 15 jaar. 1.
  15. De Haven van Brussel, eigenaar van de percelen waarop de inrichting is gevestigd, en in een rechtsgeding met de verzoekende partij gewikkeld met betrekking tot het beëindigen van de concessie, stelt op 13 mei 2005 bij het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beroep in tegen de stilzwijgen- de verlenging van verzoeksters milieuvergunning. 1.
  16. Bij besluit van 26 juli 2005 verklaart het Milieucollege het ingediende beroep gegrond en weigert het de gevraagde vergunning. 1.
  17. De verzoekende partij stelt hiertegen bij de Brusselse Hoofdstede- lijke regering beroep in op 4 augustus
  18. VII-34.744-3/8 1.
  19. Met het bestreden besluit van 29 september 2005 van de Brusselse Hoofdstedelijke regering wordt dat beroep ongegrond verklaard en de gevraagde milieuvergunning geweigerd;
  20. Beoordeling 2.
  21. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  22. Overwegende, wat de hoogdringendheid en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de verwerende partij het vervuld zijn van die schorsingsvoorwaarden noch in haar nota, noch ter terechtzitting, betwist; dat de verzoekende partij op goede gronden aanvoert dat zij zonder de gevraagde schorsing al haar activiteiten moet stopzetten; dat zij bovendien een rapport van een bedrijfsre- visor neerlegt, waaruit blijkt dat dit op korte termijn, vóór het verstrijken van de duur van een gewone schorsingsprocedure, tot haar faillissement dreigt te lijden; dat aan de beide bedoelde schorsingsvoorwaarden is voldaan; 2.3.1.
  23. Overwegende dat de verzoekende partij in haar eerste middel o.m. de schending aanvoert van artikel 2 van de milieuvergunning van 2 augustus 1999, en van de formele en materiële motiveringsverplichting, en de afwezigheid van de rechtens vereiste juridische grondslag inroept ; dat zij argumenteert dat het bestreden besluit ten onrechte oordeelt dat in casu een “plan en planning” bestaat in de zin van artikel 2 van de bedoelde milieuvergunning; 2.3.1.
  24. Overwegende dat de verwerende partij betwist dat artikel 2 van de milieuvergunning is geschonden, omdat het begrip “plan en planning” als bedoeld in die bepaling correct werd geïnterpreteerd en toegepast; dat zij in hoofdzaak argumenteert dat die termen in hun spraakgebruikelijke betekenis moeten worden gebruikt, en niet als “juridisch concept” moeten worden gehanteerd, noch als bindende plannen in de zin van het Brussels wetboek van ruimtelijke ordening, vastgesteld bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 9 april 2004; dat VII-34.744-4/8 zij subsidiair stelt dat “zelfs indien de woorden ‘plan en planning’ in een juridische betekenis zouden moeten worden begrepen (quod non) (...) dergelijk plan bestaat en werd goedgekeurd”; dat zij nog meer subsidiair aanvoert dat de verzoekende partij geen subjectief recht heeft op een verlenging van haar milieuvergunning; 2.3.2.
  25. Overwegende dat de doorslaggevende motieven ten gronde die tot de bestreden weigering hebben geleid de volgende lijken te zijn : “Overwegende dat de milieuvergunning op 2 augustus 1999 werd afgeleverd in het kader van een uitbreiding van de vergunning; Overwegende dat overeenkomstig artikel 61 van de Ordonnantie van 5 juni 1997 met betrekking tot de milieuvergunningen, de vergunning voor een periode van 15 jaar afgeleverd had moeten worden, maar beperkt werd tot 6 jaar; Overwegende dat het BIM zijn beslissing om de vergunning slechts voor een duur van 6 jaar te verlenen specifiek gemotiveerd heeft met volgende redenen: ‘Overwegende dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de intentie heeft om de kanaaloevers te vergroenen; Overwegende dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest deze intentie vertaald heeft in het programma van het gebied van gewestelijk belang nr. 1; Overwegende dat het project wegens al deze redenen niet overeenkomstig is met de bestemming van de zone omdat het de voorziene heraanleg van de zone in het gedrang kan brengen; Overwegende dat er geen planning werd vastgelegd voor de uitvoering van de werken aan de rechteroever; Overwegende dat om de toekomst te vrijwaren inzake de heraanleg van de betreffende zone huidig besluit maar voor een termijn van zes jaar wordt uitgereikt;’ (zie milieuvergunning van 2 augustus 1999, nr 99/0025; blz. 4)’ Overwegende dat het feit de mogelijkheid in te voeren van een verlenging na 6 jaar indien er geen plan en planning bestaan tegemoet komt aan deze motivering; Overwegende dat duidelijk uit deze motivering blijkt dat de redenen die het BIM ertoe hebben aangezet om alinea 2 van artikel 2 in te voeren betrekking hebben op louter milieu-aspecten en stedenbouwkundige aspecten; Overwegende dat in subsidiaire titel onderzocht dient te worden of er een plan en planning bestaan in de zin van artikel 2 van de milieuvergunning; Overwegende dat de milieuvergunning van 2 augustus 1999 geen definitie geeft van wat verstaan moet worden onder plan en planning voor de inrichting van de wandeling op de rechteroever; Overwegende dat in de genoemde vergunning op geen enkele wijze gepreciseerd wordt dat deze plannen en planning bijzondere bestemmingsplan- nen dienen te zijn; Overwegende dat het daarom zaak is de woorden ‘plan’ en ‘planning’ in de gewone betekenis te beschouwen; Overwegende dat uit volgende elementen blijkt dat er een plan en planning bestaan: * Twee plannen werden verwezenlijkt en goedgekeurd met het oog op de inrichting van fase 2 van