id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.686 Rolnummer: A. 136758/VII-29860 Zaak: Arrest 150686 - - 26/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-17 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 03:30 Fiche Arrest nr 150.686 van 26 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.686 van 26 oktober 2005 in de zaak A. 136.758/VII-29.860 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat Z. MAGLIONI, kantoor houdende te 4000 LUIK, rue de Joie 56 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van voormalig Joegoslavische nationaliteit, op 14 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 19 mei 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 14 april 2003; Gelet op de beschikking van 28 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; VII-29.860-1/4 Gelet op de beschikking van 29 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN KILDONCK, die, loco advocaat Z. MAGLIONI, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 7 oktober 1999 en verklaarde zich op 12 oktober 1999 vluchteling. 1.
- Op 19 mei 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten. 1.
- Op 10 april 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt: "Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen of aan de oproeping vervat in de brief die u werd verstuurd op uw gekozen woonplaats op 07/03/
- Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing. VII-29.860-2/4
- Overwegende dat in een enig middel de verzoekende partij de schending inroept van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat de verzoekende partij betwist dat zij de oproepingsbrief ooit heeft ontvangen; dat zij stelt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen alvorens de asielaanvraag af te wijzen, haar asielrelaas had moeten onderzoeken; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de oproepingsbrief werd verstuurd naar de door de verzoekende partij gekozen woonplaats en daar door de postdiensten werd aangeboden, maar niet werd afgehaald; dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij ten gevolge van overmacht geen gevolg had gegeven aan de oproepingsbrief en de vraag om inlichtingen; dat haar gebrek aan reactie volstond om de asielaanvraag te verwerpen, zodat de commissaris-generaal het asielrelaas van de verzoekende partij niet verder diende te onderzoeken;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-29.860-3/4 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-29.860-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.686 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div