← België

Arrest 150619 - - 25/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.619 Rolnummer: A. 139304/XIV-15994 Zaak: Arrest 150619 - - 25/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 03:24 Fiche Arrest nr 150.619 van 25 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.619 van 25 oktober 2005 in de zaak A. 139.304/XIV-15.

  1. In zake : XXX, wonende te 2060 ANTWERPEN, tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 8 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 april 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 5 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-15.994-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Pakistaanse nationaliteit, is in België binnengekomen op 5 april 2003 en heeft zich op 11 april 2003 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 23 april 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 4 juni 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 april 2003 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing: “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Pakistaan afkomstig uit Jatta, gelegen nabij Jalalpur. U baatte er een kledingszaak uit. Op 28 januari 2003 werd u opgebeld door een onbekende majoor van het leger die u wou ontmoeten. U antwoordde dat u in uw kledingszaak steeds te bereiken was. Twee à drie dagen later deden twee onbekende mannen uw winkel aan. Eén stelde zich voor als majoor Yassin en de andere werd voorgesteld als Saïd, een Mujahedinstrijder. Deze mannen maakten u duidelijk dat ze uw steun nodig hadden in de Jihad en vroegen u om een financiële bijdrage van 200.000 roepies. U weigerde dit waarna beide mannen uw zaak verlieten. Twee à drie dagen later werd u op terugweg naar huis door vier onbekende mannen ontvoerd. Gehandboeid en geblinddoekt werd u naar een onbekende plek gevoerd en werd er in een donkere kamer opgesloten. In deze kamer werd u door Saïd, de Mujahedinstrijder die enkele dagen tevoren uw winkel bezocht had, ondervraagd en geslagen. De volgende dag werd u door Saïd en een aantal van zijn handlangers zo hard geslagen dat u het bewustzijn verloor. Toen u het bewustzijn herwon, bevond u zich in het hospitaal. Een onbekende man deelde u mee dat hij u bewusteloos aan de kant van de weg aangetroffen had en naar het hospitaal had overgebracht. U werd gedurende tien à vijftien dagen in het hospitaal verzorgd en keerde vervolgens naar huis terug. Thuisgekomen vertelde u een bevriende journalist wat u overkomen was. Deze publiceerde op 20 februari 2003 aan artikel over uw wedervaren, in het tijdschrift Jahan. Op de avond van 28 februari 2003 klopten onbekenden bij u thuis aan. Toen uw vader informeerde wie ze waren, identificeerden ze zich als Mujahedinstrijders. Op aanraden van uw vader ontvluchtte u vervolgens via de achterdeur het huis. U trok naar de woonst van een vriend en reisde de volgende ochtend door naar Lahore. U verbleef XIV-15.994-2/7 gedurende een drietal dagen in Lahore en reisde vervolgens met de bedoeling het land te ontvluchten door naar Karachi. Via telefonisch contact met uw vader vernam u dat de Mujahedinstrijders hem bedreigd en geslagen hadden. Vervolgens vloog u op 18 maart 2003 van Karachi over naar Zagreb. Via Italië en Frankrijk reisde u door naar België en vroeg hier op 11 april 2003 asiel aan. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de verklaringen die u in de verschillende fasen van de asielprocedure aflegde niet consistent zijn, waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt ondermijnd. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat u na uw ontvoering gedurende vier dagen voor verzorging in het hospitaal werd gehouden (zie gehoorverslag DVZ, nr.42). In strijd hiermee verklaarde u in dringend beroep dat u gedurende tien à vijftien dagen voor verzorging in het hospitaal gehouden werd (zie gehoorverslag CGVS, p.8). Tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal werd u gewezen op de eventuele tegenstrijdigheid tussen de door u afgelegde verklaringen. Uw verklaring hiervoor dat u zich de details van uw verklaring op de Dienst Vreemdelingenzaken niet herinnert en niet meer weet hoeveel dagen u precies in het hospitaal doorbracht (zie gehoorverslag CGVS, dringend beroep, p.8), is onafdoende om deze tegenstrijdigheid te verklaren en roept verdere vragen op over de geloofwaardigheid van dit aspect van uw asielrelaas. Voorts dient te worden opgemerkt dat nergens uit uw asielrelaas blijkt dat u vervolging vreest omwille van één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie. U verklaarde slachtoffer geweest te zijn van een poging tot afpersing die opgezet werd door een legermajoor en een Mujahedinstrijder en beweerde daarnaast, vanwege uw weigering om geld af te staan, door een groep Mujahedinstrijders ontvoerd te zijn. Deze door u ingeroepen feiten hebben aldus niets te maken met uw politieke of religieuze overtuiging, uw nationaliteit of etnie, of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Vermits u evenmin elementen aanbrengt die duidelijk te maken waarom het u, om redenen voorzien in de Conventie van Genève, onmogelijk zou zijn om rechtsbescherming te bekomen, dient te worden geconcludeerd dat uw aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel en aldus buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie valt. De door u neergelegde documenten (een kopie van een artikel uit Akhbar-e-Jahan en een kopie van uw identiteitskaart) zijn niet van die aard om bovenstaande vaststellingen te wijzigen. De kopie van uw identiteitskaart betreft immers uitsluitend uw identiteit terwijl de voorgelegde kopie van het krantenartikel geen ander licht werpt op de moeilijkheden die u in Pakistan ondervonden zou hebben. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. XIV-15.994-3/7
