id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.701 Rolnummer: A. 153318/VII-32388 Zaak: Arrest 150701 - - 26/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-17 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 03:33 Fiche Arrest nr 150.701 van 26 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.701 van 26 oktober 2005 in de zaak A. 153.318/VII-32.388 In zake :
- XXX,
- XXX, verblijvende te Z. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Russische nationaliteit, op 30 juni 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 mei 2004 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 april 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 3 juni 2004 Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 29 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 29 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2005; VII-32.388-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. JACOBS die verschijnt voor de verzoekende partijen en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen kwamen België binnen op 9 maart 2004 en verklaarden zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 7 april 2004 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten. 1.
- Op 28 mei 2004 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen letterlijk als volgt : Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: "A. Vluchtrelaas U, een Russisch staatsburger van Tsjetsjeense origine, verklaarde voor het commissariaat-generaal op 4 maart 2004 de Russische Federatie te hebben verlaten in het gezelschap van uw echtgenote XXX (O.V.5.584.972). U reisde naar België waar u op 9 maart 2004 aankwam en waar u dezelfde dag een asielverzoek indiende. Volgens uw verklaringen voor het commissariaat-generaal assisteerde u de Tsjetsjeense strijders tijdens de eerste oorlog in het land door transporten vanuit Tsjetsjenië naar Ingushetië te doen. Nadat de Russische troepen in mei 1996 Bamut, het dorp vanwaar u actief was, innamen, trok u tot eind augustus 1996 rond in Tsjetsjenïe. Toen de Russische troepen uit Grozny waren verdwenen keerde u terug naar de stad waar u voordien steeds had gewoond. In januari 1999 verliet u Tsjetsjenïe omdat de situatie VII-32.388-2/7 in Grozny onhoudbaar werd. U vestigde zich in Ingushetië waar u in maart 1999 voor het eerst werd gearresteerd omdat uw broers bij vele mensen bekend stonden als Tsjetsjeense strijders. In juni 1999 werd u tegen betaling vrijgelaten. Tot juli 2003 slaagde u erin om een normaal leven te leiden in Ingushetië. Eind juli 2003 werd u echter opnieuw gearresteerd. U werd geslagen en ervan beschuldigd te hebben gevochten. Na betaling werd u vrijgelaten waarna u onmiddellijk onderdook te Altivo. U werd thuis echter nog gezocht. Hierbij werd uw echtgenote begin augustus 2003 aangehouden. Nadat er werd gedreigd een klacht in te dienen bij het opperste gerechtshof werd ze vrijgelaten. Na al deze problemen besloten u en uw echtgenote de Russische Federatie te verlaten hetgeen op 4 maart 2004 gebeurde. B. Motivering Na uw verklaringen voor het commissariaat-generaal kan er worden gesteld dat u er gezien uw beperkte kennis van de gebeurtenissen in Tsjetsjenië, en in het bijzonder in Grozny, niet in slaagde uw verblijf van uw geboorte tot januari 1999 –de periode waarin de oorzaak van uw problemen in de Russische Federatie ontstonden- aannemelijk te maken. Zo kende u niet de naam van de wijk van Grozny waar de zesde micro-rayon, de plaats waar u van 1996 tot 1999 verbleef, in lag en kende u evenmin de naam van het hoofd van de administratie van deze wijk (CGVS, p.13 en p. 16). Verder slaagde u er in dringend beroep niet in te situeren waar zich het presidentieel paleis bevond na het einde van de eerste oorlog noch waar het hoogste gebouw van Grozny zich bevond (CGVS, p.15) –dit terwijl uit informatie van het commissariaat- generaal waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd blijkt dat het gaat om de straat die door u in dringend beroep als de hoofdstraat van Grozny werd aangeduid (CGVS, p.14). Nog in verband met Grozny stelde u niet te weten of de Sunja in de buurt van Kirovpark ligt (CGVS, p.14), wist u niet of er een brug over de Sunja in de wijk waar u voor uw huwelijk woonde lag (CGVS, p.18) en kende u de telefooncode