← België

Arrest 150757 - - 26/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.757 Rolnummer: A. 121119/XIV-10025 Zaak: Arrest 150757 - - 26/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-14 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 03:34 Fiche Arrest nr 150.757 van 26 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.757 van 26 oktober 2005 in de zaak A. 121.119/XIV-10.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. HELSEN, kantoor houdende te 2640 MORTSEL, Pieter Reypenslei 25 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 16 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-10.025-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die loco advocaat J. HELSEN verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1 Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 25 mei 2000 en zich op 26 mei 2000 vluchteling verklaart; dat op 9 april 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 26 april 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “U verklaarde de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Isfahan. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag heeft u volgende feiten aangehaald: op 14/03/1376 (Perzische kalender, stemt overeen met 4 juni 1997 volgens de Gregoriaanse kalender) was er een herdenkingsplechtigheid voor Khomeini in uw fabriek. U was verplicht hieraan deel te nemen. De verantwoordelijke van de Agidati Siasi (de ideologische dienst van het bedrijf), Hadjagi Hosseini, hield een toespraak waarin hij onder andere verklaarde dat de Shah gezien was terwijl hij homosexuele contacten had met een soldaat. U onderbrak de toespraak, zei dat de Shah genoeg vertrekken had om ongezien homosexuele contacten te hebben en maande de spreker aan om minder te liegen. Toen u drie dagen later uw loonbriefje wou afhalen, werd u naar de Agidati Siasi verwezen. Deze stuurde u door naar de Ettelaat alwaar u ondervraagd werd en, toen u weigerde te antwoorden, aangevallen werd door drie gemaskerde mannen. U liep daarbij een schedelbreuk op. Na twee maanden in het hospitaal verbleven te hebben, en drie maanden thuis gerust te hebben, ging u terug naar uw werk en vroeg u terug om uw loonfiche. Men stuurde u terug naar de Agidati Siasi alwaar men u aanmaande uw excuses aan Hadjagi Hosseini aan te bieden. In zijn bureau kwam het tot een woordenwisseling en u nam elkaar bij de kraag vast. Door het geluid van het vechten kwamen verschillende agenten de kamer binnen en werd u geslagen. Daarbij liep u opnieuw een schedelbreuk en twee gebroken ribben op. Na een rustperiode van vier weken in het hospitaal en twee maanden thuis hervatte u uw werk. Eén jaar later, rond 11/10/1378 (1 januari 2000) bent u tijdens de Ramadan op eten betrapt door iemand van de Ettelaat. Een adjunct van de Agidati Siasi vergeleek het eten tijdens de Ramadan met incest. Deze belediging kwam bij u zwaar aan en u stak met uw vork in zijn rechteroog. U werd opgepakt. De verantwoordelijke van het arrestatiegebouw, Alikhani, was een goede vriend en zei dat ze een zwaar dossier hadden door mijn oude dossiers bij het nieuwe te voegen. In de rechtbank ging u naar het toilet en vluchtte door het venster. Na een maand ondergedoken gezeten te hebben bij een vriend, vluchtte u op 11/11/1378 (31 januari 2000) naar Turkije. Meer dan drie maanden later, tussen 1 en 5 mei 2000, verliet u Turkije. Op 26 mei 2000 vroeg u in België asiel aan. Er dient te worden vastgesteld dat uw opeenvolgende verklaringen ernstige tegenstrijdigheden bevatten waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas grondig wordt aangetast. Zo verklaarde u in uw dringend beroep op het commissariaat-generaal dat u op 16/03/1376 door drie gemaskerde mannen werd aangevallen (CGVS p.8), terwijl u aan de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde door vier gemaskerde mannen aangevallen te zijn. Bovendien beweerde u, in uw dringend beroep, dat u Hadjagi Hosseini enkel bij de trui vastnam (CGVS p.8). In uw interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken stelde u dat u zijn gezicht openhaalde met uw nagels en dat u hem schopte (DVZ p.17). Verder verklaarde u in uw dringend beroep dat u, bij het eerste incident, eerst naar de Agidati Siasi diende te gaan, dat u daar gewoon diende te wachten, en er dan iemand van het Ettelaat u kwam halen. Op de vraag of u bij de Agidati Siasi niets diende te doen antwoordde u meermaals bevestigend (CGVS p.12). Aan de Dienst vreemdelingenzaken beweerde u echter XIV-10.025-2/6 dat u een formulier met vragen over uw politieke overtuiging diende