id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.704 Rolnummer: A. 128048/VII-28113 Zaak: Arrest 150704 - - 26/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 03:33 Fiche Arrest nr 150.704 van 26 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.704 van 26 oktober 2005 in de zaak A. 128.048/VII-28.113 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 14 oktober 2002 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 september 2002 tot weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring; Gezien het beroep tot nietigverklaring; Gelet op de beschikking van 22 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op het administratief dossier en gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 7, §2 van het hoger genoemde koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit voorlopig advies aan de partijen; VII-28.113-1/4 Gelet op de beschikking van 29 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die, loco advocaat F. LANDUYT, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 4 oktober 2001 en verklaarde zich op 11 oktober 2001 vluchteling. 1.
- Op 20 september 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring. "(...) Overwegende dat de betrokkene een eerste asielaanvraag indiende op 11 oktober 2001 en er voor hem een beslissing tot weigering van verblijf genomen werd vanwege de Dienst Vreemdelingenzaken die op 13 juni 2002 bevestigd werd door het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Overwegende dat de betrokkene op 11 september 2002 een tweede asielaanvraag indiende waarbij hij verklaarde niet te zijn teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Overwegende dat de betrokkene een kopie van zijn binnenlands paspoort en een kopie van zijn oud buitenlands paspoort, een kopie van zijn geboortebewijs, een kopie van de overlijdensakte van zijn moeder, een kopie van zijn huwelijksakte, kopieën van de geboorteaktes van zijn kinderen, kopieën van oproepingsbrieven voor 13 september 2001 en 16 september 2001, een kopie van een attest dat hij woonde in Novye Atagi van 1990 tot 21 september 2001, kopieën van medische attesten, kopieën van het Rode Kruis in verband met zijn werk voor hen en brieven van zijn advocaat naar voren brengt waarbij opgemerkt moet worden dat al deze documenten kopieën zijn en dat een kopie van een document de echtheid ervan niet garandeert maar waarbij bovenal opgemerkt moet worden dat de betrokkene al deze documenten reeds had kunnen en moeten naar voren brengen tijdens de laatste fase in zijn vorige procedure. Overwegende dat de betrokkene geen nieuwe gegevens naar voor brengt die betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de betrokkene ze had kunnen voorleggen. Overwegende dat de betrokkene geen nieuwe gegevens naar voren brengt dat er, wat hem betreft, ernstige VII-28.113-2/4 aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) luidt als volgt: "De Minister of diens gemachtigde, kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd bij een in het eerste lid bedoelde overheid en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
- de nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op feiten en situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen. Een beslissing om de verklaring niet in aanmerking te nemen is alleen vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Er kan geen vordering tot schorsing tegen deze beslissing worden ingesteld." dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 61/94 van 14 juli 1994 heeft geoordeeld dat nieuwe gegevens in de zin van voormelde wetsbepaling gegevens zijn die "betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen"; Overwegende dat de motieven van de bestreden beslissing betreffende het ontbreken van "nieuwe gegevens" niet worden weerlegd door de verzoekende partij; dat bijgevolg de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering tot schorsing; dat deze vordering niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vijf, door VII-28.113-3/4 de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-28.113-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.704 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div