van de stad Grozny niet (CGVS, p.16). In verband met de situatie in de stad op de dag van vertrek tenslotte beweerde u in dringend beroep dat er op dat ogenblik geen avondklok gold (CGVS, p.18) terwijl uw echtgenote stelde dat dit toen wel degelijk het geval was (CGVS, echtgenote, p.6). Tenslotte stelde u aanvankelijk tijdens het gehoor in dringend beroep dat uw dochter op 1 oktober 1997 te Grozny werd geboren (CGVS, p.10) terwijl uw echtgenote, zowel voor het commissariaat- generaal als voor de Dienst Vreemdelingenzaken, stelde dat haar dochter in Nazran (Ingushetië) geboren werd op 1 oktober 1997 (CGVS, p.4 en DVZ, punt 14). Geconfronteerd met deze van elkaar afwijkende verklaringen stelde u achtereenvolgens dat u de waarheid sprak en dat uw echtgenote de waarheid sprak (CGVS, p.10 en CGVS, p.11). Na het voorgaande kan er geen geloof meer worden gehecht aan uw verklaringen inzake uw verblijf te Grozny tot
- Het door u voorgelegde intern paspoort van de Russische Federatie kan aan deze conclusie niets wijzigen aangezien u voor het commissariaat-generaal stelde dat u het paspoort verkreeg in Ingushetie waar men in speciale diensten paspoorten uitreikt aan Tsjetsjenen (CGVS, p.21). Het paspoort kan bijgevolg niet worden beschouwd als een bewijs van uw verblijf in Grozny tot 1999 aangezien de ene aantekening van voor dat jaar betrekking heeft op uw huwelijk in Ingushetië en het andere enkel uw registratie in Grozny in 1990 attesteert. De twee door u voorgelegde convocaties zijn evenmin van die aard dat ze het voorgaande zouden weerleggen aangezien ze betrekking hebben op gebeurtenissen in Ingushetië en nergens verwijzen naar Tsjetsjenië of Grozny. Ook de geboorteakte van uw vrouw levert geen bewijs als zouden jullie tot 1999 in Grozny hebben verbleven. Inzake de twee door u voorgelegde medische attesten opgesteld door een Belgische arts kan worden gesteld dat deze slechts een beschrijving geven van door u opgelopen verwondingen. De omstandigheden waarin u deze zou hebben opgelopen kunnen, hoewel ze er eveneens in worden beschreven, op basis van dit attest echter niet worden aangetoond aangezien de beschrijving enkel gebaseerd kan zijn op uw verklaringen in dit verband, hetgeen de bewijskracht van de attesten inzake de omstandigheden waarin u de verwondingen opliep, ondermijnt. Concluderend kan er worden gesteld dat er in uw hoofde niet kan worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. C. Conclusie VII-32.388-3/7 Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Ten aanzien van de tweede verzoekende partij: “A. Vluchtrelaas U, een Russisch staatsburger van Ingush origine, verliet de Russisch Federatie op 4 maart 2004 samen met uw echtgenoot XXX (O.V.5.584.972). Op 9 maart 2004 arriveerden jullie in België waar u de volgende dag een asielverzoek indiende. Volgens uw verklaringen voor het commissariaat-generaal werd u begin augustus 2003 gearresteerd door de politie die op zoek was naar uw man. Na een etmaal werd u vrijgelaten door tussenkomst van Rashid Azdayev, de substituut-procureur. In september 2003 ontving u een convocatie waar u niet op inging. Op 1 oktober 2003 begaf u zich naar het parket waar u werd ondervraagd over uw echtgenoot. Nadien werd, naar u vermoedt, uw huis in het oog gehouden. Uiteindelijk verliet u Ingushetië in maart
- B. Motivering Op basis van uw verklaringen voor het commissariaat-generaal kan worden gesteld dat u zich in uw asielverzoek baseert op de vervolgingsfeiten die door uw echtgenoot in het kader van zijn asielverzoek werden aangehaald en de problemen die u als gevolg daarvan zou hebben gekend nadat uw echtgenoot onderdook. Inzake het asielverzoek van uw echtgenoot werd door het commissariaat-generaal echter beslist tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf aangezien er geen geloof kon worden gehecht aan zijn verklaringen over zijn verblijf in Tsjetsjenië na
