id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.699 Rolnummer: A. 118063/VII-26043 Zaak: Arrest 150699 - - 26/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-18 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 03:32 Fiche Arrest nr 150.699 van 26 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.699 van 26 oktober 2005 in de zaak A. 118.063/VII-26.043 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, afkomstig van Rusland, op 13 maart 2002 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 oktober 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 15 februari 2002; Gezien het beroep tot nietigverklaring; Gelet op de beschikking van 18 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op het administratief dossier en gezien de nota van de verwerende partij; VII-26.043-1/5 Gezien het voorlopig advies opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 7, §2 van het hoger genoemde koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit voorlopig advies aan de partijen; Gelet op de beschikking van 29 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. DEPONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 2 juni 1999 en verklaarde zich op 3 juni 1999 vluchteling. 1.
- Op 21 oktober 1999 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten. 1.
- Op 15 februari 2002 oordeelde de commissaris-generaalvoor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U, een Russisch staatsburger van Armeense origine, verklaarde op het Commissariaat-generaal Rusland te hebben verlaten daar u door de Russische autoriteiten gedwarsboomd werd mee te vechten aan de Europese kampioenschappen Sambo-judo in Bulgarije. U verklaarde tot 1981 in Azerbeidzjan gewoond te hebben. Nadien zou u naar Rusland verhuisd zijn waar u in 1995 een Russisch paspoort kreeg. U verklaarde geen problemen gekend te hebben tot 12 april
- U zou samen met zeven andere ploegleden van de Sambo-judo-ploeg geselecteerd zijn voor de Europese VII-26.043-2/5 kampioenschappen in Bulgarije, die zouden plaatsvinden op 14 april
- Op 12 april 1999 zou u in de luchthaven, voor het vertrek naar Bulgarije, tegengehouden zijn door twee agenten van "Sectie 6" (onderzoekscel). U zou met hen meegegaan zijn en wat later zouden douaniers gemeld hebben dat ze drugs in uw sportzak hadden gevonden. U zou door dezelfde mensen van Sectie 6 anderhalve maand voordien op straat aangesproken zijn. Ze zouden tegen u gezegd hebben niet naar Bulgarije te gaan. U zou niet meer aan het voorval gedacht hebben want u zou het niet belangrijk gevonden hebben. Op de luchthaven zou uw paspoort afgenomen zijn en ze zouden u gezegd hebben dat ze tot doel hadden u te verhinderen naar Bulgarije te gaan. U vermoedde dat u niet mocht deelnemen aan de kampioenschappen in Bulgarije daar een andere persoon, een zekere K. . winnen. U vermoedde dat er een directe band was tussen de ambtenaren van Sectie 6 en de vader van K. F., die wilde dat zijn zoon won. U zou vrijgelaten zijn en u zou direct naar uw vriend Igor vertrokken zijn die u de raad gaf te vertrekken. Dit zou u gedaan hebben op 27 mei 1999 en u zou hier aangekomen zijn op 2 juli
- U vroeg asiel aan op 3 juni
- U is in het bezit van een sportkaart waaruit blijkt dat u leraar Sambo is (of was: datum op de kopie voor het document is onleesbaar) en twee bankuittreksels die u op het Commissariaat-generaal voorlegde om aan te tonen dat u over een Russisch paspoort beschikte. Vooreerst kan gesteld worden dat u behalve het voorval op de luchthaven geen problemen kende. Wat dit ene incident betreft, dient opgemerkt te worden dat de gevolgen die eruit voortvloeien niet van die aard zijn om te kunnen wijzen op een gegronde vrees voor leven of vrijheid in de zin van de Vluchtelingenconventie. Zo bestond het uiteindelijke doel van de autoriteiten er immers in dat niet u maar een Russische teamgenoot de kampioenschappen zou winnen. U onderging hier een discriminatie op professioneel vlak die echter niet van die aard is dat uw leven of vrijheid erdoor in gevaar werd gebracht. Bovendien moet ook gewezen worden op bijkomende elementen (tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden) die de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ondermijnen. Zo