← België

Arrest 150530 - - 21/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.530 Rolnummer: A. 131057/XIV-13194 Zaak: Arrest 150530 - - 21/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 03:08 Fiche Arrest nr 150.530 van 21 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.530 van 21 oktober 2005 in de zaak A. 131.057/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat W. VAN STEENBRUGGE, kantoor houdende te 9000 GENT, Limburgstraat 122 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 10 februari 1966 en van Turkse nationaliteit, op 24 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 november 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag d.d. 14 juni 2005 opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 september 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-13.194-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P.-B. LAGAE, die loco Advocaat W. VAN STEENBRUGGE verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 12 december 2001, in het bezit van een Turks paspoort met een visum geldig voor dertig dagen. De geldigheid van dit visum wordt verlengd tot 25 februari
  4. 1.
  5. Bij aankomst te Zaventem wordt verzoeker gevangen gezet ingevolge een veroordeling door de Correctionele Rechtbank te Gent van 17 juni 1999 wegens gebruik van valse stukken. De uitvoering van de straf begint op 12 december 2001.Verzoeker wordt vrijgelaten op 27 december
  6. 1.
  7. Verzoeker gaf in april 2002 aan de bevoegde overheden te Gent te kennen dat hij in het huwelijk wilde treden met een Belgische onderdane (adm. dossier, stuk 38). De stad Gent startte een onderzoek naar een schijnhuwelijk en stuurde het dossier door naar de Procureur des Konings voor verder onderzoek. 1.
  8. Op 4 september 2002 bood verzoeker zich aan bij de lokale politie te Gent voor een verhoor inzake zijn voorgenomen huwelijk. De Dienst Vreemdelingenzaken werd geraadpleegd en de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken besliste op 4 september 2002 dat aan verzoeker een bevel kon worden ter kennis gebracht om het grondgebied van het Rijk te verlaten (adm. dossier, stuk 49). 1.
  9. Op 25 november 2002 werd aan verzoeker het bevel ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit bevel draagt de vermelding “nieuwe verlenging tot 25/12/2002”.Dit is de bestreden beslissing. De motieven luiden als volgt: “REDEN(EN) van de beslissing: artikel 7, eerste lid, 2/: verblijft langer in het Rijk dan de geldigheidsduur van zijn visum: betrokkene verblijft sedert 12.12.2001 in het Rijk (visum vervallen sedert 26/02/2002).” XIV-13.194-2/5
  10. Overwegende dat de verwerende partij een exceptie van onontvankelijk- heid aanvoert omdat het bestreden bevel een herhaling is van een reeds op 4 september 2002 ter kennis gebracht bevel; dat zich in het administratief dossier evenwel geen eenduidige gegevens bevinden over de eventuele kennisgeving van een bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 4 september 2002, zodat de exceptie wordt verworpen;
  11. Overwegende dat verzoeker in de twee middelen samengenomen de schending aanvoert van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, en de motiveringsplicht, en van artikel 12 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); Overwegende dat uit de samenlezing van het bestreden bevel van 25 november 2002 met de stukken van het administratief dossier, blijkt dat pas op 17 augustus 2002 de akte van aangifte van het huwelijk tussen verzoeker en een onderdane van Belgische nationaliteit werd opgemaakt, waarbij het huwelijk zou worden afgesloten op 28 september 2002; dat de huwelijksvoltrekking werd geweigerd om de motieven die het voorwerp uitmaken van het tegensprekelijk vonnis van de Voorzitter zetelend zoals in kortgeding van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 30 juni 2004; dat op 17 augustus 2002 het visum van verzoeker reeds bijna zes maanden was verstreken (de vervaldatum is 26 februari 2002); Overwegende dat het bestreden bevel bijgevolg wettig is, vermits het visum van verzoeker verviel op 26 februari 2002; dat dienvolgens noch het zorgvuldigheids- beginsel, noch het redelijkheidsbeginsel werden geschonden, temeer daar verzoeker nog een verlenging verkreeg tot 25 december 2002 om het grondgebied te verlaten, met het oog op een eventuele regularisatie van zijn verblijfstoestand door het afsluiten van een rechtsgeldig huwelijk; Overwegende dat het motiveringsbeginsel evenmin werd geschonden, vermits het bestreden bevel de juridische grondslag inhoudt die het bevel kan schragen; dat voornoemd bevel aldus formeel en materieel gemotiveerd is; Overwegende dat artikel 12 van het E.V.R.M. niet werd geschonden, nu verzoeker het recht om te huwen uitoefent, nadat de geldigheid van zijn voorlopige verblijfstitel is verstreken; dat in dat verband in het Auditoraatsverslag terecht wordt opgemerkt dat “wat verzoekers intentie om in het huwelijk te treden en de vermeende schending van artikel 12 van het E.V.R.M. betreft, dient te worden vastgesteld dat verzoeker pas in augustus (april) 2002, zijnde zes (twee) maanden nadat zijn visum reeds vervallen XIV-13.194-3/5 was, kenbaar heeft gemaakt in het huwelijk te willen treden”; dat het verslag daaraan op goede gronden toevoegt dat “De bestreden beslissing losstaat van deze huwelijksaanvraag en geenszins belet dat verzoeker in het huwelijk treedt met mevrouw (...)”.; Overwegende dat de twee middelen samengenomen ongegrond zijn;
  12. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-13.194-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-13.194-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.530 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.