← België

Arrest 150620 - - 25/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.620 Rolnummer: A. 126577/XIV-11638 Zaak: Arrest 150620 - - 25/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 03:24 Fiche Arrest nr 150.620 van 25 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.620 van 25 oktober 2005 in de zaak A. 126.577/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat E. DELVAUX, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Stationsstraat 10 A tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indische nationaliteit, op 23 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juni 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.638-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. DELVAUX, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Indische nationaliteit, is België binnengekomen op 22 mei 2002 en heeft zich op 23 mei 2002 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 17 juni 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 23 juli 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen afgelegd in dringend beroep bent u een Indische sikh afkomstig uit Talwandi, gelegen in Hoshiarpur. U werkte als landbouwer en was politiek niet actief. Begin 2002 werd een leegstaand huis vlakbij uw familieboerderij door “Khalistan”-strijders als schuilplaats gebruikt. De politie kreeg weet van hun aanwezigheid en voerde op 3 april 2002 een huiszoeking uit in het leegstaande huis. De sikhmiltanten waren afwezig maar tijdens hun zoektocht trof de politie ook wapens aan op de landbouwgrond van uw familie. De agenten vielen na deze ontdekking uw woonst binnen en samen met uw vader werd u gearresteerd. U en uw vader werden overgebracht naar het politiekantoor van Tanda en werden er hardhandig ondervraagd over jullie betrokkenheid bij de bevrijdingsstrijd van “Khalistan”. Na twee dagen werd uw vader weggebracht en tot op heden heeft u geen idee van wat hem overkwam. U bleef opgesloten op het politiekantoor maar wist veertien dagen later van een onachtzaamheid van de politie gebruik te maken en te ontsnappen. Vanuit het station van Tanda nam u de trein naar Delhi. Onderweg ontmoette u een dorpsgenoot van uw oom en verzocht hem uw oom om hulp te vragen. Twee dagen later kreeg u in de sikhtempel van Delhi bezoek van uw oom. Hij meldde u dat de politie naar u op zoek was in uw geboortedorp en raadde u aan India te ontvluchten. Uw oom regelde het contact met de reisagent die u het valse paspoort leverde waarmee u op 1 mei 2002 een vlucht naar Moskou nam. Verborgen in een vrachtwagen reisde u vervolgens via Kiev, Slowakije en Praag naar België en vroeg op 23 mei 2002 asiel aan. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt ondermijnd door tegenstrijdigheden en leemtes tussen de verklaringen die u op de verschillende asielinstanties aflegde. XIV-11.638-2/6 Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat uw vader bezorgd was over de aanwezigheid van de sikhmilitanten en met hen ging praten (zie gehoorverslag DVZ, nr.42). Op het Commissariaat-generaal daarentegen stelde u uitdrukkelijk dat uw vader nooit een woord met deze sikhmilitanten wisselde (zie gehoorverslag CGVS, dringend beroep, p.4). Voorts verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u uit het politiekantoor van Tanda wist te ontsnappen door uit het raam te springen en weg te rennen (zie gehoorverslag DVZ, nr.42). In strijd hiermee verklaarde u op het Commissariaat- generaal dat u zich op het moment van uw ontsnapping buiten het politiekantoor bevond en wegkwam door over een muur te klimmen (zie gehoorverslag CGVS, dringend beroep, p.6) Moet daarenboven worden vermeld dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken met geen woord repte over het feit dat de politie bij uw aanhouding op 3 april een “First Information Report” (FIR) tegen u opmaakte en na uw ontsnapping een arrestatiebevel tegen u uitvaardigde. Dergelijke vergetelheden, die betrekking hebben op de kern van uw relaas, zijn onbegrijpelijk en doen verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Voor zover nog enig geloof aan uw verklaringen kan worden gehecht moet vervolgens worden opgemerkt dat de door u aangehaalde vluchtmotieven onvoldoende ernstig zijn om gewag te kunnen maken van een vrees voor vervolging zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie. U verklaarde weliswaar éénmaal gearresteerd te zijn door de politie van Tanda maar maakt niet aannemelijk dat de Indische autoriteiten na uw beweerde ontsnapping inspanningen ondernamen om u nationaal op te sporen. Uw verklaring dat u onder uw eigen identiteit reisde en geen moeilijkheden ondervond bij de paspoortcontrole op de luchthaven van Delhi (zie gehoorverslag CGVS, dringend beroep, p.7) ondersteunt deze vaststelling en wijst niet op en geviseerd-zijn met het oog op vervolging. Vervolgens kan u dan ook niet verduidelijken waarom u niet elders in India kon verblijven om uw voorgehouden problemen met de politie van Tanda, die zich op het lokale vlak situeren, te ontlopen en aldus het interne vluchtalternatief toe te passen. Tenslotte was u niet in het bezit van enig reis- of identiteitsdocument zodat uw reisweg noch uw identiteit kunnen gecontroleerd worden. Uw asielaanvraag is bijgevolg onontvankelijk.”.