- Aangezien de oorzaak van de problemen van uw echtgenoot volgens zijn verklaringen in dringend beroep daar ontstonden (er werd hem namelijk verweten in de periode 1994 tot 1996 de Tsjetsjeense rebellen te hebben geholpen) kan er geen geloof worden gehecht aan zijn beweringen over de oorzaak van zijn problemen in de Russische Federatie. Logischerwijze kan er evenmin geloof worden gehecht aan de gevolgen die de problemen van uw echtgenoot voor u persoonlijk met zich mee zouden hebben gebracht. Concluderend kan er dus worden gesteld dat er in uw hoofde niet kan worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door u in het kader van uw asielverzoek voorgelegde documenten –uw geboorteakte, twee convocatie en het paspoort van uw man- kunnen aan voorgaande conclusie niets wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". VII-32.388-4/7 Dit zijn de bestreden beslissingen. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 1, (A), 2 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953; dat de verzoekende partijen aanvoeren dat zij hebben aangetoond dat zij mishandeld werden om politieke en etnische redenen en dat zij niet mogen worden teruggewezen naar hun land van herkomst, gelet op het huidige negatieve en agressieve klimaat; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met enige bepaling van voornoemd verdrag; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partijen aanvoeren dat de ondervraging op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet kan worden bestempeld als zijnde eerlijk en correct aangezien de gestelde vragen dubbelzinnig, misleidend en zeer gedetailleerd waren; Overwegende dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur inhoudt dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen; dat de bevestigende beslissing van de commissaris-generaal om reden dat de aanvraag van de verzoekende partij bedrieglijk is, niet als zulk een maatregel kan worden gezien; dat deze beslissing immers voortvloeit uit de toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet en niet is gestoeld op het persoonlijk gedrag van de kandidaat-vluchteling zoals begrepen in het voornoemd beginsel van behoorlijk bestuur; dat derhalve niet is voldaan aan één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden van de hoorplicht; dat bovendien uit de verhoorverslagen van het Commissariaat-generaal blijkt dat de verzoekende partijen hieromtrent geen enkele opmerking hebben gemaakt alhoewel deze verslagen aan hen werden voorgelezen; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een derde middel de schending wordt ingeroepen van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partijen de vastgestelde VII-32.388-5/7 tegenstrijdigheden trachten te verklaren door te wijzen op het feit dat de eerste verzoekende partij ernstig werd mishandeld door de soldaten; Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris- generaal toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is; dat in dit verband, het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene aangetast zijn door tegenstrijdigheden, verward zijn of onsamenhangend of in strijd zijn met algemeen bekende feiten; dat de bewering van de verzoekende partijen dat de commissaris-generaal in het huidige geval niet tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag kon besluiten bijgevolg niet kan worden bijgetreden; dat de overheid, bevoegd om over een asielaanvraag te beslissen, in de eerste plaats moet nagaan of degene die zich vluchteling verklaart werkelijk afkomstig is uit het land dat hij beweert te zijn ontvlucht; dat het niet onredelijk is dat die overheid tracht de kennis van betrokkene over de streek te toetsen; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal aan de eerste verzoekende partij, ongeacht haar opleiding, terzake de gegevens heeft gevraagd die in de bestreden beslissing zijn aangehaald; dat de commissaris- generaal uit het aldus aangetoonde gebrek aan kennis van die streek in redelijkheid mocht afleiden dat de eerste verzoekende partij niet het bewijs leverde van haar beweerde herkomst; dat deze vaststellingen volstonden om de asielaanvraag van de verzoekende partijen als bedrieglijk te verwerpen; dat het dan ook overbodig is de andere door de verzoekende partijen geformuleerde grieven te onderzoeken vermits deze in dit geval niet tot nietigverklaring van de bestreden beslissingen kunnen leiden; dat het middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- VII-32.388-6/7 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-32.388-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.701 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.