id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.464 Rolnummer: A. 112291/XIV-7134 Zaak: Arrest 150464 - - 20/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 02:51 Fiche Arrest nr 150.464 van 20 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.464 van 20 oktober 2005 in de zaak A. 112.291/XIV-7.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat L. CRAPS, kantoor houdende te 3920 LOMMEL, Emmersstraat 3 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 10 februari 1972 en van Belarussische nationaliteit, en XXX geboren op 21 januari 1968 en van Oekraïense nationaliteit, op 25 oktober 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 september 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op dezelfde dag ; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 3 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; XIV-7.134-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 september 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. SCHIPPERS die, loco Advocaat L. CRAPS, verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché E. VISSERS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat G. COOLSAET die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De eerste verzoekende partij komt België binnen op 26 oktober 1999 en verklaart zich vluchteling op 27 oktober
- De tweede verzoekende partij komt België binnen op 15 januari 2000 en verklaart zich vluchteling op 17 januari
- 1.
- Op 4 juli 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 26 september 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten aanzien van de eerste verzoekende partij en die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze XIV-7.134-2/7 beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart voor het Commissariaat-generaal Belarussisch staatsburger te zijn. U verliet uw land van herkomst op 22 oktober 1999 en reisde naar België, waar u op 25 oktober 1999 arriveerde en op 27 oktober 1999 asiel aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U beschikt niet over een geldig internationaal identiteitsdocument. Op 15 januari 2000 arriveerde uw echtgenote XXX met haar minderjarige zoon eveneens in België. Zij vroeg asiel aan op 17 januari
- Volgens uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal was u sinds 2 maart 1999 lid van de “Partij van de Nieuwe Witrussen” te Bobrusk, waarvan u een lidkaart voorlegt. Deze partij leunde aan bij de oppositiepartij ‘Belaruski Narodni Front (BNF)’ en verzette zich tegen de dictatuur van president Lukashenko. Uw taak bestond erin propaganda te voeren en deel te nemen aan manifestaties. De partij viel, nog voor uw vertrek in 1999, uiteen. Op 20 feburari (februari) 1999 nam u deel aan een manifestatie te Bobrusk waar u leuzen riep tegen president Lukashenko. Aan de manifestatie namen leden van uw partij en van het BNF deel. U werd opgepakt en weggevoerd naar de isolatiecel van de politie, waar u tot de avond verbleef. U werd vrijgelaten na beschuldigd te zijn van hooliganisme en tegen betaling van een boete. Op 25 april 1999 nam u opnieuw deel aan een manifestatie, ditmaal zonder problemen. Op 27 april 1999 distribueerde u pamfletten in appartementen waarbij uw partijgenoot Igor Panasuk werd opgepakt. Op 28 april 1999 leverde een politieagent bij u thuis een convocatie af, met het bevel u te presenteren bij de onderzoeksrechter op 29 april 1999, wat u ook deed. De onderzoeks- rechter hoorde u uit over de partij en vroeg of u Igor Panasuk kende. U zei hem niets van de partij of van Panasuk af te weten en ondertekende daartoe een verklaring. U vermoedt dat Panasuk uw naam genoemd heeft. Op 3 mei 1999 voerden drie agenten een huiszoeking uit bij u thuis, waarbij ze pamfletten in verband met een machtsovername vonden. De volgende dag ontving u opnieuw een convocatie van het parket, waar u zich presenteerde op 6 mei
- Bij de ondervraging ontkende u niet langer lid te zijn van de partij, gezien de bewijzen tegen u. U werd tijdens het verhoor geslagen, met een gebroken kaak als gevolg. Na uw vrijlating ’s avonds ging u meteen naar het ziekenhuis, alvorens naar huis te gaan. Vervolgens ontving u andermaal een convocatie, en presenteerde u zich op 11 mei 1999 bij het parket. Daar werd u beschuldigd op basis van artikel 61.1 (machtsovername), artikel 67 (distributie van informatie tegen de president) en artikel 69 (deelname aan manifestaties). Verder ondertekende u een verklaring de stad niet te verlaten en ontving u een convocatie voor de volgende dag, 12 mei