stelde u Europees kampioen Sambo-judo geweest te zijn maar kon u niet onmiddellijk zeggen wanneer (nadien zei u dat het 1989 was) en hoeveel geld u gewonnen had. Ook kende u maar één groepslid bij voornaam en achternaam (verhoorverslag p 5b en 6a). Vervolgens stelde u op het Commissariaat- generaal eerst gezien te hebben dat de douaniers een zakje drugs uit uw tas haalden (verhoorverslag p4a), terwijl u nadien het tegendeel beweerde namelijk dat u het niet had gezien (verhoorverslag p4b). Ook stelde u op het Commissariaat-generaal dat u geen problemen had in de groep, terwijl u op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat er vijandigheden in het team waren omdat u geen Rus is. Verder stelde u op het Commissariaat-generaal dat de mannen die u voordien op straat ontmoette, zich kenbaar maakten als leden van Sectie 6 (verhoorverslag p3a), terwijl u op het op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft over 'twee mannen' die pas op de luchthaven, op 12 april 1999 hun legitimatiebewijs zouden getoond hebben. Vervolgens verklaarde u op het Commissariaat-generaal dat ze met acht paraat stonden om te vertrekken (verhoorverslag p 3a), terwijl u op de Dienst Vreemdelingenzaken stelde dat de groep die naar Bulgarije zou gaan uit twaalf leden bestond. Tenslotte stelde u op het Commissariaat-generaal eerst over de ontmoeting van de twee onderzoekers op straat met niemand gesproken te hebben daar u bang was. Nadien hernam u deze verklaring en stelde u het aan uw coach gezegd te hebben die u zei zich geen zorgen te maken (verhoorverslag p 3a en 3b). De documenten die u op het Commissariaat-generaal voorlegde (uw sportkaart en twee bankuittreksels) kunnen niets aan bovengestelde vaststellingen wijzigen.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat er ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de VII-26.043-3/5 onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel het volgende uiteenzet: "Wanneer de bestreden beslissingen zouden worden ten uitvoer gebracht, zou zulks betekenen dat de verzoekende partij naar de Russische Federatie zou worden uitgewezen, uiteraard in de mate dat de verzoekende partij geen staatloze zou zijn; De verzoekende partij staat op het punt om vader te worden en woont sinds ettelijke maanden samen met een meisje te Ieper, waarmee hij wenst in het huwelijk te treden, van zodra zijn papieren hem dat toelaten; Tot nog toe is de procedure van erkenning als staatloze echter nog niet ten einde, zodat de verzoekende partij niet over de nodige papieren beschikt om thans in het huwelijk te treden; Bij een repatriëring is de kans groot dat het gezin voor lange tijd uit elkaar zou gerukt worden en zulks precies op het ogenblik dat zijn toekomstige vrouw zal bevallen; In de huidige stand van het dossier kan trouwens niet worden besloten dat de gegevens, die door de verzoekende partij worden aangehaald ten einde zijn asielprocedure te staven, onjuist zouden zijn, terwijl de verzoekende partij het recht heeft krachtens art. 13 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zelfs krachtens het art. 13 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten op effectieve rechtshulp en een gedwongen terugkeer naar de Russische Federatie hem dit in feite onmogelijk zou maken;"; Overwegende dat de verzoekende partij op 22 april 2004 als staatloze werd erkend bij arrest van het hof van beroep van Gent; dat zij sedert 15 september 2004 in het vreemdelingenregister werd ingeschreven; dat niet wordt aangetoond dat zij bij het verstrijken van de inschrijvingstermijn (14 december 2005) zal worden teruggestuurd naar haar land van herkomst; dat zij evenmin aantoont dat zij in de onmogelijkheid zal verkeren om een toegangs- of verblijfsvergunning te bekomen die haar zal toelaten met haar partner in het huwelijk te treden; dat het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aannemelijk wordt gemaakt;
- Overwegende dat niet is voldaan aan een van de twee door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, VII-26.043-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-26.043-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.699 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div