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  7. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “Schending van de motiveringsplicht opgelegd door de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en artikel 62 van de Wet van 15 december
  8. Vooreerst dient de motivering, die het Commissariaat-Generaal aan haar beslissing van 4 juni 2003 ten gronde legt, beschouwd te worden als zijnde onvoldoende. Meer bepaald wijst het Commissariaat-Generaal de asielaanvraag van verzoeker af op grond van de loutere overweging dat er zich een aantal contradicties voordoen in het relaas van verzoeker. Met betrekking tot dit argument dient echter opgemerkt worden dat de eventuele tegenstrijdigheden in het relaas van verzoeker niet als determinerend mogen worden beschouwd in het kader van de gebeurtenissen waarvan verzoeker het slachtoffer is geweest. Het gaat hier om loutere details, meer bepaald een termijn van verblijf in het ziekenhuis, waarvan niet kan worden verwacht dat verzoeker deze steeds even correct weergeeft. Het Commissariaat-Generaal lijkt voorbij te gaan aan het feit dat verzoeker net is kunnen ontsnappen aan de zware aanslag op zijn leven, waarbij hij voor dood langs de kant van de straat werd achtergelaten, zodat hij sindsdien dan ook meer dan reden genoeg heeft om voor zijn leven te vrezen. Uit de bestreden beslissing blijkt dan ook niet dat verzoeker tegenstrijdigheden heeft verteld, die van wezenlijke aard zijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag. Het Commissariaat-Generaal moet er zich immers toe beperken na te gaan of de betrokkene effectief een gegronde vrees kan laten gelden voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging. Verzoeker is, na deze zéér traumatische gebeurtenis, zijn geboorteland ontvlucht om in een vreemd land, met een voor hem vreemde cultuur en ver weg van de rest van zijn familie, terecht te komen. Dit alles heeft logischerwijze voor heel wat psychische spanningen gezorgd, wat minieme tegenstrijdigheden, zoals het verwisselen van data of het niet exact vermelden van termijnen, kan verklaren.”; 2.1.2.
  9. Overwegende dat verzoeker zich beroept op de schending van de motiveringsplicht opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat verzoeker meent dat de motivering van de beslissing onvoldoende is in de mate dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn asielaanvraag heeft afgewezen op grond van de loutere overweging dat er een aantal contradicties in het relaas voorkomen, dat de tegenstrijdigheden niet als determinerend mogen beschouwd worden, gelet op de traumatische gebeurtenissen in zijn leven (aanslag op zijn leven), dat het slechts om loutere details gaat, zodat niet van hem kan worden verwacht deze steeds even correct weer te geven; 2.1.2.
  10. Overwegende dat de traumatische aard van de door verzoeker ervaren gebeurtenissen geen afdoende verklaring kan bieden voor de tegenstrijdigheid omtrent de duur van zijn verblijf in het “hospitaal”; dat zijn verblijf in het hospitaal na de ontvoering betrekking heeft op de kern van zijn asielrelaas, meer bepaald de ontvoering; dat dergelijke gebeurtenissen dermate ingrijpend en fundamenteel zijn dat verzoeker, ondanks de XIV-15.994-4/7 traumatische ervaring, bij machte moet zijn een coherent en correct verhaal te vertellen; dat dient aangestipt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen eveneens besliste dat verzoekers asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op basis van dit motief alleen al verzoekers asielaanvraag als onontvankelijk kon verwerpen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  11. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de verplichting van de overheid om zich te informeren over alle elementen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het dossier. Het Commissariaat Generaal werpt verder op dat er zich een aantal hiaten voordoen in de verschillende verklaringen van verzoeker. Voor zover dit het geval is, is dit louter het gevolg van een onvolledig interview van verzoeker door het Commissariaat. Verzoeker heeft in zijn geboorteland met deze aanslag zoveel gruwel meegemaakt dat het voor hem onmogelijk is om zijn verhaal, telkens even gestructureerd en gedetailleerd weer te geven. Meer bepaald is het de taak van het Commissariaat om alle elementen van de zaak na te gaan en verzoeker met gerichte vragen te helpen zijn verhaal te reconstrueren. Het feit dat verzoeker in zijn relaas voor de Dienst Vreemdelingenzaken en nadien voor het Commissariaat-generaal een aantal tegenstrijdige verklaringen zou hebben gemaakt of niet meer wist hoeveel dagen hij precies in het hospitaal heeft gelegen, kan dan ook niet tegen hem worden gebruikt als motivering om zijn aanvraag af te wijzen.”; 2.2.2.
