id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.504 Rolnummer: A. 166983/XIV-23820 Zaak: Arrest 150504 - - 20/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-24 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 02:59 Fiche Arrest nr 150.504 van 20 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.504 van 20 oktober 2005 in de zaak A. 166.983/XIV-23.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. WAUTERS, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 27 februari 1969 en van Albanese nationaliteit, op 20 oktober 2005 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 oktober 2005 om het grondgebied van het Rijk te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op donderdag 20 oktober 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. WAUTERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XIV-23.820-1/5
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
- Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit de brief van 20 oktober 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de eventuele repatriëring van verzoeker met bestemming Tirana voorzien is op donderdag 20 oktober 2005 om 20.20 uur; dat verzoeker zijn verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid per fax heeft ingediend op donderdag 20 oktober 2005 om 00.43 uur; dat hij bijgevolg alert en diligent heeft gehandeld en dat is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2; 1.
- Overwegende dat het bestreden bevel van 19 oktober 2005 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken steunt op de niet-naleving door verzoeker van artikel 7, eerste lid, 1/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), met name omdat verzoeker niet in het bezit is van een geldig paspoort voorzien van een geldig visum; dat ter openbare zitting van 20 oktober 2005 deze rechtsgrond niet wordt betwist; Overwegende dat verzoeker, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, tegen voornoemd bevel een enig middel aanvoert gebaseerd op de schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.) (eerste onderdeel), van de formele en materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel (tweede onderdeel); Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat in het kader van de asielaanvraag van verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 16 mei 2001 een beslissing heeft genomen waardoor de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond werd verklaard en zodoende de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 oktober 1999 werd bevestigd; Overwegende dat voornoemde beslissing van de Commissaris-generaal, de volgende vermelding inhoudt: XIV-23.820-2/5 “Behoudens andersluidende onderrichting van de bevoegde Minister of van diens gemachtigde is, overeenkomstig art. 17, par. 2, al. 2, van het Koninklijk Besluit van 19 mei 1993, de termijn om het grondgebied te verlaten deze bepaald in de aangevochten beslissing, te weten 5 dagen ingaand op de datum van de betekening van onderhavige bevestigende beslissing.”; Overwegende dat verzoeker bijgevolg, op basis van deze beslissing, die uitvoerbaar is en inmiddels definitief is geworden, het land dient te verlaten, vermits hij vanaf 23 mei 2001 onwettig op het Belgisch grondgebied verblijft; Overwegende dat verzoeker bijgevolg op het eerste gezicht niet getuigt van het rechtens vereiste actueel belang om het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 19 oktober 2005 aan te vechten, omdat de eventuele schorsing ervan, zijn feitelijke verblijfstoestand niet wijzigt, temeer daar de procedure door verzoeker ingediend op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet is uitgemond in een negatieve beslissing van 16 mei 2002 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken houdende de onontvankelijkheidsverklaring van deze aanvraag; dat ook deze beslissing uitvoerbaar is, vermits een verhaal bij de Raad van State geen schorsend effect heeft; Overwegende dat verzoeker zijn verzoek tot naturalisatie kan opvolgen via zijn Advocaat, en op voorwaarde dat zijn verblijf in het buitenland eventueel kan worden gelijkgesteld met een verblijf in België, als verzoeker bewijst gedurende zijn verblijf in het buitenland een werkelijke band met België te hebben gehad; dat het toekomt aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers om zich hierover uit te spreken; Overwegende dat in casu op het eerste gezicht artikel 8 van het E.V.R.M. (eerste onderdeel) niet werd geschonden, ten eerste ,omdat verzoeker wist en weet dat zijn verblijfstoestand in het Rijk precair is, ten tweede, omdat hij niet aannemelijk maakt dat hij als man van 36 jaar, zijn leven niet zelfstandig kan opbouwen in Albanië, zijnde zijn land van herkomst, ten derde, omdat hij vóór zijn aankomst in België ook een gezinsleven, minstens een sociaal leven had in Albanië, en ten vierde, omdat artikel 8 van het E.V.R.M. in dit geval moet wijken voor de wetgeving in materiële zin die de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in België reglementeert, gelet ondermeer op de aard van de familiale banden met zijn broer en schoonzus en hun kinderen; Overwegende dat verzoeker het tweede onderdeel van het enig middel niet uitwerkt, zodat het onontvankelijk is; Overwegende dat het enig middel van verzoeker in zijn geheel genomen niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2; XIV-23.820-3/5 1.
- Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker zo hij dit wenst, nog steeds contact kan houden met zijn familie in België, zodat het aangevoerde nadeel niet leidt tot een definitieve breuk met de familie van verzoeker in België; dat bijgevolg het aangevoerde nadeel een hypothetisch karakter vertoont; Overwegende dat niet is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2; 1.
- Overwegende dat de ingestelde vordering op grond van wat voorafgaat, wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-23.820-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. Kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-23.820-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.504 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.