- Op deze convocatie bent u echter niet ingegaan, maar besloot u in te trekken bij vrienden. Uw echtgenote vertrok in augustus 1999 naar Oekraïne. Tijdens uw verblijf bij uw vriend contacteerde u een advocaat die het parket aanschreef. Het parket antwoordde echter dat de zaak niet kon geseponeerd worden en dat een onderzoek zou volgen. U verbleef bij uw vrienden tot u op 22 oktober 1999 naar België vertrok. Na uw vertrek zou u gezocht geweest zijn op uw oud adres. Vooreerst dient te worden gesteld dat uw problemen die er u toe aanzetten uw land te ontvluchten, allen het gevolg zijn van uw politiek engagement. U verklaart namelijk lid te zijn van de “Partij van de Nieuwe Witrussen’, een afdeling van de partij ‘Belaruski Narodni Front (BNF)’ te Bobrusk, en legt hiervan een lidkaart voor. Als actief lid van deze oppositiepartij nam u deel aan betogingen (20 februari 1999, 25 april 1999) en verspreidde u propagandapamfletten (27 april 1999). Door deze activiteiten kwam u in aanvaring met de politie en werd u verscheidene malen opgepakt en verhoord. Bovendien werd u zelfs beschuldigd van medeplichtigheid bij de voorbereiding van een staatsgreep. Echter, op basis van informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat er geen enkel spoor is terug te vinden van de “Partij van de Nieuwe Witrussen” te Bobrusk. Ook BNF-afgevaardigden te Bobrusk verklaarden nog nooit van deze partij te hebben gehoord. Dit is des te eigenaardiger, daar u beweert dat de “Partij van Nieuwe Witrussen” in feite de “onafhankelijke jongerenafdeling, een onderdeel van het BNF” is (zie verhoorverslag DVZ, verhoorverslag CGVS p.5). Bijgevolg kan worden aangenomen dat de partij waarvan u beweert lid te zijn, toch gekend moet zijn bij het BNF te Bobrusk. Uit voorgaande vaststellingen blijkt dat geen enkel geloof meer kan gehecht worden aan uw beweerde problemen, gezien die allen stoelen op uw vermeend lidmaatschap, waaraan kan getwijfeld worden. Dit ondermijnt uw asielrelaas op fundamentele wijze. Gelet op het voorgaande kan geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De documenten (lidkaart “Partij van de Nieuwe Witrussen”, medisch attest, drie convocaties -6/5/99, 12/5/99, 13/5/99- huwelijksakte, geboorteakte, geboorteakte zoon, rijbewijs, attest middelbaar onderwijs, lidkaart Komsomol) die u voorlegt ter staving van uw asielrelaas wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. (...).”. XIV-7.134-3/7 De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten aanzien van de tweede verzoekende partij en die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart voor het Commissariaat-generaal Oekraïns staatsburger te zijn. U beschikte over een verblijfsvergunning voor Belarus en verliet dit land in augustus
- Vanuit Oekraïne reisde u met uw minderjarige zoon op 13 januari 2000 naar België, waar u uw echtgenoot - XXX- vervoegde die op 27 oktober 1999 in België asiel aanvroeg. Op 17 januari 2000 diende u een asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten. U beschikt niet over een geldig internationaal identiteitsdocument. Volgens uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal verliet u uw land van herkomst omwille van de problemen van uw echtgenoot die veroorzaakt werden door zijn politiek engagement. Op 20 februari 1999 nam uw echtgenoot deel aan een manifestatie waarbij hij werd opgepakt en na het betalen van een boete werd vrijgelaten. Op 2 maart 1999 werd hij lid van de “Partij van Nieuwe Witrussen” te Bobrusk. Toen u na een verblijf in Oekraïne thuiskwam vertelde uw man dat hij op 25 april 1999 had deelgenomen aan een manifestatie, evenwel zonder problemen. Op 27 april 1999 werd Igor Panasuk, een partijgenoot van uw man, opgepakt terwijl hij pamfletten distribueerde. U vermoedt dat hij uw man verraden heeft. Op 28 april 1999 ontving uw echtgenoot een convocatie voor 29 april 1999, waar hij op inging. Hij werd er ondervraagd over zijn lidmaatschap van de “Partij van Nieuwe Witrussen”, maar liet niets los. Op 3 mei 1999 vond bij jullie thuis een huiszoeking plaats waarbij pamfletten in beslag werden genomen. Op 6 mei 1999 presenteerde uw man zich opnieuw bij de politie, na te zijn geconvoceerd. Hij werd er geconfronteerd met de pamfletten die een staatsgreep aankondigden, maar beweerde dat ze niet van hem waren. Tijdens zijn ondervraging werd hij geslagen waardoor zijn oogkas gebroken werd. Nadat hij ’s avonds werd vrijgelaten begaf hij zich meteen naar het hospitaal ter verzorging, alvorens naar huis terug te keren. Op 12 mei 1999 ontving uw echtgenoot een derde convocatie. Tijdens het onderhoud werd hem gezegd dat er reeds een onderzoek liep en diende hij een document te tekenen waarin gesteld werd dat hij de stad niet mocht verlaten. Daarenboven ontving hij