id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.609 Rolnummer: A. 140190/XIV-16296 Zaak: Arrest 150609 - - 24/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-10 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 03:22 Fiche Arrest nr 150.609 van 24 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Niet verschenen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.609 van 24 oktober 2005 in de zaak A. 140.190/XIV-16.
- In zake : XXX, wonende te H. tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 25 november 1971 en van Armeense nationaliteit, op 8 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 juni 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 11 juli 2003 ; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 2 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 27 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur, en waarbij het standpunt van de Auditeur aan de partijen wordt medegedeeld; Gehoord het standpunt van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST met betrekking tot de toe te passen procedure; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-16.296-1/4 Gehoord de opmerkingen van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat artikel 55 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals gewijzigd door artikel 26 van de wet van 22 december 2003 houdende diverse bepalingen, als volgt luidt: “Art.
- §
- De verklaring of de aanvraag bedoeld in de artikelen 50, 50bis en 51, afgelegd door een vreemdeling die gemachtigd werd tot een verblijf voor onbeperkte tijd, wordt, wanneer zij nog in behandeling is bij de minister of zijn gemachtigde, bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, ambtshalve zonder voorwerp verklaard, tenzij de vreemdeling, binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf het inwerkingtreden van deze bepaling of vanaf de overhandiging van de titel waaruit het onbeperkt verblijf blijkt, bij een ter post aangetekende brief aan de instantie waarbij zijn verklaring of aanvraag in behandeling is, de voortzetting van de behandeling vraagt. §
- De Raad van State verklaart het beroep dat werd ingesteld tegen een beslissing genomen ingevolge een verklaring of een aanvraag overeenkomstig de artikelen 50, 50bis of 51 zonder voorwerp, wanneer de verzoeker gemachtigd werd tot een verblijf van onbeperkte duur, op voorwaarde dat hij binnen de termijn zoals voorzien in § 1 geen voortzetting van de procedure vroeg. §
- De vreemdeling van wie de asielaanvraag zonder voorwerp werd verklaard overeenkomstig § 1, kan slechts van het grondgebied verwijderd worden overeenkomstig de artikelen 20 en 21 na eensluidend advies van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over de overeenstemming van de verwijderingsmaatregel met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950.”; Overwegende dat de beschikking van 1 september 2005, waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur, per aangetekend schrijven aan de verzoekende partij werd ter kennis gebracht op 7 september 2005; dat uit de mededeling van de postdiensten blijkt dat de verzoekende partij verhuisd is; dat naar luid van artikel 34 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, elke kennisgeving door de Hoofdgriffier van de Raad van State “geldig ter gekozen woonplaats wordt gedaan”, wat in voorliggend geval is gebeurd; dat uit de stukken van het dossier niet blijkt dat de verzoekende partij een adreswijziging heeft overgemaakt aan de Raad van State; dat de zaak bijgevolg regelmatig is vastgesteld; Overwegende dat uit een schrijven van de Dienst Vreemdelingenzaken van 17 maart 2005 blijkt dat de verzoekende partij werd gemachtigd tot een verblijf voor XIV-16.296-2/4 onbeperkte duur; dat uit een schrijven van de Dienst Vreemdelingenzaken van 19 september 2005 blijkt dat zij in het bezit werd gesteld van een Bewijs van Inschrijving in het Vreemdelingenregister; dat de verzoekende partij binnen de termijn voorgeschreven in voormelde wetsbepaling geen verzoek tot voortzetting heeft ingediend; dat de verzoekende partij ter terechtzitting geen argumenten aanvoert die het niet indienen van het verzoek tot voortzetting kunnen rechtvaardigen; dat het beroep derhalve, overeenkomstig het voormeld artikel 55, § 2, van de Vreemdelingenwet, zonder voorwerp moet worden verklaard, Overwegende dat de verzoekende partij niet ter terechtzitting is verschenen, noch vertegenwoordigd was; dat de vordering, overeenkomstig artikel 37, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen dient te worden afgewezen; dat de vordering tot schorsing als accessorium van de vordering tot nietigverklaring eveneens dient te worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.296-3/4 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-16.296-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.609 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.