in te vullen bij de Agidati Siasi en dat men pas, nadat u naar de reden van dit formulier had gevraagd, naar de militaire inlichtingendienst belde en als gevolg daarvan één van hen u kwam halen (DVZ p.16). Tenslotte verklaarde u, in uw dringend beroep, dat u, na uw problemen met Hadjagi Hosseini, één jaar ongestoord verder werkte. U zou echter het werk hervat hebben rond 14/11/1376 (3 februari 1998) en rond 10/10/1378 (1 januari 2000) pas terug problemen gekend hebben (CGVS p. 3&6). Dit houdt in dat u bijna twee jaar ongestoord heeft kunnen werken. Er dient vastgesteld te worden dat bovenvermelde tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van uw asielrelaas op substantiële wijze ondermijnen. Gelet op voorgaande kan in hoofde van u geen gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u voorgelegde documenten zijn niet van die aard de geloofwaardigheid van uw asielaanvraag te herstellen. De kopies van de identiteitskaarten van u, uw vrouw en uw kinderen kunnen enkel uw identiteit staven. De convocaties die u hebt voorgelegd wijzigen, gezien de manifeste bedrieglijkheid van uw asielrelaas, bovenstaande conclusie niet.”; 2.1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van artikel 52, 2/ van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen Aangezien artikel 52, 2/ stelt dat de minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het rijk probeert binnen te komen zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en die aan de grens vraagt om als dusdanig erkend te worden, de toegang tot 's lands grondgebied wordt geweigerd en dat die vreemdeling dientengevolge door de met de grenscontrole belaste overheden zal worden teruggedreven wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is; Dat de gemachtigde van de minister op basis van het dossier tot het besluit komt dat de asielaanvraag bedrieglijk zou zijn omdat er tegenstrijdigheden in de verscheidene ondervragingen zouden geslopen zijn; Dat echter niets minder waar is; Dat de verschillen die door de gemachtigde van het Commissariaat-Generaal werden weerhouden, slechts enkele details behelzen;
  3. Dat hij wijst op het feit dat verzoeker eerst drie en dan vier aanvallers zou hebben gezien; Dat deze aanval dateert van 1997 en het verzoeker, die uiteraard getraumatiseerd werd door deze gebeurtenissen, niet kan aangerekend worden zich niet te herinneren dat er nu drie of vier aanvallers zouden geweest zijn;
  4. Dat hij wijst op het al dan niet invullen van een formulier; Dat ook dit element slechts een detail is van uiterst ondergeschikte orde, dat irrelevant en oeverloos uitvergroot wordt, doch in het niet verzinkt indien men het in verhouding ziet met het meer dan drie uur durend relaas dat verzoeker vertelde;
  5. Dat de gemachtigde van de commissaris-generaal vervolgens aanhaalt dat verzoeker eerst een periode van twee jaar vernoemt tijdens dewelke hij niet werd lastiggevallen en tijdens het interview met de gemachtigde van de commissaris-generaal een periode van één jaar; Dat de gemachtigde van de commissaris-generaal echter tevens het modulerend adjectief ‘ongeveer’ bijvoegt, wat erop wijst dat hij niet expliciet navraag heeft gedaan aan verzoeker; Dat, indien de gemachtigde van de commissaris-generaal hem op dit punt had toegelaten verder na te denken, verzoeker uiteraard meer precies het verloop van tijd had aangegeven; Dat men uit een vraag die zijdelings gesteld wordt uiteraard geen dogmatische waarheid mag verwachten; Dat ook deze trivialiteit geen reden kan zijn om tot de bedrieglijkheid van de aanvraag van verzoeker te besluiten; Dat duidelijk blijkt dat de aanvraag van verzoeker eerlijk, oprecht en overeenstemmend is; Dat bovendien niet mag vergeten worden dat tussen beide interviews meer dan één jaar is verlopen; Dat verzoeker op alle andere punten, die uiteraard niet vermeld worden in de beslissing, wel een volstrekt gelijk verhaal heeft verteld; Dat de gemachtigde van de commissaris-generaal dan ook een op een niet adequate wijze de beslissing heeft gemotiveerd en de bedrieglijkheid van de aanvraag van verzoeker geenszins vaststaat; Dat gelet op het feit dat verzoeker aan een meer dan drie uur durende ondervraging werd blootgesteld, het een zeer magere oogst is van zogenaamde tegenstrijdigheden; XIV-10.025-3/6 Dat men bovendien niet uit het oog mag verliezen dat het eerste interview plaats had op 9 april 2001; Dat er dus meer dan 1 jaar verliep tussen de twee interviews; Dat men van de verzoeker quasi het onmogelijke verzoekt en men zich vastpint op uiteindelijk mineure onnauwkeurigheden.”; 2.1.
