id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.692 Rolnummer: A. 148191/VII-31735 Zaak: Arrest 150692 - - 26/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-17 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 03:31 Fiche Arrest nr 150.692 van 26 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.692 van 26 oktober 2005 in de zaak A. 148.191/VII-31.735 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat J. HELSEN, kantoor houdende te 2640 MORTSEL, Pieter Reypenslei 25 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Libanese nationaliteit, op 27 februari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 januari 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 augustus 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 30 januari 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-31.735-1/7 Gelet op de beschikking van 29 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die, loco advocaat J. HELSEN, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 22 juli 2003 en verklaarde zich op 25 juli 2003 vluchteling. 1.
- Op 8 augustus 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten. 1.
- Op 29 januari 2001 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U, die de Libanese nationaliteit bezit en afkomstig bent van Nabatya, zou sinds 1995 zijn aangesloten bij de sjiitische verzetsbeweging “Hezbollah”. U zou een gewoon lid zijn geweest van deze beweging. In 1998 zou u een militaire training hebben ondergaan. Op 6 juni 1999 zou u als strijder zijn ingezet op de verdedigingslinie tegen het Israëlisch leger. U zou bij één van de gevechten zijn verwond aan uw oog. “Hezbollah” zou de kosten voor uw medische verzorging hebben gedragen. Na dit incident zou u geen activiteiten meer hebben ontplooid voor de “Hezbollah”. U zou deze beweging zijn beginnen haten en geleidelijk aan zich hebben teruggetrokken uit de “Hezbollah”. U zou geen verdere problemen hebben ondervonden met “Hezbollah”, maar uit vrees voor vervolging voor desertie uw land VII-31.735-2/7 zijn ontvlucht. In september 2002 zou u op legale wijze naar Syrië zijn gereisd. U zou er tien maanden zijn verbleven en vervolgens Turkije zijn ingereisd. Verder zou u clandestien per vrachtwagen naar België zijn afgereisd voor asiel. B. Motivering Er dient opgemerkt dat uw beweringen niet in overeenstemming zijn met de objectieve informatie waarover het Commissariaat-generaal (CGVS) beschikt. Zo verklaarde u dat de “Hezbollah” leden zou dwingen om bij de beweging te blijven en dat desertie leidt tot vervolging door deze militie (zie gehoorverslag CGVS, p. 4, p. 4 bis, p.5). Uit informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier is gevoegd blijkt dat er tot op heden geen geval bekend is van vervolging of sanctionering door “Hezbollah” van een uit de beweging gedeserteerd militie-lid. Een deserteur kan wel het slachtoffer zijn van intimidatie of pesterijen, maar dat zijn praktijken die men niet kan toeschrijven aan “Hezbollah”. Dergelijke repressailles zijn vreemd aan het beleid en het optreden van de beweging “Hezbollah”. De “Hezbollah”-leiding keurt bovendien zulke handelingen ten strengste af. De auteurs van vervolging zijn in voorkomend geval één of meerdere personen uit de naaste omgeving van het betrokken militie-lid, of diens familie. Deze eventuele problemen met lokale “Hezbollah”-militanten kunnen ontlopen worden door zich elders in het land te vestigen. Bovendien verklaarde u nog meer dan twee jaren in Libanon te hebben verbleven zonder enige vervolgingsdaden te hebben ondergaan vanwege “Hezbollah”. U zou nooit bedreigd, gearresteerd of gedetineerd zijn geweest, maar enkel onder sociale druk hebben gestaan bij deze militie te blijven (zie gehoorverslag CGVS, p. 5). Tot slot legt u geen enkel identiteits- of reisdocument neer waardoor uw beweerde identiteit en reisweg niet kunnen worden geverifieerd. Uit bovengaande vaststellingen dient besloten te worden dat er geen geloof kan gehecht worden aan uw bewering vervolgd te worden door “Hezbollah”. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van “artikel 52, 7/” van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij stelt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dient te motiveren waarom haar asielaanvraag bedrieglijk is en dat de commissaris-generaal toegeeft dat ex-leden van de Hezbollah gepest en geïntimideerd worden; Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris- generaal toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het VII-31.735-3/7 asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is; dat in dit verband, het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene aangetast zijn door tegenstrijdigheden, verward zijn of onsamenhangend of in strijd zijn met algemeen bekende feiten; dat de informatie waarover de commissaris-generaal beschikt zich in het administratief dossier bevindt zodat de verzoekende partij deze heeft kunnen inzien en in het kader van huidig beroep heeft kunnen tegenspreken; dat het betoog van de verzoekende partij, dat bedrieglijkheid ipse facto inhoudt dat zij liegt en dat de bestreden beslissing in die zin dient gemotiveerd te zijn, bijgevolg niet kan worden bijgetreden; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: "Schending van artikel 4 e.v. van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Aangezien artikel 4 van de wet op de openbaarheid van bestuur luidt als volgt: "... Het recht op het raadplegen van een bestuurdocument van een federale administratieve overheid en op het ontvangen van een afschrift van het document