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  7. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Uiteenzetting van de middelen M.b.t. het belang van verzoeker bij het verzoek tot nietigverklaring. Volgens de definitie van de Conventie van Genève van 1951 is een vluchteling elke persoon die zich buiten zijn land van herkomst bevindt en die de bescherming van dat land niet meer kan of wil inroepen omdat hij vreest voor vervolging omwille van zijn ras, zijn religie, zijn nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep, zijn politieke overtuiging. Verzoeker koestert een gegronde vrees voor vervolging. De CG gaat op lichtzinnige wijze voorbij aan de ernst van de problematiek van verzoeker. De CG gaat in deze voorbij aan het feit dat het conflict in Punjab reeds grote aantallen slachtoffers heeft gemaakt. Verzoeker voelde zich aldus ten zeerste bedreigd. Verzoeker is de mening toegedaan dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Door onvoldoende rekening te houden met de ernst van de problematiek van verzoeker, schendt de CG de rechten van verdediging van verzoeker en is de CG minstens zeer onzorgvuldig geweest en heeft hij zeer zeker zijn beslissing niet naar behoren van recht gemotiveerd. Verzoeker vreest voor zijn leven ingeval van terugkeer naar Indië.. Derhalve kan hij niet naar zijn land van herkomst terugkeren. XIV-11.638-3/6 De bestreden beslissing bevestigt de verblijfsweigering en kan tot gevolg hebben dat verzoeker zou worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. Verzoeker heeft er alle belang bij om de nietigverklaring te vragen van de bestreden beslissing gezien, indien hij dit niet doet, zijn meest elementaire mensenrechten in gevaar komen. Verzoeker heeft aldus een geldig en voldoende belang. Zijn belang is persoonlijk, rechtstreeks, actueel en wettig. In deze had de CGVS de uiterste voorzichtigheid moeten betrachten, gelet op de problematische situatie van de mensenrechten in Indië (meer bepaald Punjab). Derhalve had hij de verblijfsweigering niet mogen bekrachtigen en had de CG minstens een verder onderzoek moeten bevelen. De CGVS had in ieder geval rekening dienen te houden met het feit dat verzoeker minderjarig is en derhalve had hij geenszins mogen stellen dat verzoeker mocht worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij was ontvlucht en waar volgens zijn verklaring zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zijn. M.b.t. de machtsoverschrijding en m.b.t. de niet-naleving van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. De beslissing die steunt op onjuiste of op juridisch onaanvaardbare motieven is met machtsoverschrijding genomen (R.v.St., 4 maart 1960, Brinkhuysen, nr. 7681; R.v.St., 30 september 1960, Janssens, nr. 8094; R.v.St., 23 november 1965, stad Oostende, nr. 11.519). Krachtens de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, is het een substantiële vormvereiste dat motivering - en dan nog noodzakelijkerwijze een juiste en juridisch aanvaardbare motivering - gebeurt van de door de overheid genomen beslissingen. De beslissing is niet naar behoren van recht gemotiveerd, gezien geen rekening werd gehouden met de problematiek van verzoeker, alsmede met de minderjarigheid van verzoeker. Uit de voorgaanden blijkt dat de bestreden beslissing niet juist of juridisch aanvaardbaar is en dat zij steunt op onjuiste, juridisch onaanvaardbare en onwettige motieven en dat zij derhalve niet behoorlijk naar recht gemotiveerd is. Dat de bestreden beslissing dan ook indruist tegen art. 6 E.V.R.M. doordat verzoeker op die wijze geen eerlijke behandeling krijgt van zijn zaak. Het Europees Hof van de Rechten van de Mens heeft zich op 7 juni 2001 uitgesproken over de procedure voor de administratieve rechtscolleges in Frankrijk.(Hof Mensenrechten, arrest Kress / Frankrijk - 7 juni 2001, http://www.echr.coe. int). Aldus blijkt dat administratieve procedures getoetst - zoals een procedure asiel - getoetst kunnen worden aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dat de CG in de bestreden beslissing schendt het artikel 1, par. A, al. 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, alsmede de uitvoeringsbesluiten van de Wet van 15 december 1980 de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsverplichting; wanneer deze, zonder gegronde redenen, stelt dat de asielaanvraag van verzoeker, bedrieglijk is. Het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York van 20 november 1989, geratificeerd door de Belgische staat bij Wet van 25 november 1991, B.S. 17 januari 1992, (in het bijzonder de artikelen 1 tot en met 41).”; 2.2.
  8. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 1, (A), 2 van de Vluchtelingenconventie, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de XIV-11.638-4/6 algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsverplichting en van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind; dat volgens verzoeker de bestreden beslissing niet naar recht is gemotiveerd, aangezien geen rekening werd gehouden met de problematiek van verzoeker alsmede met zijn minderjarigheid; dat verzoeker meent dat de bestreden beslissing “indruist tegen artikel 6 EVRM doordat verzoeker op die wijze geen eerlijke behandeling krijgt van zijn zaak”; dat verder verzoeker “machtsoverschrijding” aanvoert; 2.2.
  9. Overwegende dat, wat de aangevoerde schending van het Verdrag inzake de rechten van het kind betreft, daargelaten de vraag of dit verdrag rechtstreekse werking heeft in de Belgische rechtsorde, uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat een polsradiografie werd uitgevoerd op 28 mei 2002 waaruit is gebleken dat verzoeker “minstens 19 jaar is”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen er derhalve op basis van de gegevens van het administratief dossier kon van uitgaan dat verzoeker meerderjarig was; dat artikel 52, § 1, 2/, a) en 7/ van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is en/of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, om een exact beeld van de situatie te krijgen waarin de vreemdeling zich bevindt ten tijde van het onderzoek van het dringend beroep, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te nemen; dat het bedrieglijk karakter, onder meer, kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene tegenstrijdig zijn of niet overeenstemmen met geloofwaardige gegevens waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van oordeel is dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zijn; dat verzoeker er niet in slaagt valabele argumenten aan te brengen die de wettigheid van de bestreden beslissing aantasten; dat, wat de aangevoerde schending van artikel 6 van het E.V.R.M. betreft, kan worden volstaan met de opmerking dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet dienstig kan worden ingeroepen aangezien betwistingen in verband met de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen buiten de toepassingssfeer ervan vallen; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-11.638-5/6
  10. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.638-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.620 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.