de rechteroever van het Becodok (Akenkaai) * Een stedenbouwkundige vergunning werd op 15 december 2000 afgeleverd met het oog op de herinrichting van de Akenkaai en er landschapselementen in te verwerken, er bomen te planten en bijgebouwen van de havenfunctie en van de brandstoffendistributie af te breken; VII-34.744-5/8 * het gewestelijk bestemmingsplan, goedgekeurd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 mei 2001, voorziet op kaart nr. 3 een gebied van gewestelijk belang (GGB nr. 1) voor het gebied waar de verzoekende partij zich bevindt; * het programma van het GGB nr. 1, vastgelegd door het besluit van 18 juli 2002, voorziet op de Akenkaai de verwezenlijking van een openbare ruimte voor wandelingen en vrijetijdsbesteding in verband met water; * per beheerscontract van 24 december 2002 vertrouwt het Gewest aan de Brusselse Haven de opdracht toe de herinrichting voort te zetten van het Becodok (na herinrichting van de linkeroever en fase 1 van de rechteroever); * in 1993 werd er een overeenkomst ondertekend tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Maatschappij Brusselse Haven met het oog op het voorzien van dotaties die aan de Haven toegekend zullen worden voor de uitvoering van de inrichtingen van de rechteroever, 2de fase (waarin de grond toegestaan aan Multogas); Overwegende dat de verwezenlijking van deze wandelruimte onverenigbaar is met de inplanting van een pompstation aan het eind van de wandeling op de Akenkaai; Overwegende dat uit de overeenkomst van 5 december 1996 tussen het Gewest en de Haven over de herwaardering van het Becodok duidelijk blijkt dat de rechteroever ingericht dient te worden als wandelruimte met een bestrating bestemd voor de voetgangers, een fietspad en een graslint beplant met een bomenrij; Overwegende dat deze vaststelling van onverenigbaarheid ook stoelt op de motivering die als basis heeft gediend voor de milieuvergunning van 2 augustus 1999; Overwegende dat de verlenging van de milieuvergunning rekening dient te houden met deze milieuaspecten”; 2.3.2.
  26. Overwegende dat uit de aangehaalde overwegingen uit de bestreden beslissing op het eerste gezicht moet worden afgeleid dat de verwerende partij bij het nemen van die beslissing de initiële vergunning van 2 augustus 1999 heeft beschouwd als een rechtsnorm waaraan de gevraagde verlenging moest worden getoetst, en die verlenging heeft geweigerd wegens vermeende strijdigheid met artikel 2 daarvan; Overwegende dat de vergunning van 2 augustus 1999 evenwel een louter individuele beslissing is, net zoals de hier bestreden beslissing, en geen hogere rechtskracht dan de laatst bedoelde beslissing lijkt te hebben; dat die vergunning zich bovendien alleen vermocht uit te spreken over de toentertijd ingediende aanvraag, en niet over eventuele toekomstige aanvragen, en derhalve op het eerste gezicht geen voorwaarden kon stellen voor het inwilligen van toekomstige aanvragen, bijvoorbeeld tot verlenging van de vergunning, noch een oordeel kon inhouden over toekomstige aanvragen; dat de kwestieuze aanvraag derhalve niet kon worden afgewezen louter op grond van strijdigheid ervan met artikel 2 van de vergunning van 2 augustus 1999; dat die aanvraag moest zijn onderzocht uit het oogpunt van de verenigbaarheid ervan VII-34.744-6/8 met de doelstellingen vermeld in artikel 2 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, en ook moest worden getoetst aan rechtsnormen met een hogere rechtskracht; dat de bestreden beslissing er daarentegen is van uit gegaan dat de gevraagde verlenging van de vergunning alleen kon worden toegestaan mits verenigbaar te zijn met het bepaalde in artikel 2, § 2, van de vergunning van 2 augustus 1999, en de aanvraag alleen lijkt te hebben onderzocht vanuit dat oogpunt; dat het bijgevolg zonder belang is of de verwerende partij al dan niet op correcte wijze tot een negatieve beoordeling van die verenigbaarheid is gekomen; dat de motivering van de verwerende partij in haar subsidiaire argumentatie niet in de plaats kan gesteld worden van de motieven die blijken uit de formele motivering van de bestreden beslissing; dat het feit dat de verzoekende partij inderdaad geen subjectief recht heeft op een vergunning er uiteraard niet aan in de weg staat dat de bestreden beslissing moet steunen op rechtens aanvaardbare motieven; dat het middel in die mate ernstig is; 2.
  27. Overwegende dat is voldaan aan alle krachtens artikel17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste voorwaarden opdat de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit zou kunnen worden bevolen, BESLUIT: Artikel
  28. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van 29 september 2005 van de Brusselse Hoofdstedelijke regering, waarbij het beroep van de b.v.b.a. MULTOGAS SERVICE tegen het besluit van het Milieucollege van 26 juli 2005 tot weigering van de verlenging van haar milieuvergunning klasse 1B voor de verdere exploitatie van haar benzinestation aan de Akenkaai 18 te 1000 Brussel, wordt verworpen en de gevraagde verlenging wordt geweigerd. VII-34.744-7/8 Artikel
  29. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel
  30. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien oktober tweeduizend en vijf, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-34.744-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.424 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.595 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.