bestaat erin dat eenieder, volgens de voorwaarde bepaald in deze wet, elk bestuursdocument ter plaatse kan inzien, dien omtrent uitleg kan krijgen en mededeling in afschrift kan ontvangen. Voor documenten van persoonlijke aard is vereist dat de verzoeker van een belang doet blijken..." Dat naar aanleiding van een verzoek tot inzage bij het Commissariaat-generaal de gelastigde van de Commissaris-generaal, weigerde inzage te verlenen in het dossier van verzoeker en bijaldien ook weigerde afschrift mee te delen van de stukken die door de Dienst Vreemdelingenzaken werden opgesteld (stuk 5); Dat het geen betoog hoeft om te besluiten dat de wet geschonden werd; Dat de markante miskenning van de wet, waarbij het belang dat verzoeker kan laten gelden uiteraard als een paal boven water staat, tevens de rechten van verdediging van verzoeker schendt; Dat de bestreden beslissing niet naar recht verantwoord kan worden;”; Overwegende dat artikel 8 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur als volgt is opgesteld: "Artikel 8 §§
- Er wordt een Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten opgericht. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de samenstelling en de werkwijze van de Commissie. §§
- Wanneer de verzoeker moeilijkheden ondervindt om de raadpleging of de verbetering van een bestuursdocument te verkrijgen op grond van deze wet, (...) kan hij een verzoek tot heroverweging richten tot de betrokken federale administratieve overheid. Terzelfder tijd verzoekt hij de Commissie een advies uit te brengen. (...) (...) Tegen deze beslissing kan de verzoeker beroep instellen overeenkomstig de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari
- Het beroep bij de Raad van State is in voorkomend geval vergezeld van het advies van de Commissie. (...)"; dat het recht van verdediging niet van toepassing is in de administratieve asielprocedure van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij de VII-31.735-4/7 hierboven beschreven procedure van heroverweging heeft gevoerd; dat uit het bestaan van de geëigende procedure blijkt dat de verzoekende partij in beginsel de schending van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 niet op zichzelf en rechtstreeks bij de Raad van State kan inroepen; dat het middel niet ontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel inroept waarin zij de schending van artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.), meer bepaald van het recht van verdediging aanvoert, doordat haar de inzage in haar dossier geweigerd werd; Overwegende dat artikel 6, § 1 van het E.V.R.M. stelt dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld; dat deze bepaling enkel betrekking heeft op jurisdictionele procedures en niet op administratieve procedures waarbij uitspraak wordt gedaan over een administratief beroep ingesteld tegen een beslissing over een asielaanvraag; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een vierde middel de schending wordt ingeroepen van artikel 51, 4/ van de Vreemdelingenwet en van de zorgvuldigheidsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partij aanvoert dat de commissaris- generaal gehouden is de vastgestelde taal, zijnde het Nederlands, te gebruiken doorheen de gehele procedure; dat de verzoekende partij vervolgens stelt dat de op het Commissariaat- generaal aanwezige tolk Arabisch enkel het Frans machtig was, zodat de medewerker van de commissaris-generaal zijn vragen in het Frans stelde en in het Nederlands notitie nam van haar door de tolk naar het Frans vertaalde verklaringen; dat de verzoekende partij tenslotte stelt dat deze veelvuldige vertalingen haar asielverhaal niet ten goede zijn gekomen en dat een zorgvuldige overheid een tolk Arabisch-Nederlands zou hebben voorzien; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier niet blijkt dat de tolk, naast het Arabisch, enkel de Franse taal machtig was, noch dat door de tussenkomst van die tolk de asielprocedure in een andere taal dan het Nederlands werd gevoerd, noch dat de ondervragende ambtenaar niet zou hebben verstaan wat de verzoekende partij heeft verklaard; dat de verzoekende partij wel beweert, maar niet bewijst dat de tolk tijdens het verhoor haar verklaringen van het Arabisch naar het Frans heeft vertaald; dat de verhoorverslagen in het Nederlands zijn opgesteld; dat de verzoekende partij noch beweert, noch aantoont dat de ondervragende ambtenaar haar verklaringen niet of verkeerd zou hebben begrepen; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een vijfde middel de schending wordt ingeroepen van het beginsel van de onpartijdigheid van de ambtenaar; dat de verzoekende partij stelt VII-31.735-5/7 dat de interviewer op het Commissariaat-generaal een hoofddoek droeg waardoor de interviewer haar islamitische geloofsovertuiging heeft benadrukt en dat bijgevolg de neutraliteit van de interviewer niet wordt gewaarborgd; Overwegende dat, in de veronderstelling dat de betrokken interviewer inderdaad een hoofddoek droeg, de verzoekende partij blijkens het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal daaromtrent geen enkele opmerking heeft gemaakt; dat de verzoekende partij haar betoog niet staaft aan de hand van concrete elementen en bijgevolg niet aantoont hoe de commissaris-generaal een gebrek aan onpartijdigheid kan worden verweten; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vijf, door VII-31.735-6/7 de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-31.735-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.692 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div