← België

Arrest 150507 - - 21/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.507 Rolnummer: A. 162225/X-12297 Zaak: Arrest 150507 - - 21/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 03:00 Fiche Arrest nr 150.507 van 21 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.507 van 21 oktober 2005 in de zaak A. 162.225/X-12.

  1. In zake : Caroline WILLEMSEN, die woonplaats kiest bij Advocaat V. VAN AELST, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Britselei 46 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat W. MULS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, A. Dansaertstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Caroline WILLEMSEN op 3 mei 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de volgende besluiten van 28 februari 2005 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering : "- Het Ministerieel Besluit houdende ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring van de woningen/kamers gelegen Van Maerlantstraat 21 te 2060 Antwerpen (...) - Het Ministerieel Besluit houdende ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring van de woningen/kamers gelegen Olijftakstraat 26 te 2060 Antwerpen (...) - Het Ministerieel Besluit houdende ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring van de woningen/kamers gelegen Olijftakstraat 30 te 2060 Antwerpen (...) - Het Ministerieel Besluit houdende ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring van de woningen/kamers gelegen Olijftakstraat 34 te 2060 Antwerpen (...)"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. DE SOMERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.297-1/5 Gelet op de beschikking van 21 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 september 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. GROUWELS die, loco Advocaat V. VAN AELST verschijnt voor verzoekster; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. DE SOMERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat in het belang van een goede rechtsbedeling degene die op de rechter een beroep doet, voor elke vordering een afzonderlijk geding moet aanspannen om alzo de rechtstrijd overzichtelijk te houden en een vlotte afwikkeling van de zaak mogelijk te maken; dat meerdere vorderingen slechts ontvankelijk als een enkele rechtszaak aanhangig kunnen worden gemaakt indien bij uitzondering de goede rechtsbedeling daardoor wordt bevorderd, meer bepaald indien vorderingen, wat hun voorwerp of wat hun grondslag betreft, zo nauw samenhangen dat het als waarschijnlijk voorkomt dat vaststellingen gedaan of beslissingen genomen met betrekking tot de ene vordering, een weerslag zullen hebben op de uitkomst van de andere; dat, indien de vorderingen niet voldoende samenhangen, alleen de belangrijkste of, bij gelijk belang, de eerste in het verzoekschrift vernoemde vordering geacht wordt regelmatig te zijn ingesteld; Overwegende dat verzoekster in eenzelfde verzoekschrift de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van vier verschillende administratieve akten; dat deze op het eerste gezicht feitelijk los van elkaar staan en een verschillend voorwerp hebben; dat verzoekster ook geen aanduidingen in het verzoekschrift geeft waarom, naar haar mening, de vier verschillende akten met één verzoekschrift kunnen aanhangig worden gemaakt; dat er op het eerste gezicht geen voldoende samenhang bestaat tussen de genoemde administratieve akten; dat aldus, ambtshalve, prima facie verzoeksters vordering slechts ontvankelijk is voor zover ze gericht is tegen het eerste voorwerp, met name het besluit van 28 februari 2005 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering houdende ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring van de woningen/kamers gelegen X-12.297-2/5 te 2060 Antwerpen, Van Maerlantstraat 21; dat in deze stand van het geding, de vordering voor het overige niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verwerende partij op de terechtzitting niet verschenen is, noch er vertegenwoordigd was; dat artikel 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State weliswaar het vermoeden instelt dat een ter terechtzitting niet aanwezige of niet vertegenwoordigde verwerende partij instemt met de vordering, maar dat de Raad van State er evenwel niet in alle omstandigheden toe gehouden is op dat vermoeden in te gaan; dat zulks met name niet het geval is wanneer hij tot de vaststelling komt dat de vordering duidelijk niet voldoet aan de ontvankelijkheidsvereisten of, zoals hierna voor onderhavig geval blijken zal, aan de grondvoorwaarden waaronder de schorsing kan bevolen worden; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekster in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; X-12.297-3/5 Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoekster in de vordering tot schorsing doet gelden dat als gevolg van de onbewoonbaarverklaring alle bewoners de betrokken panden moeten verlaten, met risico van gerechtelijke vervolging; dat zij voorts betoogt dat de termijn om de nodige renovatie- en herstellingswerken uit te voeren drastisch wordt beperkt tot respectievelijk 12 of 36 maanden, naargelang een stedenbouwkundige vergunning al dan niet is vereist, dat indien de woningen niet binnen die gestelde termijn worden gerenoveerd, verbeterd of aangepast, verzoekster bovendien het risico loopt geconfronteerd te worden met de opeising van de betrokken eigendommen voor de uitoefening van een sociaal beheersrecht overeenkomstig artikel 90 van de Vlaamse wooncode, wat een ernstige afbreuk zou doen aan haar eigendomsrecht; Overwegende dat een verzoeker zich in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar concrete en precieze gegevens dient aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat hij ondergaat of dreigt te ondergaan, hetgeen inhoudt dat hij concrete en precieze aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt; Overwegende, wat de weerslag van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit betreft op de situatie van de bewoners van het pand, dat dit nadeel niet het persoonlijk nadeel is van verzoekster; dat wat het nadeel betreft gesteund op de vrees dat, indien de woning niet binnen de gestelde termijn gerenoveerd, verbeterd of aangepast is, dit pand kan worden opgeëist voor de uitoefening van het sociaal beheersrecht, verzoekster verzuimt in haar verzoekschrift enig concreet gegeven bij te brengen aangaande de concrete renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerken die moeten worden uitgevoerd ingevolge de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, noch waarom deze werken redelijkerwijze niet binnen de in artikel 12, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de kwaliteitsbewaking, het recht van voorkoop en het sociaal beheersrecht op woningen, bepaalde termijn van 12 of 36 maanden - termijn die, luidens het voornoemde artikel 12, § 1, overigens om buitengewone omstandigheden kan worden verlengd, doch waarover verzoekster het stilzwijgen bewaart - kunnen worden uitgevoerd; dat dit verzuim de Raad in de onmogelijkheid stelt dit nadeel op X-12.297-4/5 zijn merites te onderzoeken; dat de aangevoerde gegevens geenszins het nadeel staven, noch afdoende aannemelijk maken; dat derhalve de in de vordering gegeven uiteenzetting ter zake loutere affirmaties bevat die niet op een overtuigende wijze kunnen worden getoetst aan de concrete zaak; dat de uiteenzetting van verzoekster geen concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober 2005, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-12.297-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.507 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.063 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.