id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.527 Rolnummer: A. 125627/XIV-11351 Zaak: Arrest 150527 - - 21/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-10 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 03:07 Fiche Arrest nr 150.527 van 21 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.527 van 21 oktober 2005 in de zaak A. 125.627/XIV-11.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 30 oktober 1953 en XXX, geboren op 27 december 1952, beiden van Tsjechische nationaliteit, op 19 augustus 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 15 maart 2002 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 16 juni 2004 om 14.00 uur; XIV-11.351-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat C. DECORDIER, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke toedracht van de zaak. 1.
- XXX dient op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatie- wet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 2/ en 2, 4/. Deze aanvraag werd tevens ingediend voor zijn echtgenote XXX. 1.
- Verzoeker wordt door de Commissie voor regularisatie op 13 september 2001, bijgestaan door een raadsman, gehoord. De zaak wordt voortgezet op de zitting van 24 oktober
- 1.
- De eerste kamer van de Commissie voor regularisatie heeft op 25 oktober 2001 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoekers. Dit advies bevat de volgende overwegingen : “(...) Uit de behandeling der zaak weerhoudt de Kamer wat blijkt. In feite: De aanvrager kwam België binnen op 18.12.1998, als Roma uit Tsjechië. In rechte: Ter toepassing van art. 2.4/ van de Wet is in art. 9.9/ een aanwezigheid voorzien van ten minste 6 of 5 jaar. Ter toepassing van art. 2.2/ van de Wet dient het bewijs geleverd dat de aanvrager niet kan terugkeren naar het land van herkomst. De Kamer stelt dat deze voorwaarde niet vervuld wordt. Om deze redenen brengt de Kamer een negatief advies uit ter toepassing van art. 2.2/ en 2.4/ van de Wet. (...).”. 1.
- Op 27 november 2001 richt de raadsman van verzoekers een schrijven naar de Minister van Binnenlandse Zaken waarin hij zijn bezwaren omtrent het advies van de Commissie uiteenzet. 1.
- Op 15 maart 2002 verwerpt de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering als volgt luidt: XIV-11.351-2/7 “(...) Ik heb het schrijven van uw raadsman van 27 november 2001 inzake het ongunstig advies van de 1/ Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie in goede orde ontvangen. De l/ Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door u ingediend bij de Burgemeester te GENT, en dat het nummer 90002000012700474 draagt. Ik heb beslist dit ongunstig advies van de Commissie voor Regularisatie toch te moeten volgen. De door uw raadsman aangebrachte elementen op 27 november ll. zijn niet van aard om het ongunstig advies - waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan u in bijlage een kopie vindt - te wijzigen. Dat de bevoegde Kamer van de Commissie voor Regularisatie oordeelde dat u niet voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 om een verblijfsmachtiging te verkrijgen op basis van deze wet. Dat inzake de beweerde onmogelijkheid tot terugkeer naar Tsjechië, het land waarvan u de nationaliteit bezit, uw raadsman stelt dat uw terugkeer naar dit land in strijd is met fundamentele erkende mensenrechten. In het administratief dossier wordt voornamelijk verwezen naar algemene discriminatie in Tsjechië ten aanzien van de zigeuners. In deze zin wordt eveneens verwezen naar rapporten. Betrokkene zelf verwijst naar de situatie van zijn zoon Martin, welke geslagen zou zijn geweest, de huisvestingsproblemen van het gezin, de algemene discriminatie, en zijn problemen werk te vinden. Er zijn onvoldoende elementen aanwezig om te kunnen concluderen dat u in de onmogelijk- heid zou verkeren, om redenen onafhankelijk van uw wil, terug te keren naar Tsjechië. Dat u onvoldoende elementen in deze zin aanbrengt. Dat voornamelijk naar algemene rapporten wordt verwezen, maar dat het individuele relaas onvoldoende bewijskrachtig is. Dat eveneens een verzoek op basis van duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen werd gedaan. Dat de bevoegde Kamer van de Commissie voor Regularisatie moest vaststellen dat betrokkene niet voldoet aan de verblijfsvoorwaarden van artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999: zo verbleef betrokkene op het ogenblik van zijn verzoek geen zes jaar in België, beschikte hij evenmin over een wettig verblijf in de zin van genoemd artikel 9, 9/, en ontving hij wel degelijk een bevel om het grondgebied te verlaten (door middel van een bijlage 13). Bovendien blijkt (er) onvoldoende sprake te zijn van duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen. Dat op het ogenblik dat u het regularisatieverzoek hebt ingediend geen voldoende overtuigende bewijzen voorlagen dat u aan dit criterium voldoet. Op dat ogenblik blijkt er geen sprake te zijn van tewerkstelling of pogingen zich te integreren in de Belgische samenleving. Een sociaal verslag van de Stad Gent uit de periode van uw verzoek spreekt niet over tewerkstelling of een gevolg(d)e cursus of beroepsopleiding. Uw dochter, S., heeft na een gunstig advies ook een positieve beslissing gekregen. Er wordt (worden) evenwel onvoldoende overtuigende stukken voorgelegd in welke mate de familiale eenheid zou worden geschaad indien u geen verblijfsmachtiging zou verwerven. Uw dochter S. bezit de meerderjarige leeftijd en kan blijkbaar ook in financieel opzicht een zelfstandig leven uitbouwen. Het is onvoldoende duidelijk in welke zin u en uw echtgenote, van S. afhankelijk zouden zijn. Bovendien verkeert u in de mogelijk(heid) in normale omstandigheden uw dochter en haar gezin te bezoeken. (...).”. 1.
