id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.696 Rolnummer: A. 146160/VII-31334 Zaak: Arrest 150696 - - 26/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-07 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 03:32 Fiche Arrest nr 150.696 van 26 oktober 2005 - Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.696 van 26 oktober 2005 in de zaak A. 146.160/VII-31.334 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Turkse nationaliteit, op 5 januari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 december 2003 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 29 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-31.334-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat R. JESPERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 28 januari 2000 heeft de verzoekende partij een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het rijk. 1.
- De Commissie voor regularisatie heeft op 28 mei 2003 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. Dit advies luidt als volgt: "Gelet op de aanvraag tot regularisatie op grond van: - langdurige asielprocedure (art. 2, 2 van de wet van 22 december 1999) - humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen (art. 2, 4/ van de wet van 22 december 1999) ingediend door verzoeker op 28.01.
- Gelet op de nota van het onderzoekssecretariaat. Verzoeker verschijnt in persoon bijgestaan door zijn advocaat op de zitting van 3 april 2003 en legt bijkomende stukken neer. Uit deze stukken blijkt niet dat verzoeker op Belgisch grondgebied verbleef op 01 oktober
- Wat betreft art. 2.
- Verzoeker diende een asielaanvraag in op 25 juli 1993, op 23 december 1996 nam het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen de uitvoerbare beslissing die een einde maakte aan de asielprocedure. Deze beslissing werd verzoeker betekend op 31 januari
- Derhalve ligt tussen het indienen van de asielaanvraag en het verkrijgen van een uitvoerbare beslissing een tijdspanne van minder dan 4 jaar. Wat betreft art. 2, 4; VII-31.334-2/6 Verzoeker levert geen bewijs van continu verblijf gedurende de vereiste periode van meer dan 6 jaar. Het is duidelijk dat verzoeker in juli 1993 in België is aangekomen, maar uit de stukken van het dossier blijkt eveneens dat verzoeker absoluut niet continu in België verbleef. Vermoedelijk is verzoeker reeds in augustus 1993, nadat hij een bevel kreeg om het grondgebied te verlaten, naar Duitsland vertrokken aangezien zijn familie daar woonachtig is. Zeker is dat verzoeker uit een Duits asielcentrum ontsnapte eind juli
- Daarenboven is het paspoort van verzoeker verlengd in Rotterdam op 4 april 1996 en op 8 januari
- Verzoeker legt geen verklaring voor dat hij in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag, geen bevel heeft gekregen om het grondgebied te verlaten. Daar aan een van de voorgaande voorwaarden niet is voldaan, kan betrokkene niet in aanmerking komen om te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen werden ontwikkeld en er humanitaire redenen zijn voor de regularisatie van het verblijf in België (art. 9, 9/ van de Wet van 22 december 1999). Daarenboven toont verzoeker onvoldoende humanitaire redenen aan of dat hij duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld in ons land: - spreekt geen Nederlands, - legt geen stukken voor waaruit blijkt dat hij enige inspanning levert om de taal beter te leren, - werkt sedert juni 2000 telkens voor zeer korte periodes bij Cemal POLAT en de b.v.b.a. SAFFIER., - is geen lid van een vereniging, de ouders, broers en zusters van verzoeker verblijven in Duitsland en Nederland. Uit deze gegevens blijkt duidelijk dat verzoeker geen bindingen, noch sociale noch familiale, heeft met ons land. Zoals uit de behandeling op de zitting is ervaren, zijn de feitelijke gegevens en de geleverde bewijsvoering onvoldoende, zodat op grond hiervan dient vastgesteld dat betrokkene niet voldoet aan de vereisten gesteld door de wet van 22 december 1999.". 1.
