id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.550 Rolnummer: A. 163846/IX-4964 Zaak: Arrest 150550 - - 24/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-07 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 03:20 Fiche Arrest nr 150.550 van 24 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.550 van 24 oktober 2005 in de zaak A. 163.846/IX-
- In zake : Walter REMYSEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. GARMYN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Stoopstraat 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Walter REMYSEN op 1 juli 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing genomen op 5 april 2005 door de waarnemend directeur van de gevangenis van Turnhout, waarbij het elektronisch toezicht geweigerd wordt; Gezien het op 4 juli 2005 ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 15 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 oktober 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; IX-4964-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. GARMYN, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat C. RAYMAEKERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker werd bij arrest van 29 juni 2004 van het hof van beroep te Antwerpen veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en een geldboete van 2.000.000 BEF of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden wegens inbreuken op de wetgeving inzake drugs en hormonale producten. 1.
- Op 14 maart 2005 geeft verzoeker zijn akkoord voor de uitvoering van zijn gevangenisstraf door middel van elektronisch toezicht. Als gevolg daarvan wordt de strafuitvoering onderbroken tot 15 april
- 1.
- Het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht voert een externe enquête uit. De maatschappelijk assistente besluit in haar verslag van 1 april 2005 “dat de dosis basisvertrouwen nodig voor een elektronisch toezicht onbestaande is” en geeft een ongunstig advies. 1.
- Op 5 april 2005 beslist de waarnemend directeur van de gevangenis te Turnhout het elektronisch toezicht te weigeren op grond van volgende redenen : IX-4964-2/6 “- Betrokkene ontkent de feiten volledig, kan zich niets meer herinneren. - Er zijn blijkbaar nog altijd contacten met medeveroordeelden. - De levensstijl van betrokkene is niet in overeenstemming met zijn inkomsten. - De tewerkstelling situeert zich in het milieu waar de feiten werden gepleegd en is “op maat” gemaakt. - Het relaas van betrokkene komt niet waarheidsgetrouw over en er is geen zekerheid omtrent de echtheid van zijn reclassering en bezigheden”. Dat is de thans bestreden beslissing. 1.
- Met een verzoekschrift van 23 juni 2005 vordert verzoeker bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de weigeringsbeslissing van 5 april
- Bij arrest nr. 146.906 van 28 juni 2005 wordt de vordering tot schorsing verworpen, aangezien niet aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid werd voldaan. Eveneens op 23 juni 2005 dient verzoeker beroep tot nietigverklaring in tegen de beslissing van 5 april
- Bij brief van 28 juli 2005 wordt meegedeeld dat verzoeker afstand doet van dat beroep. 1.
- Op 1 juli 2005 dient verzoeker de onderhavige vordering tot schorsing in. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat sommige beslissingen, zoals de beslissingen van de minister van Justitie inzake voorlopige invrijheidstelling, de weigering van penitentiair verlof en beslissingen inzake internering, regeringsdaden zijn die omwille van hun specifiek beleidsmatig karakter en het grondwettelijk principe van de scheiding der machten aan het rechterlijk toezicht onttrokken zijn; dat volgens haar ook de beslissing in verband met de uitvoering van een gevangenisstraf via elektronisch toezicht een dergelijke beleidsmatige beslissing is; dat zij voorts benadrukt dat de strafuitvoering door artikel 40 van de Grondwet uitdrukkelijk aan de uitvoerende macht werd toegewezen, zodat IX-4964-3/6 de tussenkomst van de rechterlijke macht in de strafuitvoering uitgesloten is; dat anders dan in de zaak van het arrest nr. 90.826, Goldenberg, van 16 november 2000, de verwerende partij niet enkel de specifieke aard van de bevoegdheid van de minister van Justitie wenst aan te voeren, maar vooral het feit dat de vordering de bevoegdheid van de rechterlijke macht te buiten gaat; dat zij in dat verband verwijst naar het arrest nr. 147.592, El AMRANI, van 12 juli 2005, waarin inzake de bevoegdheid van de Raad van State een onderscheid wordt gemaakt tussen de loutere strafuitvoering enerzijds en maatregelen die geen rechtstreekse band hebben met de strafuitvoering anderzijds; dat het in casu volgens de verwerende partij gaat om de loutere strafuitvoering en de wijze waarop deze dient te geschieden; dat dergelijke beslissing door de Grondwet aan de rechterlijke macht onttrokken is en behoort tot de soevereine beoordeling van de uitvoerende macht; dat de verwerende partij besluit dat het toekennen van elektronisch toezicht een louter facultatieve bevoegdheid is en geen beslissing die voor de Raad van State aanvechtbaar is; 2.2.