andermaal een convocatie om zich op 13 mei 1999 te presenteren. Uw echtgenoot besloot echter niet op deze oproep in te gaan en jullie trokken in bij een vriend van hem. Vandaar contacteerde uw man een advocaat die het parket aanschreef met de vraag de zaak te seponeren. Op 25 mei 1999 kreeg u het bericht dat dit niet mogelijk was. Op 26 augustus 1999 vertrok u naar Oekraïne, waar u tot uw vertrek naar België in januari 2000, verbleef. Uit uw verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door uw echtgenoot ter staving van zijn asielrelaas. Wat betreft het door hem ingestelde beroep werd een bevestigende beslissing van weigering tot verblijf genomen op basis van bedrieglijkheid. Derhalve dient ook voor u een bevestigende beslissing van weigering tot verblijf te worden genomen. Gelet op het voorgaande kan geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De documenten (huwelijksakte, geboorteakte, geboorteakte zoon, werkboekje, verblijfsvergunning voor Belarus) die u voorlegt ter staving van uw asielrelaas wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. (...).”.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt omdat het verzoekschrift tot schorsing geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantoont; XIV-7.134-4/7 Overwegende dat het niet vereist is hierover uitspraak te doen, aangezien artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt toegepast en de zaak ten gronde wordt behandeld; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt beslecht;
- Overwegende dat verzoekers in een enig middel de schending aanvoeren van de artikelen 48 en 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet) alsook de schending van de “rechten van verdediging”; 3.
- Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet zich beperkt tot het poneren van een algemeen recht om als vluchteling te worden erkend indien de kandidaat-vluchteling voldoet aan bepaalde voorwaarden; dat verzoekers zich vluchteling hebben verklaard of een aanvraag hebben ingediend om als dusdanig te worden erkend; dat met toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet verzoekers asielaanvragen onontvankelijk werden verklaard en zij bijgevolg niet werden erkend als vluchteling; dat de schending van artikel 48 en 49 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden ingeroepen; 3.
- Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de Commissaris-generaal de rechten van verdediging schendt doordat hij gebruik maakt van eenzijdige informatie waarvan hij bovendien de bron niet in de eerste bestreden beslissing heeft vermeld; dat verzoekers bovendien betogen dat de Commissaris-generaal op grond van die informatie concludeerde dat de “Partij van de Nieuwe Witrussen” niet bestaat en zodoende de bewijskracht van de door verzoekers voorgelegde documenten en stukken miskent; Overwegende dat het dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort toepassing vinden; Overwegende dat, wanneer verzoekers betogen dat in de eerste bestreden beslissing de bronvermelding ontbreekt, uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal deze informatie bij het dossier heeft gevoegd; dat verzoekers inzage hadden kunnen vragen in hun dossier en zo de bron konden nagaan; dat verzoekers en hun Advocaat het rechtsplegingsdossier en het administratief dossier ter griffie van de Raad van State konden inkijken; dat dit expliciet werd meegedeeld in de beschikking tot vaststelling d.d. 12 juli 2005; dat de door de Commissaris-generaal aangewende informatie op onafhankelijke en zorgvuldige wijze is samengesteld; dat verzoekers enkel verwijzen naar recente officiële rapporten, verslagen en studies over de algemene toestand in Wit-Rusland XIV-7.134-5/7 op het vlak van politieke vrijheid en vrijheid van meningsuiting en geen concrete elementen aanhalen die het bestaan van de partij bewijzen en bijgevolg de informatie, waarvan de Commissaris-generaal gebruik heeft gemaakt, ontkrachten; Overwegende dat, wanneer verzoekers in hun verzoekschrift de feiten herhalen die zij tijdens de verschillende verklaringen naar aanleiding van hun asielaanvragen hebben uiteengezet, zij in wezen aan de Raad van State vragen deze opnieuw te beoordelen; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan wettig tot haar besluit is kunnen komen; dat verzoekers niet met concrete elementen aantonen dat de beslissing van de Commissaris- generaal onwettig is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. XIV-7.134-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-7.134-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.464 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.