← België

Arrest 150688 - - 26/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.688 Rolnummer: A. 124485/VII-27361 Zaak: Arrest 150688 - - 26/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 03:31 Fiche Arrest nr 150.688 van 26 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.688 van 26 oktober 2005 in de zaak A. 124.485/VII-27.361 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat T. DESCHEPPER, kantoor houdende te 9000 GENT, Monterreystraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 25 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 16 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier en gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 29 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-27.361-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die, loco advocaat T. DESCHEPPER, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 30 juli 2000 en verklaarde zich op 31 juli 2000 vluchteling. 1.
  3. Op 7 november 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten. 1.
  4. Op 10 juli 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U, een Iraans staatsburger van Perzische/Azerische origine verklaart verscheidene problemen te hebben gehad in Iran. Rond 20/06/2000 verliet u uw land. Op 30/07/2000 bent u in België aangekomen waar u op 31/07/2000 asiel hebt gevraagd. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. In 1377 (volgens de Perzische kalender, stemt overeen met 1998) schreef u een monarchistische slogan in de bergen van Darakeh. U werd betrapt en gearresteerd. U verbleef drie maanden in de Tohide gevangenis en nadien nog vijf maanden in Evin. In de gevangenis van Tohide werd u gemarteld. U werd nooit officieel veroordeeld en ontmoette nooit een rechter. Door tussenkomst door een Mollah, waarvoor u gewerkt had maar die u echter niet kende, kwam u vrij. De rechter kwam drie maal in uw cel u verhoren. Op 14/12/1377 (5/3/1999) kwam u vrij. De eigendomsakte van het ouderlijke huis moest als borg worden voorgelegd aan de rechter Hadji AGHA VAHIDE. Anderhalf jaar later kwam u terug in de problemen doordat u een boek van Salman Rushdie had geleend van uw vriend Akbar of Mohsen die een boekhandel had. U had het boek in uw auto verstopt. Aan de controlepost werd u echter tegengehouden en vond men het boek. U diende voor verhoor in de auto van het Komité (plaatselijke Nuru-ye Entazami of reguliere politie) plaats te nemen, maar u nam de benen en wist te ontsnappen. U verbleef bij uw vriend Akbar en vernam via telefonisch contact met uw zus dat het huis was doorzocht, uw ouders waren ondervraagd en uw jongere broer werd meegenomen. Uw broer werd 15 dagen vastgehouden en nadien terug vrijgelaten. Vooreerst dienen tegenstrijdigheden te worden vastgesteld tussen uw opeenvolgende verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het VII-27.361-2/6 Commissariaat-Generaal (CGVS) enerzijds en anderzijds tussen uw verklaringen op het Commissariaat-generaal onderling. U legt tegenstrijdige verklaringen af in verband met het boek van Salman Rushdie. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat uw vriend u het boek bracht (DVZ, vraag 42, 1e bladzijde). Voor het Commissariaat-Generaal verklaarde u dat u zelf het boek ging halen bij uw vriend (CGVS, p.10). De plaats waar het boek u overhandigd werd is bijgevolg verschillend. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat uw vriend het boek naar uw winkel bracht, aangezien u kleermaker was (DVZ, vraag 42, 1e bladzijde). Voor het Commissariaat-Generaal verklaarde u echter dat u kleermaker was voor een fabriek. U leverde de afgewerkte kledingstukken terug af aan de fabriek, van een winkel is dus helemaal geen sprake meer. Het boek werd u overhandigd in de boekhandel (CGVS, p.3 & p.10). Ook over de voorwaarden die aan uw vrijlating verbonden waren, legde u tegengestelde verklaringen af. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u te zijn vrijgelaten op voorwaarde dat u geen politieke activiteiten meer zou uitvoeren (DVZ, vraag 42, 1e bladzijde). Voor het Commissariaat-Generaal verklaarde u dat de eigendomsakte als borg diende voorgelegd te worden, andere voorwaarden werden niet gesteld (CGVS, pp.6- 7). Verder dienen ook tegenstrijdigheden te worden opgemerkt die blijken uit het interview voor het Commissariaat-Generaal. Wat betreft het ontmoeten van een rechter tijdens uw gevangenschap, verklaart u aanvankelijk nooit een rechter ontmoet te hebben (CGVS, p.5). Even later verklaart u daarentegen dat een rechter drie maal bij u in de cel kwam om u te verhoren (CGVS, p.7). Ook met de namen van uw vrienden lijkt u problemen te hebben. Eerst verklaarde u dat de eigenaar van de boekhandel Akbar heette (CGVS, p.10). Wanneer u een tweede maal om de naam van de boekhandelaar gevraagd wordt, zegt u dat het uw vriend Mohsen was (CGVS, p.10). Bovendien is het toch wel zeer merkwaardig dat u voor de Dienst Vreemdelingenzaken niets verklaarde over uw opsluiting (DVZ, vraag 44), terwijl u voor het Commissariaat-Generaal beweert 8 maanden in een isoleercel te hebben doorgebracht in twee notoire gevangenissen, namelijk Tohide en Evin. Dit doet verder afbreuk aan uw geloofwaardigheid. In verband met het ‘verboden boek’ waardoor u opnieuw in de problemen dreigde te komen is het toch wel zeer eigenaardig dat u bij de Dienst Vreemdelingenzaken weet dat het boek ‘De duivelsverzen’ heet en u voor het Commissariaat-Generaal niet meer weet wat de titel van het boek was. Wanneer u dan gevraagd wordt om de inhoud van het boek, kunt u niets concreet vertellen (CGVS p. 11). Sinds uw verblijf in België las u het boek, maar u begreep het niet. De waarachtigheid van uw interesse in het boek en de bereidheid om enorme risico’s te nemen om het boek in handen te krijgen en te kunnen lezen in Iran, moet in twijfel worden getrokken gezien u na twee jaar verblijf in België noch de titel, noch de inhoud van het boek kunt toelichten. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken meldde u niets over de huiszoeking en de ondervraging van uw ouders. U heeft het wel over de ontvoering van uw broer (DVZ, vraag 47). Voor het Commissariaat-Generaal vertelde u over de arrestatie van uw broer (CGVS, p.12). Een ontvoering of een arrestatie is toch iets totaal anders. Het feit dat uw broer, naar aanleiding van uw verdwijning, 15 dagen zou aangehouden zijn is evenmin geloofwaardig. Uit de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt, blijkt dat het mogelijk is dat u familie werd verhoord maar van familiehechtenis is echter geen sprake (Nederlands ambtsbericht. Iran- situatie., IND, aug. 2001, 3.5.6). Bovenstaande tegenstrijdigheden, ongerijmdheden en onduidelijkheden zijn dusdanig flagrant dat sterke twijfels rijzen aangaande uw vluchtmotieven. Zelfs indien de verklaringen met de werkelijkheid zouden overeenstemmen, quod non, blijkt uw vrees kennelijk ongegrond. Het in het bezit hebben van verboden materiaal, waaronder literatuur leidt in de praktijk hooguit tot een geldboete (Algemene Situatie., IND, 1998, p.16.). En wat betreft uw opsluiting voor de monarchistische slogan deze kan niet meer worden beschouwd als actuele vrees voor vervolging, daar VII-27.361-3/6 zij dateert van anderhalf jaar voor uw vertrek uit Iran. Bovendien kreeg u geen voorwaardelijke straf door de rechtbank of bijkomende voorwaarden bij uw vrijlating opgelegd en gezien het satirische werk van Rushdie totaal geen verband heeft met royalisme, is het weinig waarschijnlijk dat uw eerdere opsluiting als een verzwarend element zou kunnen worden beschouwd. De door u voorgelegde documenten, namelijk uw rijbewijs, kopie van de eerste bladzijde van uw boekje van burgerlijke stand, legerkaartje en sportkaartje wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet omdat geen van deze documenten de door u aangehaalde vluchtmotieven bevestigt. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951.". Dit is de bestreden beslissing.
  5. Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en van artikel 3 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat de verzoekende partij de in de bestreden beslissing aangehaalde tegenstrijdigheden en onduidelijkheden tracht te weerleggen en deze onder meer toeschrijft aan vertaalproblemen; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met voornoemde verdragsbepaling; dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat deze wetsbepaling niet geschonden is louter en alleen omdat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partij en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat de verzoekende partij dit te dezen niet aantoont; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal uit een warrig, weinig precies, soms incoherent en zelfs tegenstrijdig asielrelaas afgeleid heeft dat de asielaanvraag bedrieglijk was; dat van de kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren VII-27.361-4/6 van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de commissaris-generaal in het huidige geval op redelijke gronden vaststelt dat een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de verzoekende partij ondermijnen; dat deze tegenstrijdigheden, die geput werden uit de verklaringen van de verzoekende partij, in de bestreden beslissing werden weergegeven; dat deze beslissing naar behoren formeel is gemotiveerd, nu zij de feitelijke en juridische elementen aangeeft waarop de commissaris- generaal zich te dezen heeft gesteund om de asielaanvraag bedrieglijk te verklaren; dat de verzoekende partij wel beweert maar niet bewijst dat vertaalproblemen aan de oorsprong lagen van een gebeurlijk verkeerde interpretatie van haar verklaringen; dat de verzoekende partij in het algemeen wil aantonen dat de commissaris-generaal de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd heeft beoordeeld; dat de appreciatie van de feitelijke gegevens in de eerste plaats zaak is van de overheid; dat het de Raad van State niet toekomt zich bij het beoordelen van die feitelijke gegevens in de plaats te stellen van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, belast met de wettigheidscontrole, moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat de bepaling van artikel 3 van het E.V.R.M., volgens dewelke niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden ingeroepen, namelijk wanneer blijkt dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat er bij terugleiding naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing; dat de uiteenzetting van het middel summier is; dat de verzoekende partij in gebreke blijft bewijzen en concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat de verwijdering van het grondgebied van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van artikel 3 van voornoemde verdragsbepaling; dat de verzoekende partij zich in haar uiteenzetting tot loutere affirmaties beperkt;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: VII-27.361-5/6 Artikel
  7. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-27.361-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.688 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.