← België

Arrest 150676 - - 25/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.676 Rolnummer: A. 122958/XIV-10564 Zaak: Arrest 150676 - - 25/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 03:29 Fiche Arrest nr 150.676 van 25 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.676 van 25 oktober 2005 in de zaak A. 122.958/XIV-10.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Britselei 76 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift datXXX, geboren in 1960 en van Marokkaanse nationaliteit, op 7 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 maart 2002 tot uitsluiting van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 mei 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 8 mei 2002; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag d.d. 28 april 2005 opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 september 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-10.564-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. DECAIGNY, die loco Advocaat W. MERTENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. XXX heeft op 29 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
  4. Op 16 augustus 2000 stelde het secretariaat van de Commissie voor Regularisatie vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was, en zond de aanvraag met een negatief advies voor beslissing over aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Aan verzoeker werd meegedeeld dat hij na de kennisgeving van dit advies over een termijn van drie dagen beschikte om zijn standpunt uiteen te zetten aan de bevoegde Minister. 1.
  5. Op 29 augustus 2001, op 4 september 2001 en op 28 september 2001 richtte de Advocaat van verzoeker een schrijven met bijkomende stukken naar de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.
  6. Op 27 november 2001 is verzoeker door de Commissie voor Regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.
  7. Op 7 december 2001 heeft de eerste Kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. 1.
  8. Op 27 maart 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing genomen tot uitsluiting van verzoeker van de toepassing van de Regularisatiewet. Dit is de eerste bestreden beslissing. “(...) Gelet op de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het gebied van het Rijk, inzonderheid de artikelen 5 en 14; XIV-10.564-2/5 Gelet op de aanvraag tot regularisatie ingediend op 29 januari 2000 door de zich noemende B. A., geboren te Beni Touzine in 1960 of te Al Housima in 1960 van Marokkaanse nationaliteit, alias B. H., alias B. A., alias A. S., geboren te Beni Touzine in 1958, alias EL K. Sahid, geboren te Beni Touzine in 1962, alias .. alias B. K. of Khalid geboren te Beinti in 1960, alias B. .M. Overwegende dat voor deze aanvraag het criterium

(4)werd aangevoerd; Overwegende dat hij onderworpen werd aan een Ministerieel Besluit tot terugwijzing van 27.02.1990, hem betekend via de gevangenis op 19.03.1990, in werking tredend bij zijn vrijlating op 22.06.1990 maar niet meer van kracht sedert 21.06.2000; Overwegende dat dit besluit werd gemotiveerd door (de omstandigheid) dat uit de feiten blijkt dat hij door zijn persoonlijk gedrag de openbare orde heeft geschaad: poging tot verzwaarde diefstal, onwettig verblijf, valsheid in geschriften en valse naamdracht, feiten waarvoor hij veroordeeld werd tot definitief geworden straffen van één jaar, 6 maand, 2 maand en 4 maand gevangenisstraf; Overwegende dat betrokkene op 23.08.1991, 8.11.19991
(1991), 26.03.19992
(1992), 21.04.1994 en 23.11.1994 een bevel werd betekend om het grondgebeid te verlaten; Overwegende dat betrokkene op 15.01.1995 werd gerepatrieerd met bestemming Casablanca; Overwegende dat hij uit hoofde van zware diefstal op 31.12.1990 door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maand; Overwegende dat hij uit hoofde van diefstal met geweld, bij nacht, diefstal, poging tot diefstal, inbreuk op de wetgeving betreffende de verdovende middelen, poging zware diefstal, valse naamdracht, op 31.07.1992 door het Hof van Beroep te Antwerpen, op beroep van 16.06.1992, werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar en uit hoofde van valsheid in geschriften en gebruik valse stukken, wetende dat ze vals waren, tot een gevangenisstraf van 6 maand; Overwegende dat hij uit hoofde van onwettig bezit en handel in verdovende middelen op 23.12.1997 door de Correctionele Rechtbank - bij verstek - werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 jaar en uit hoofde van onwettig binnenkomen of verblijf in het Rijk tot een gevangenisstraf van 3 maand; Overwegende dat uit de voorgaande feiten blijkt dat hij, door zijn persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad; Overwegende dat hij dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent; BESLIST: de zich genoemde B. . geboren te B. T. in 1960 of Al Housima in 1960 van Marokkaanse nationaliteit, alias B. H., alias B. A., alias .. geboren te Beni Touzine in 1958, alias EL K. . geboren te Beni Touzine in 1962, alias B. . B. K. of Khalid geboren te Beinti in 1960, alias BO. M. is uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en zal kunnen verwijderd worden uit het Rijk; (...)”. 1.
  1. Op 8 mei 2002 werd aan verzoeker het bevel ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  3. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de rechten van de verdediging; dat verzoeker aanvoert dat de in de eerste bestreden beslissing aangehaalde feiten niet zijn persoon betreffen, zodat de eerste bestreden beslissing foutief is gemotiveerd; 2.
  4. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat verzoeker de motieven van de eerste bestreden beslissing kent, zodat hij de XIV-10.564-3/5 schending van de formele motiveringsplicht niet kan aanvoeren; dat de verwerende partij vervolgt dat verzoeker geen begin van bewijs voorlegt om aan te tonen dat de feiten vermeld in de eerste bestreden beslissing niet zijn persoon betreffen; dat door de Dienst gerechtelijke identificatie van de Gerechtelijke Politie op 8 januari 1994 werd vastgesteld dat de vingerafdrukken van verzoeker overeenstemmen met zeven verschillende identiteiten, waaronder de vingerafdrukken van de persoon wiens veroordelingen ten laste worden gelegd van verzoeker; 2.
  5. Overwegende dat verzoeker zijn uiteenzetting betreffende de schending van de motiveringplicht beperkt tot het argument dat de eerste bestreden beslissing foutief is gemotiveerd omdat “de aangehaalde feiten hem niet betreffen”; dat verzoeker niet bewijst dat de in de eerste bestreden beslissing opgesomde feiten en veroordelingen niet zijn persoon betreffen; Overwegende dat het aan de strafrechter staat om te oordelen over eventuele persoonsverwisselingen in het kader van de strafprocedures; dat de Raad van State onbevoegd is om een oordeel uit te spreken over strafrechtelijke uitspraken die in kracht van gewijsde zijn getreden; dat uit het administratief dossier samengelezen met de eerste bestreden beslissing blijkt dat verzoeker verschillende gevangenisstraffen heeft uitgezeten, al dan niet onder verschillende identiteiten; Overwegende dat vaststaat dat verzoeker een zwaar gerechtelijk verleden heeft waaruit blijkt dat hij een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde en voor de nationale veiligheid, zodat de bestreden uitsluitingsbeslissing op basis van artikel 5 van de regularisatiewet zowel formeel als materieel gemotiveerd is; Overwegende dat verzoeker niet uitwerkt hoe en waarom zijn rechten van verdediging worden geschonden, zodat dit onderdeel van het enig middel onontvankelijk is; dat deze exceptie van onontvankelijkheid ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen; Overwegende dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is; Overwegende dat verzoeker geen middel aanvoert dat is gericht tegen de tweede bestreden beslissing, XIV-10.564-4/5 BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.564-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.676 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.