- Op 4 december 2003 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 2.1, 2.4 en 9.9 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het recht van verdediging; dat de verzoekende partij laat gelden dat niet werd geantwoord op de toelichtende nota die zij met betrekking tot het onderscheid tussen de hypotheses voorzien door de artikelen 2.1 en 2.4 van de Regularisatiewet had gemaakt; dat de verzoekende partij eveneens stelt dat zij geen bevel had gekregen om het grondgebied van het rijk te verlaten; VII-31.334-3/6 dat de verzoekende partij voorts kritiek levert op de inhoud van de motivering van de bestreden beslissing met betrekking tot het niet-bestaan van humanitaire redenen en sociale bindingen; Overwegende dat het beginsel van het recht van verdediging als dusdanig niet van toepassing is op de administratieve procedure zoals voorzien door de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; dat geen enkele wetsbepaling de Commissie voor regularisatie verplicht te antwoorden op een door de aanvrager ingediende nota; dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat dit te dezen het geval is; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij op 31 januari 1997 wel degelijk dergelijk bevel heeft ontvangen; dat zijn bewering desbetreffende bijgevolg feitelijke grondslag mist; dat, wat de beweerde schending van de materiële motiveringsplicht betreft, de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de verwerende partij niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de regularisatieaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat evenmin wordt aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de verwerende partij op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel het volgende wordt gesteld: "Tweede middel: schending van het gelijkheidsbeginsel van de artikelen 11 en 11 van de grondwet door het artikel 2, 1ste van de regularisatiewet van 22 december 1999 en door de bestreden beslissing. De noodzaak van het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof. VII-31.334-4/6 Verzoeker heeft in de toelichtende nota d.d. 22.1.2000 bij de asielaanvraag uitdrukkelijk gesteld dat hij zich beroept op het gelijkheidsbeginsel om gelijke behandeling te vragen met personen die kinderen hebben. Artikel 2.1ste van de regularisatiewet brengt de termijn van de asielprocedure op vier jaar voor wie geen kinderen heeft en op drie jaar voor wie kinderen heeft die de schoolgerechtigde leeftijd hebben. De bestreden beslissing motiveert niet waarom zij het verzoek tot gelijke behandeling zoals door verzoeker geformuleerd niet honoreert; de facto past de bestreden beslissing het criterium van vier jaar procedure (quod non in verband met eindtijdstip procedure, zie middel één) toe. Verzoeker stelt dat de bestreden beslissing het gelijkheidsbeginsel schendt door geen gunstig advies te verlenen aan verzoeker waarvan bewezen is dat zijn asielprocedure minstens geduurd heeft van 25.7.1993 tot 31.1.1997, of dus meer dan drie jaar. Bovendien is verzoeker van mening dat de wettelijke bepaling van artikel 2.1 regularisatiewet een schending betekent van het gelijkheidsbeginsel. Hij vraagt dan ook dat vooraleer verder recht te doen aan het Arbitragehof de in beschikkend gedeelte gesteld prejudiciële vraag zou gesteld worden. Verzoeker is van mening dat er geen sprake is van een objectief of voldoende criterium door een onderscheid te maken tussen personen in een asielprocedure met en zonder schoolgaande kinderen. De onderliggende redenering is blijkbaar de sociale binding van gezinnen met en gezinnen zonder schoolgaande kinderen, maar in het kader van criterium 2.1 is dit geen objectief criterium. Deze humanitaire redengeving is vervat in een ander regularisatiecriterium maar kan niet als basis dienen om een onderscheid te maken tussen personen die een asielaanvraag hebben gedaan. Bovendien is het een discriminerend criterium op zich een onderscheid te maken tussen mensen die of wiens partner geen kinderen kunnen krijgen of die om persoonlijke redenen geen kinderen hebben of nog geen schoolgaande kinderen hebben enerzijds en mensen die wel schoolgaande kinderen hebben anderzijds."; Overwegende dat bij de bespreking van het eerste middel reeds werd gezegd dat de verwerende partij niet diende te antwoorden op de door de verzoekende partij ingediende nota; dat, wat de beweerde schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, het past de in het dictum van dit arrest omschreven prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Aan het Arbitragehof wordt volgende prejudiciële vraag gesteld: "Schendt artikel 2, 1/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het VII-31.334-5/6 grondgebied van het rijk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat deze wetsbepaling een verschillende behandeling impliceert tussen aanvragers van een regularisatieaanvraag die de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd zonder een uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen en die de termijn waarbinnen deze uitvoerbare beslissing niet ontvangen werd, bepaalt op vier jaar voor de aanvragers die geen ouder zijn van een gezin met schoolgaande kinderen, terwijl deze termijn op drie jaar wordt bepaald voor een ouder die wel deel uitmaakt van een gezin met schoolgaande kinderen?" Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-31.334-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.696 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div