← België

Arrest 150497 - - 20/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.497 Rolnummer: A. 166728/XII-4550 Zaak: Arrest 150497 - - 20/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 02:57 Fiche Arrest nr 150.497 van 20 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.497 van 20 oktober 2005 in de zaak A. 166.728/XII-

  1. In zake : de VZW GEDILO-IK, die woonplaats kiest bij advocaten K. Caers, W. Mertens en A. Beelen, kantoor houdende te Beringen, Scheigoorstraat 5 tegen : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN WAREGEM. tussenkomende partij : de VZW IDEWE, die woonplaats kiest bij advocaten K. Geelen en K. Wauters, kantoor houdende te Hasselt, Gouverneur Roppesingel
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de VEW Gedilo-Ik op 11 oktober 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “het besluit van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van het OCMW te Waregem d.d. 26.09.2005, waarbij de opdracht tot het uitvoeren van de wettelijke taken als Externe Dienst voor Preventie en Bescherming wordt toevertrouwd aan Idewe vzw uit de Westlaan 468 te 8800 Roeselare, overeenkomstig de bepalingen van het desbetreffende bestek en diens aanbod”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 oktober 2005, om 10.30 uur; XII-4550-1/4 Gezien het op 17 oktober 2005 ingediende verzoekschrift waarbij de VZW Idewe vraagt in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij voordeel blijkt te halen uit de bestreden beslissing en erbij belang heeft dat de vordering wordt afgewezen; dat haar verzoek dienvolgens moet worden ingewilligd; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Beelen, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat K. Wauters, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. Haesbrouck; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de eerste en de derde in het voornoemde artikel 17 vermelde voorwaarden betreft, dat de verzoekende partij zich inzake het nadeel in wezen beroept op de mogelijkheid om zelf de in het geding zijnde opdracht te kunnen uitvoeren, die zij door de gevraagde schorsing wil vrijwaren; dat zij immers verwijst naar de “belangrijke prestige- en referentiewaarde” van de opdracht; dat zij voorts haar keuze voor de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid motiveert door naar haar diligent optreden te verwijzen en naar het feit dat “de beslissing nog niet werd betekend” en dat “daarmee zou worden gewacht tot na de afloop van onderhavige procedure”; XII-4550-2/4 Overwegende dat de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid in haar huidige regeling, zoals de Raad van State reeds uitvoerig heeft vastgesteld onder meer in zijn arrest NV Laboratoria Van Vooren, nr. 127.069 van 13 januari 2004, niet geschikt is om de gewone procedure te zijn die de beoogde rechtsbescherming kan bieden in het domein van de overheidsopdrachten; dat die procedure uitzonderlijk dient te blijven en slechts mag worden aangewend in de gevallen waarin de wet deze uitdrukkelijk voorschrijft zoals in artikel 21bis van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, en daarnaast in de enkele gevallen dat een gewone vordering tot schorsing te laat zou komen om het nadeel te weren; Overwegende dat te dezen de verzoekende partij gewag maakt van een bevestiging door een vertegenwoordiger van de verwerende partij dat met de betekening van de toewijzingsbeslissing zou worden gewacht “tot na afloop van de huidige procedure”; dat in een brief van 7 oktober 2005 de verwerende partij aan de raadslieden van de verzoekende partij meedeelt dat die betekening niet lang kan worden uitgesteld “teneinde tegen begin 2006 [haar] wettelijke verplichtingen te kunnen nakomen op het vlak van medisch toezicht”; dat voorts uit de bestreden beslissing blijkt dat de beoogde overeenkomst een aanvang neemt op 1 januari 2006; Overwegende dat de partijen voor de Raad van State niet zelf -omzeggens bij overeenkomst- de te volgen procedure mogen kiezen; dat die procedure door de betrokken regelgeving wordt bepaald; dat te dezen, gelet op de ingangsdatum van de overeenkomst, namelijk 1 januari 2006, en de principiële bereidheid van de verwerende partij om met betekening te wachten tot de huidige procedure bij de Raad van State is beslecht, er geen reden is om aan te nemen dat zij niet ook zou wachten op de afloop van de gewone schorsingsprocedure bij de Raad van State, waarvan kan worden verwacht dat zij door de verzoekende partij onmiddellijk kan en zal worden ingesteld en dat zij haar afloop zal kennen vóór 1 januari 2006; dat een betekening tijdens die procedure zelfs strijdig zou lijken met wat van een zorgvuldig handelend bestuur mag worden verwacht; dat aldus niet blijkt dat de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen om het aangevoerde nadeel te weren; dat niet is voldaan aan de eerste van de door artikel 17 gestelde voorwaarden, XII-4550-3/4 BESLUIT: Artikel
  3. Het verzoek tot tussenkomst van de VZW Idewe in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
  4. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober 2005, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4550-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.497 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.660 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.789 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.