id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.531 Rolnummer: A. 137946/XIV-15547 Zaak: Arrest 150531 - - 21/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-10 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 03:09 Fiche Arrest nr 150.531 van 21 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.531 van 21 oktober 2005 in de zaak A. 137.946/XIV-15.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat H. HEYVAERT, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Franz Courtensstraat 29 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 januari 1965 en XXX, geboren op 1 juli 1977, beiden van Turkse nationaliteit, op 16 juni 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 april 2003 tot weigering van regularisatie, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 15 mei 2003; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-15.547-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. HEYVAERT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- Verzoeker heeft op 18 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 2 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. Deze aanvraag was tevens ingediend voor zijn partner XXX. 1.
- Op 1 april 2003 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken eerste verzoeker uitgesloten van de toepassing van voornoemde wet. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt luidt: “(...) De Minister van Binnenlandse Zaken, Gelet op de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, inzonderheid de artikelen 5 en 14; Gelet op het artikel 8 van het Europese Verdrag ter Vrijwaring van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden; Gelet op de aanvraag tot regularisatie ingediend op 18 januari 2000 door XXX, geboren op 1 januari 1965 te Emirdag, van Turkse nationaliteit; Overwegende dat deze aanvraag ook zijn partner betreft : XXX, geboren op 1 juli 1977 te Emirdag van Turkse nationaliteit; Overwegende dat voor deze aanvraag het criterium
(4)werd aangevoerd; Overwegende dat betrokkene op 11 september 1996 van ambtswege werd afgevoerd; Overwegende dat betrokkene uit hoofde van het plegen van een drugtransport, in Frankrijk in 1995 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden; Overwegende dat betrokkene op 21.01.1998 een verzoek indiende tot het bekomen van een machtiging voor een verblijf van meer dan drie maanden op basis van het artikel 9§3 van de wet van 15.12.1980, dat op 6.7.1998 onontvankelijk werd verklaard; Overwegende dat hem op 13.07.1998 een bevel werd betekend om het grondgebied te verlaten binnen de 5 dagen; Overwegende dat hij dienvolgens niet gemachtigd noch toegelaten werd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk; Overwegende dat de machtiging tot verblijf ingediend op 21 januari 1998 op 6 juli 1998 onontvankelijk werd verklaard; Overwegende dat een bevel om het grondgebied te verlaten hem werd betekend op 13 juli
- Overwegende het buitengewone gevaar waaraan betrokkene, door zijn illegale handel, zijn onverantwoord en schuldig gedrag, de fysieke en psychische gezondheid van zijn slachtoffers bloot stelt; XIV-15.547-2/4 Overwegende dat uit de voorgaande feiten blijkt dat hij, door zijn persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad; Overwegende dat de ernstige bedreiging voor de openbare orde die uit het gedrag van de betrokkene voortvloeit, zodanig is dat zijn familiale en persoonlijke belangen en die van de zijnen in onderhavig geval geen voorrang mogen hebben op het vrijwaren van de openbare orde; Overwegende dat hij dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent; BESLIST: - XXX, geboren op 1 januari 1965 te Emirdag, van Turkse nationaliteit is uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op grondgebied van het Rijk. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoeker een enig middel aanvoert; Overwegende dat het eerste onderdeel van dit middel onontvankelijk is, vermits het onderdeel niet preciseert welke rechtsregel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur werd geschonden; Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel de schending aanvoert van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat hij deze schending steunt op “een manifeste verkeerde appreciatie van de feiten en machtsoverschrijding”; dat hij daaraan toevoegt dat “de bestreden beslissing geen rekening houdt met het feit dat de ganse familie, echtgenote, twee kinderen alle broers en zussen van verzoeker sedert vele jaren in België verblijven op rechtsgeldige wijze”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op 8 december 1995 werd geïnterpelleerd aan de Frans-Luxemburgse grens en dat de bevoegde diensten in zijn wagen 1 kg heroïne aantroffen en 1,906 kg amfetamine poeder; dat uit het strafonderzoek blijkt dat hij de drugs diende te leveren in Metz (Frankrijk) (stuk nr. 158 van het adm. dossier); dat verzoeker voor deze zware strafrechtelijke feiten werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden in de loop van 1995 in Frankrijk; dat hij bovendien bij verstek werd veroordeeld op 25 april 1997 door de Correctionele Rechtbank te Gent voor verboden wapendracht tot een geldboete van 100 fr.; Overwegende dat de regularisatie van de verblijfstoestand van verzoeker op basis van de Regularisatiewet een gunstmaatregel is gepaard gaande met een ruime appreciatiebevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken; dat in casu de toepassing van artikel 8 van het E.V.R.M., wat het gezinsleven van verzoeker betreft, moet wijken voor de nationale veiligheid en de openbare orde die verzoeker in gevaar brengt door dergelijke feiten te plegen, die ingegeven zijn door winstbejag, met miskenning van de internationale XIV-15.547-3/4 volksgezondheid; dat de verwerende partij in casu op goede gronden oordeelt dat verzoeker een gevaar betekent voor de openbare orde en de nationale veiligheid; Overwegende dat het enig middel in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-15.547-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.531 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div