  12. Overwegende dat verzoeker zich beroept op de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name dat een overheid op de hoogte moet zijn van alle elementen vooraleer een beslissing te nemen; dat volgens verzoeker de vastgestelde hiaten louter het gevolg zijn van een onvolledig interview op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, terwijl het nochtans de taak is van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om alle elementen van de zaak na te gaan en verzoeker met gerichte vragen te helpen zijn verhaal te reconstrueren; 2.2.2.
  13. Overwegende dat van een kandidaat-vluchteling, die beweert te vrezen voor zijn leven en vrijheid en daarom de bescherming van de Belgische autoriteiten vraagt, mag verwacht worden dat hij alle elementen ter ondersteuning van zijn asielaanvraag op correcte wijze en zo accuraat mogelijk aanbrengt, zeker de elementen die de directe aanleiding van zijn vertrek of vlucht uit zijn land van herkomst zijn geweest; dat het aan hem is om de nodige feiten en elementen aan te brengen aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zodat deze kan beslissen over de ontvankelijkheid van de aanvraag; dat de kandidaat-vluchteling gehouden is om een aannemelijk, samenhangend, niet tegenstrijdig en waarschijnlijk verhaal te vertellen; dat het niet aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is om de asielzoeker in zijn asielrelaas te sturen en gerichte vragen te stellen; dat het tweede middel niet gegrond is; XIV-15.994-5/7 2.3.
  14. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het recht van verdediging. Het Commissariaat meent dat er geen andere elementen in het dossier aanwezig zijn die een positieve beoordeling van de aanvraag van verzoeker zou toelaten. Gezien de versnelde procedure, de asielaanvraag van verzoeker dateert van 11 april 2003 en 1,5 maand later werden er desbetreffende reeds twee beslissingen genomen, verkeert verzoekende partij in de onmogelijkheid om bijkomende elementen en stavingsstukken voor te leggen. Contact met overige familieleden en vrienden in zijn geboorteland zijn op dit moment quasi uitgesloten gezien het bezit en de werking van moderne communicatiemiddelen niet zo vanzelfsprekend is. Verzoeker beschikt niet over de tijd die hij nodig heeft om zijn aanvraag op afdoende wijze te staven en aldus van zijn recht van verdediging op passende wijze gebruik te maken. Bovendien dient te worden vastgesteld dat verzoeker voor het Commissariat-generaal gehoord werd zonder tolk, terwijl verzoeker enkel de Pakistaanse taal machtig is. Dat verzoeker in het kader van zijn recht op verdediging dan ook minstens dient gehoord te worden in zijn moedertaal, waarbij zijn relaas vertaald wordt door een beëdigde tolk Pakistaans, teneinde niet-correcte en eigen vertalingen van het ondervragend personeel van het Commissariaat, te vermijden.”; 2.3.2.
  15. Overwegende dat verzoeker zich beroept op de schending van de rechten van verdediging; dat verzoeker meent dat, gezien de korte tijd tussen de asielaanvraag en de bestreden beslissing, hij niet de tijd heeft gehad om de nodige documenten te laten overkomen om zijn asielaanvraag op afdoende wijze te staven; dat hij erop wijst dat hij werd ondervraagd zonder tolk; 2.3.2.
  16. Overwegende dat uit het administratief dossier niet blijkt dat verzoeker op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen melding heeft gemaakt van stavingsstukken die hij nog wenste over te maken, zodat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met dit gegeven ook geen rekening kon houden; dat voorts uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wel degelijk werd bijgestaan door een tolk die het Urdu machtig was; dat volledigheidshalve dient aangestipt dat de rechten van verdediging niet van toepassing zijn in administratieve procedures in het raam van de Vreemdelingenwet; dat het derde middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is;
  17. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-15.994-6/7 BESLUIT: Artikel
  18. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  19. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.994-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.619 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.