id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.444 Rolnummer: A. 80558/VII-17221 Zaak: Arrest 150444 - - 20/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-04 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 02:44 Fiche Arrest nr 150.444 van 20 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.444 van 20 oktober 2005 in de zaak A. 80.558/VII-17.
- In zake : de b.v.b.a. SEIFAR, die woonplaats kiest bij Advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57 tegen : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij Advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
- verzoeker in tussenkomst : Etienne WESTELINCK, die woonplaats kiest bij Advocaat J. HEYVAERT, kantoor houdende te DENDERMONDE, Gentsesteenweg 108-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. SEIFAR op 5 oktober 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van : "
- De beslissing BOA-S/O-PV-98\43992 van 6 augustus 1998 van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest houdende uitspraak artikel 31, §2 van het bodemsaneringsdecreet (Dossiernummer 6023).
- De aanmaning BOA-S/O-PV-98\43647 van 26 juni 1998 tot beschrijvend bodemonderzoek"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; VII-17.221-1/5 Gelet op de beschikking van 15 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 8 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. RENTMEESTERS die, loco Advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat K. VANBINST die, loco Advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij exploiteert van midden 1993 tot eind augustus 1997 een zeepziederij in een gebouw aan de Zandstraat 117 in Dendermonde, dat werd gehuurd van 1 juli 1993 tot 30 juni
- Vanaf 1 september 1997 worden de activiteiten elders verdergezet. 1.
- Naar aanleiding van het stopzetten van de activiteiten in Dendermonde bezorgt de verzoekende partij met een brief van 16 februari 1998 aan de OVAM een oriënterend bodemonderzoek. Volgens het onderzoek is de grond aangetast door een historische verontreiniging, en dient het perceel opgenomen in het register van verontreinigde gronden. VII-17.221-2/5 1.
- Met een brief van 22 april 1998 maant de OVAM de verzoekende partij aan, bij toepassing van artikel 39, §3, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (bodemsaneringsdecreet), om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren, omdat zij van oordeel is dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt. 1.
- De verzoekende partij laat weten dat de beëindiging van de huurovereenkomst gezien de korte duur ervan niet kan worden beschouwd als een overdracht in de zin van de artikelen 2, 18/ en 36 en volgende van het bodemsaneringsdecreet. Verder beroept ze zich op het zogenaamde statuut van onschuldig bezitter zoals vastgelegd in artikel 31, § 2, van het bodemsaneringsdecreet. 1.
- Met een brief van 26 juni 1998 bezorgt de OVAM een nieuwe aanmaning om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren, ditmaal op grond van artikel 44 van het bodemsaneringsdecreet. Dit is de tweede bestreden beslissing. 1.
- Opnieuw beroept de verzoekende partij zich op het zogenaamde statuut van onschuldig bezitter. 1.
- Met een brief van 16 augustus 1998 laat de OVAM weten van oordeel te zijn dat de verzoekende partij niet aantoont te voldoen aan de voorwaarden van artikel 31, § 2, van het bodemsaneringsdecreet, zodat zij dient in te gaan op de eerdere aanmaning om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren. Dit is de eerste bestreden beslissing. De brief vermeldt dat tegen deze beslissing beroep kan worden ingediend bij de Raad van State;
- De ontvankelijkheid van het beroep Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord doet gelden wat volgt : "Voorzover Uw Raad zou aannemen dat het middels artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet ingesteld georganiseerd administratief beroep bij de Vlaamse regering (zie ook de artikelen 36 en 37 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996) ook de OVAM-beslissingen genomen ex artikel 44 juncto 39 van datzelfde decreet zou betreffen, is het huidige annulatieberoep bij VII-17.221-3/5 Uw Raad, zonder dat voorafgaandelijk het gezegde georganiseerd administratief beroep werd ingesteld en beoordeeld, onontvankelijk"; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord daarop als volgt reageert : "Voornoemd georganiseerd beroep bij de Vlaamse Regering staat volgens voornoemde bepalingen enkel open tegen beslissingen van de OVAM in verband met : 1/ het opstellen van een bodemsaneringsproject; 2/ de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek; 3/ de uitvoering van bodemsaneringswerken. Hoezeer ook de rechtsleer pleit voor een ruime interpretatie van artikel 23 BSD, zoals het voornoemd artikel thans is geredigeerd (en ongewijzigd gelaten bij de recentste wijziging van het BSD), laat het niet toe een beslissing omtrent het Er weze trouwens op gewezen dat verwerende partij de stelling van verzoekende partij bijtreedt, waar zij zelf in de beslissing van 6 augustus 1998 (stuk 17) enkel verwijst naar de mogelijkheid van een procedure voor de Raad van State"; Overwegende dat artikel 23, §1, van het bodemsaneringsdecreet bepaalt wat volgt : "Behalve in de gevallen waarvoor de beroepsprocedure is geregeld in artikel 18 van dit decreet, kunnen alle belanghebbenden tegen beslissingen van OVAM in verband met het opstellen van een bodemsaneringsproject en in verband met de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek en van bodemsaneringswerken, beroep aantekenen bij de Vlaamse regering. (...)"; Overwegende dat de bestreden beslissingen een aanmaning aan de verwerende partij inhouden om tot de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek over te gaan; dat een dergelijke beslissing als een beslissing "in verband met de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek" aan te merken is; dat het gegeven dat de reden van de verplichting om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren is dat de verzoekende partij niet voldoet aan artikel 31, § 2, van het bodemsaneringsdecreet, daaraan geen afbreuk doet; dat de onderhavige beslissingen niet vallen onder artikel 18 van het bodemsaneringsdecreet, dat betrekking heeft op de conformverklaring van het bodemsaneringsproject; dat dienvolgens tegen de bestreden beslissingen nog een georganiseerd administratief beroep bij de Vlaamse regering openstond; dat het annulatieberoep onontvankelijk is; dat het verkeerd informeren vanwege de verwerende partij aangaande de beroepsmogelijkheid geen weerslag heeft op de ontvankelijkheid van het beroep, VII-17.221-4/5 maar wel op de tenlastelegging van de kosten ervan; dat de kosten door de verwerende partij moeten worden gedragen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het verzoek tot tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de verzoeker in tussenkomst. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.221-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.444 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.