- Overwegende dat krachtens artikel 40, tweede lid, van de Grondwet, en onverlet artikel 157, vierde lid, ervan, de bevoegdheid om de straffen uitgesproken door de hoven en rechtbanken ten uitvoer te leggen behoort aan de uitvoerende macht, waarvan de gevangenisdirecteur een orgaan is; dat in zoverre de administratieve overheden daarbij rechtstreeks meewerken aan de uitvoering van vonnissen en arresten van de justitiële rechter, hun beslissingen niet vatbaar zijn voor beroep bij de Raad van State; dat de reden daarvoor enkel kan zijn dat die uitvoering onder het toezicht van de rechterlijke macht geschiedt; dat de andere handelingen van de administratieve overheden in verband met de strafuitvoering onderworpen zijn aan het toezicht van de Raad van State; dat, voor zover het Belgisch Publiek Recht het bestaan van zogenaamde regeringsdaden erkent, de definitie hiervan zeer beperkend moet worden opgevat en er geen enkele reden is waarom administratieve beslissingen genomen met betrekking tot de strafuitvoering tegen individuele personen beschouwd zouden moeten worden als regeringsdaden die aan elk rechterlijk toezicht ontsnappen; dat met andere woorden, indien de Raad van State zich te dezen onbevoegd zou moeten verklaren, het is omdat de bevoegdheid ter zake uiteindelijk aan de justitiële rechter behoort en dit meer bepaald omdat de bestreden beslissing rechtstreeks meewerkt aan de uitvoering van een vonnis of arrest; 2.2.
- Overwegende dat de uitvoering van de gevangenisstraf een rechtstreekse medewerking inhoudt aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf waartoe een gedetineerde veroordeeld werd bij een vonnis of arrest van de IX-4964-4/6 strafrechter; dat het elektronisch toezicht een modaliteit vormt van die uitvoering; dat zelfs de ministeriële omzendbrief nr. 1746 van 9 augustus 2002 betreffende “regelgeving inzake elektronisch toezicht als modaliteit van strafuitvoering” het elektronisch toezicht als volgt omschrijft : “Onder elektronisch toezicht, als vorm van tenuitvoerlegging van een vrijheidsberovende straf, wordt een vorm van controle verstaan waarbij gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen om gedurende een bepaalde termijn de aanwezigheid van de veroordeelde op vooraf met hem overeengekomen plaatsen en tijdstippen na te gaan. Het betekent dus in hoofde van de veroordeelde een beperking van zijn vrijheid van komen en gaan.”; 2.2.
- Overwegende dat gezien in het kader van de uitvoering van de rechterlijke uitspraak waarbij de betrokkene tot een gevangenisstraf veroordeeld werd, geen wezenlijk verschil kan worden ontwaard tussen het elektronisch toezicht enerzijds en de beslissingen inzake voorwaardelijke invrijheidstelling van een gedetineerde, het toekennen van penitentiair verlof, de verwerping van een genadeverzoek, terbeschikkingstelling van de regering of internering, anderzijds; dat de vaststelling dat de bevoegdheid van de administratie in sommige gevallen wettelijk is geregeld en dat zulks niet het geval is voor wat het elektronisch toezicht betreft, daaraan geen afbreuk kan doen; dat integendeel de omstandigheid dat de wetgever inzake elektronisch toezicht geen regeling heeft ingesteld er veeleer op wijst dat het toezicht van de gewone rechter onverkort is blijven bestaan; 2.2.
- Overwegende dat de kwestie van de bevoegdheid een zo hoge graad van ernst vertoont dat de Raad van State in de huidige stand van het geding reeds moet vaststellen dat uit de aard van het bestreden besluit volgt dat hij op grond van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-4964-5/6 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig oktober 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4964-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.550 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.153 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.