← België

Arrest 150678 - - 26/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.678 Rolnummer: A. 147516/VII-31631 Zaak: Arrest 150678 - - 26/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 03:30 Fiche Arrest nr 150.678 van 26 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.678 van 26 oktober 2005 in de zaak A. 147.516/VII-31.631 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat W. VAN PUTTEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Rijnkaai 93, Hangar 26 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Turkse nationaliteit, op 11 februari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 januari 2004 tot weigering van regularisatie; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 29 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VANDERPUTTEN, die, loco advocaat W. VAN PUTTEN, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; VII-31.631-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. Op 28 januari 2000 heeft de verzoekende partij een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het rijk. 1.
  3. De Commissie voor regularisatie heeft op 16 april 2003 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. Dit advies luidt als volgt: "Gelet op de beschikking van 29 januari 2003 van de Vice-Eerste-Voorzitter van -de Commissie mevrouw Carla Vercammen, met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan de Nederlandstalige kamer op de zitting van 27 februari
  4. Op deze zitting verscheen de verzoekende partij in persoon en werd bij bijgestaan door zijn raadsman mr. Katrien Vanhaile die verschijnt loco mr. Wim Van Putten beiden advocaat aan de balie van Antwerpen en verzoeker kon worden gehoord met de bijstand van een tolk. En zoals voorzien in artikel 10 § 1 van het K.B. van 5 januari 2000 gebeurde de behandeling van het verzoek mondeling. Reeds eerder had de verzoekende partij kennis kunnen nemen van de nota van het onderzoekssecretariaat van 25 september 2000 en waarin te lezen was dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was zodat de aanvraag met een negatief advies voor beslissing werd overgemaakt aan de Minister op grond van artikel 12 § 1 van de Wet van 22.12.
  5. Daarin werd reeds vermeld dat de controle van de woonst van verzoeker op het adres Dambruggestraat 170 te Antwerpen tot driemaal toe een negatief resultaat had gegeven op 2, 5 en 20 maart
  6. Betrokkene beschikte, na het ter kennis brengen van dit advies op de wijzen bepaald in de artikelen 10 en 13 van dezelfde wet, vanaf de tussenkomst van de gemeentepolitie bedoeld in voornoemde artikelen over een termijn van drie dagen om zijn standpunt uiteen te zetten aan de minister, en dit per aangetekende brief. Uit het dossier blijkt dat dit advies door de politie van Antwerpen slechts op 29 januari 2001 persoonlijk aan verzoeker kon worden afgegeven op verblijfplaats 170 te Antwerpen. De eerder op 03-10-2000 per post gedane verzending ervan op het adres Nachtegaalstraat 170 te 2060-Antwerpen, adres van zijn advocaat Antoon De Pourcq, was door de Post als onbestelbaar teruggekeerd aan de Commissie. Het schrijven gericht aan het adres Dambruggestraat 170 te Antwerpen met het advies was niet teruggekeerd. Merkwaardig is hierbij dat de Commissie vanwege de stad Antwerpen op 29 mei 2000 een stuk had ontvangen waarop vermeld stond dat het adres van verzoeker dan Van Kerckhovestraat 24 te 2060-Antwerpen was geworden. VII-31.631-2/6 Voor verzoeker heeft zijn raadsman advocaat Johan Claes uit Antwerpen, met een op 31 januari 2001 gedateerd schrijven waarvan het bewijs van tijdige verzending aan de Commissie niet voorligt, daarop gereageerd en wel als volgt. Verzoeker XXX vertelde dat de meeste familieleden in Antwerpen wonen en dat dit de reden was om ook in België te willen blijven. Er werd een verklaring van 16.02.00 uitgaande van Dr. A. Rahman M.D. Brusselsestraat 83 aan toegevoegd en waarin geschreven werd dat verzoeker XXX 08.12.1958 wonende Dambruggestraat 170 Antwerpen hem bekend was sinds 1995 en sinds 12.09.1999 nog altijd onder zijn behandeling was wegens ziekte toestand. Er werden verschillende verklaringen aan toegevoegd waarbij verteld werd dat hij sinds 1994 gekend was. Opnieuw had tandarts S. Bilgiç Victor Driessensstraat 66 Antwerpen verzoeker volgens verklaring sinds begin februari 1995 verschillende keren gezien voor tandheelkundige urgenties en daarbij gratis behandeld om humanitaire redenen. Een apotheker herinnerde zich verzoeker sinds 1993 als cliënt en gebuur. Er werden verschillende huurovereenkomsten aan toegevoegd en kwijtschriften voor betaling huurgelden. De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie, kennis nemen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken met het nummer 4.582.778 en in welk dossier de gegevens werden genoteerd die aan de overheid bekend geraakten over een aanwezigheid van de betrokken vreemdeling in het Rijk zodat die gegevens ook bekend waren aan de verzoekende partij op wie ze betrekking hebben. De gegevens hiervan werden ter zitting tegensprekelijk behandeld. Bij een controle op 26 november 1996 te Antwerpen werd Gürbüz Bayram, geboren op 8.12.1958 te Illistra, bij controle in een schrijnwerkerij Jef Lambeauxstraat 15-17 te Antwerpen betrapt als illegale vreemdeling op zwartwerk en gaf deze als woonplaats op Meetsuikerstraat 36 te Arnhem in Nederland bij zijn broer en verklaarde hij een week voordien naar België te zijn gekomen waarna hij deze verklaring ook ondertekende. Er werd een bevel voorgesteld om het