- De reden waarom de zaak op dit ogenblik wordt uitgesproken is te vinden in de brief van 18 april 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken waarin het volgende staat te lezen: “In antwoord op uw schrijven dd. 14 april 2005 kan ik u meedelen dat het laatste gekend adres van betrokkenen nog steeds, afvoering van ambtswege dd. 23 oktober 2003 is. De Dienst Vreemdelingenzaken beschikt niet over gegevens van een eventuele nieuwe woon- of verblijfplaats van betrokkenen, noch of zij al dan niet nog in belgië verblijven. Moest (mocht) dit laatste toch het geval zijn, dient hun verblijfsstatuut als illegaal te worden beschouwd. Onze diensten zijn eveneens niet op de hoogte van een mogelijke terugkeer van betrokkenen naar hun land van herkomst. Niemand van de familie XXX heeft het voorwerp uitgemaakt van een regularisatiebeslissing. XIV-11.351-3/7 (...).”; Het is onaanvaardbaar dat de Raad van State ambtshalve allerlei opzoekingen moet doen, over gegevens die de Advocaat van verzoekers moet of minstens zou moeten weten, en als hij het niet weet, dan moet hij dit aan het geadieerde rechtscollege meedelen, als medewerker van het gerecht. Het druist in tegen de wetsbepalingen en beginselen die de procesvoe- ring beheersen, dat arresten worden gemaakt en uitgesproken betreffende rechtssubjecten waarover niets is geweten en die letterlijk in “de natuur” zijn verdwenen. Een dergelijke situatie wordt in de toekomst door deze kamer van de Raad van State, samengesteld zoals hierna bepaald, niet meer getolereerd. Dit is reeds tot uiting gekomen in rechtspraak die aan de Advocaat van verzoekers bekend is.
- Over de grond van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoekers een eerste middel afleiden uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2, 2/, en 2, 4/, van de Regularisatiewet en van de zorgvuldigheidsplicht; dat zij daaraan toevoegen dat de Minister van Binnenlandse Zaken een manifeste beoordelingsfout heeft gemaakt; dat zij eveneens de schending aanvoeren van artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.), van artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 (BUPO-verdrag), en van artikel 1 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, aangenomen te New York op 10 december 1984, bekrachtigd bij wet van 9 juni 1999; 2.1.
- Overwegende dat, wat de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet betreft, dit artikel betrekking heeft op de beslissingen genomen in het kader van voornoemde wet; dat de thans bestreden beslissing werd genomen in het kader van de Regularisatiewet, zodat de schending van voormeld artikel niet dienstig kan worden ingeroepen en niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat wat de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. betreft, van artikel 7 van het BUPO-verdrag, en van artikel 1 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, de bestreden beslissing geen verwijderingsmaatregel inhoudt, zodat de schending van die bepalingen niet XIV-11.351-4/7 dienstig kan worden ingeroepen; dat verzoekers ook ten gronde niet aantonen dat voormelde artikelen werden geschonden; Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoekers niet aantonen dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, temeer daar uit het middel blijkt dat zij de motieven van de bestreden beslissing kennen; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 2.1.
- Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de bestreden beslissing niet afdoende werd gemotiveerd, daar de Minister van Binnenlandse Zaken onvoldoende rekening hield met het schrijven van verzoekers Advocaat van 27 november 2001 en van 21 mei 2002, dat telkens opmerkingen bevatte betreffende het advies van de Commissie voor regularisatie; dat de argumentatie van verzoekers feitelijke grondslag mist aangezien in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt verwezen naar het schrijven van 27 november 2001 en wordt overwogen dat “de door uw raadsman aangebrachte elementen op 27 november ll. (...) niet van aard (zijn) om het ongunstig advies (...) te wijzigen”, waarna de argumentatie van verzoekers op uitvoerige wijze wordt besproken en weerlegd; dat de Minister van Binnenlandse Zaken geen rekening kon houden met het schrijven van 21 mei 2002 aangezien de betreffende brief dateert van ná de bestreden beslissing; 2.1.
- Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel werden geschonden en dat de Minister van Binnenlandse Zaken een manifeste appreciatiefout heeft begaan aangezien hij verzoekers argumenten betreffende de onmogelijkheid tot terugkeer naar TSJECHIË niet heeft weerlegd; dat uit de lezing van de bestreden beslissing evenwel blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken de onmogelijk- heid tot terugkeer grondig heeft onderzocht; dat dit blijkt uit de motieven, die zijn weergegeven in de volgende passus van de bestreden beslissing: “In het administratief dossier wordt voornamelijk verwezen naar algemene discriminatie in Tsjechië ten aanzien van de zigeuners. In die zin wordt eveneens verwezen naar rapporten. Betrokkene zelf verwijst naar de situatie van zijn zoon Martin, welke geslagen zou zijn geweest, de huisvestingsproblemen van het gezin, de algemene discriminatie, en zijn problemen werk te vinden.” dat de verwerende partij hieruit besluit dat: “Er (...) onvoldoende elementen aanwezig (zijn) om te kunnen concluderen dat betrokkene in de onmogelijkheid zou verkeren, om redenen onafhankelijk van zijn wil, terug te keren naar Tsjechië. (...) Dat voornamelijk naar algemene rapporten wordt verwezen, maar dat het individuele relaas onvoldoende bewijskrachtig is.”; Overwegende dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissing niet weerleggen; dat verzoekers er niet in slagen om aan te tonen dat de Minister van XIV-11.351-5/7 Binnenlandse Zaken ten onrechte tot de vaststelling zou zijn gekomen dat verzoekers enkel verwijzen naar de algemene situatie in TSJECHIË en dat het individuele relaas van verzoekers onvoldoende bewijskrachtig is; dat ook in hun verzoekschriften verzoekers enkel verwijzen naar rapporten over de toestand van de mensenrechten in hun land van herkomst zonder die op hun persoonlijke situatie te betrekken; dat dit niet van aard is om de onmogelijkheid van een terugkeer naar het land van herkomst aan te tonen; 2.1.
- Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd wat de toepassing betreft van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet, aangezien uit artikel 9, 9/, van voornoemde wet blijkt dat “niet cumulatief, zowel aan de tijdsvereiste, als aan het wettig verblijf, als aan het niet verkregen hebben van een bevel om het grondgebied te verlaten, moet worden voldaan”; dat dit argument niet dienstig kan worden aangevoerd aangezien uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekers aan geen van de voorwaarden opgesomd in artikel 9, 9/ voldoen en dit door verzoekers in wezen niet wordt betwist; dat de aanvrager die zich beroept op artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet voorafgaandelijk dient aan te tonen dat hij voldoet aan artikel 9, 9/, van voormelde wet; dat aangezien hieraan niet is voldaan, de Minister van Binnenlandse Zaken niet verder dient te onderzoeken of verzoekers duurzame sociale bindingen in België hebben ontwikkeld en humanitaire redenen konden laten gelden; dat de kritiek op dit motief, zelfs indien gegrond, derhalve niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden; dat geen appreciatie- fout werd begaan; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 8 van het E.V.R.M. en van het proportionaliteitsbeginsel; dat zij niet gescheiden willen worden van hun zus (bedoeld wordt hun dochter) waarvan de verblijfssitu- atie is geregulariseerd; 2.2.
- Overwegende dat de argumentatie van verzoekers feitelijke grondslag mist, vermits verzoekers sedert 23 oktober 2003 het voorwerp hebben uitgemaakt van een “afvoering van ambtswege (...).”; dat bovendien uit de analyse van het eerste middel blijkt dat de verwerende partij op goede gronden de regularisatieaanvraag van verzoekers heeft geweigerd; dat tenslotte het land waarvan verzoekers onderdanen zijn, met name de Tsjechische Republiek, sedert 1 mei 2004 toetrad tot de Europese Unie; dat het tweede middel wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- XIV-11.351-6/7 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-11.351-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.527 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.