grondgebied te verlaten uiterlijk op 01.12.96, maar eveneens Duitsland, Spanje, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Portugal omdat hij niet in het bezit was van een geldig paspoort en een geldig visum. Later bleek, ingevolge een controle van de Rijkswacht op de Nationale Luchthaven van Zaventem, dat verzoeker op de ambassade te Ankara op 26104193 een Benelux-visum NE/93124843 bekomen had voor één maand en in april 93 via Schiphol was binnengekomen. Hij vertrok op 15104197 om 9u20 naar Istambul met vlucht IST.268 en bezat paspoort G.319.493 -7012226191 afgeleverd te Karaman op 24/11/92 en geldig tot 13/10/97 De verzoekende partij heeft voor de ingediende aanvraag tot regularisatie van verblijf beroep gedaan op het artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land ontwikkeld hebben. Bij het inroepen van dit artikel moest de betrokken vreemdeling volgens artikel 9,9/ van de Wet van 22 december 1999 het bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van een beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn. Op 28 januari 2000 vroeg verzoeker ook om een regularisatie van verblijf voor zijn op 1 januari 1961 geboren echtgenote A. R. en zijn kinderen S. G. geboren op 27 juni 1980, H. G. geboren op 12 mei 1982 en T. G. geboren op 9 april
  7. Gezien de twee oudste kinderen reeds meerderjarig zijn kan verzoeker volgens het Belgisch recht niet meer in hun naam optreden en de Commissie kon geen kennis nemen van hun eigen wilsuitdrukking zodat voor hen ook geen verder onderzoek kan gebeuren en de Commissie voor hen geen advies kan geven. Zowel echtgenote als de drie vermelde kinderen verblijven trouwens nog steeds in Turkije. Zijn kinderen blijken ook nooit in VII-31.631-3/6 België op school te zijn geweest. Een stuk waaruit de juiste samenstelling van zijn gezin kon blijken werd ook niet voorgebracht door verzoeker hoewel dergelijk stuk gemakkelijk bij de Turkse autoriteiten had kunnen opgevraagd worden. Uit die vaststaande gegevens blijkt dus reeds zeer duidelijk dat de duur van het werkelijk verblijf in het land te kort is om op basis van de duur ervan tot een regularisatie te kunnen komen. De door de wetgever voor regularisatie op deze rechtsgrond vereiste termijn van zes jaar continu verblijf in het Rijk werd door verzoeker immers met zekerheid niet bereikt. Het blijft zelfs zo dat verzoeker geen enkel echt toetsbaar element heeft kunnen bezorgen aan de Commissie om zijn verblijf in dit land op 1 oktober 1999 voldoende geloofwaardig te maken. Ook op de zitting voelt verzoeker nog behoefte om zich met een tolk te laten bijstaan zodat hij zich daardoor zelf bewust toonde van het feit dat hij die taal zelfs drie jaar na het indienen van zijn aanvraag nog niet voldoende machtig is. Het blijft vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op grond van gelijkheid dienen behandeld te worden hetgeen betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeed voor de verzoekende partij zoniet zou er mogelijkheid bestaat dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben dan diegenen die veel later voor de Commissie konden verschijnen. Na het indienen van zijn aanvraag voor regularisatie van verblijf is verzoeker wet effectief willen toetreden tot het officiële arbeidscircuit ook al blijkt uit de voorgelegde loonbrieven niet dat het om volledige prestaties ging of dat het maandelijks verdiende netto loon verzoeker in staat kon stellen om er een normaal leven mee te leiden. Het is dan ook eigenlijk eigenaardig dat verzoeker nog in staat was om nog gelden naar Turkije te sturen omdat daardoor de vraag onwillekeurig rijst van wat hij dan zelf hier een normaal leven kon leiden. De Commissie kan niet anders dan daaruit besluiten dat verzoeker niet alle informatie heeft verstrekt over zijn inkomen. Verzoeker kan de Commissie ook niet overtuigen dat hij hier duurzame sociale bindingen had opgebouwd of hier deelnam aan een maatschappelijk leven of zich op enige wijze en steeds sterker betrokken voelde bij de Belgische gemeenschap. Aangezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2000 p.588-592) en volgens artikel 19 in werking getreden op 10 januari 2000.". 1.
  8. Op 9 januari 2004 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de bestreden beslissing.
  9. Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van artikel 6.1 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.), goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 en van het recht van verdediging; dat de verzoekende partij stelt dat de regularisatieprocedure onverantwoord lang heeft geduurd; VII-31.631-4/6 Overwegende dat artikel 6, § 1, van het E.V.R.M. naar luid waarvan bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld, enkel betrekking heeft op jurisdictionele procedures en niet op een administratieve procedure in het kader van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het rijk; dat het recht van verdediging om dezelfde reden te dezen evenmin van toepassing is; dat de duur van de procedure te wijten is aan het feit dat het dossier in beslag werd genomen door de gerechtelijke diensten en pas op 13 januari 2003 werd vrijgegeven; dat het feit dat de verzoekende partij gedurende die tijd in het rijk kon verblijven haar geen recht op regularisatie verschaft;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-31.631-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-31.631-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.678 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.