  6. Overwegende dat de commissaris-generaal tot de conclusie komt dat de aanvraag bedrieglijk is, nadat hij heeft vastgesteld dat de tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het asielrelaas op substantiële wijze ondermijnen; dat de vastgestelde tegenstrijdigheden gedetailleerd zijn weergegeven in de bestreden beslissing; Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot het op algemene wijze minimaliseren van de vastgestelde tegenstrijdigheden en betoogt dat er meer dat één jaar verliep tussen beide interviews; dat de verzoekende partij met het voorgaande niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing de grenzen van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is toegekend, heeft overschreden noch dat hij de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of op onzorgvuldige wijze heeft genomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van artikel 4 e.v. van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur Aangezien artikel 4 van de wet op de openbaarheid van bestuur luidt als volgt ‘Het recht op het raadplegen van een bestuurdocument van een federale administratieve overheid en op het ontvangen van een afschrift van het document bestaat erin dat eenieder, volgens de voorwaarde bepaald in deze wet, elk bestuursdocument ter plaatse kan inzien, dien omtrent uitleg kan krijgen en mededeling in afschrift kan ontvangen. Voor documenten van persoonlijke aard is vereist dat de verzoeker van een belang doet blijken... " Dat naar aanleiding van een verzoek tot inzage bij het verhoor van verzoeker tijdens het interview bij het Hoog Commissariaat de gelastigde van de Commissaris Generaal, weigerde inzage te verlenen in het dossier van verzoeker en bijaldien ook weigerde afschrift mee te delen van de stukken die door de Dienst Vreemdelingenzaken werden opgesteld (stuk 3); Dat het geen betoog hoeft om te besluiten dat de wet geschonden werd; Dat de markante miskenning van de wet, waarbij het belang dat verzoeker kan laten gelden uiteraard als een paal boven water staat, tevens de rechten van verdediging van verzoeker schendt; Dat de beslissing niet naar recht verantwoord kan worden.”; 2.2.
  8. Overwegende dat artikel 8 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur als volgt luidt: "Artikel 8 §§
  9. Er wordt een Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten opgericht. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de samenstelling en de werkwijze van de Commissie. §§
  10. Wanneer de verzoeker moeilijkheden ondervindt om de raadpleging of de verbetering van een bestuursdocument te verkrijgen op grond van deze wet, (...) kan hij een verzoek tot heroverweging richten tot de betrokken federale administratieve overheid. Terzelfdertijd verzoekt hij de Commissie een advies uit te brengen. (...) (...) XIV-10.025-4/6 Tegen deze beslissing kan de verzoeker beroep instellen overeenkomstig de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari
  11. Het beroep bij de Raad van State is in voorkomend geval vergezeld van het advies van de Commissie. (...)"; Overwegende dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij de hierboven beschreven procedure van heroverweging heeft gevoerd; dat uit het bestaan van de geëigende procedure blijkt dat de verzoekende partij in beginsel de schending van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 niet op zichzelf en rechtstreeks bij de Raad van State kan inroepen; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de rechten van de verdediging enkel van toepassing zijn op jurisdictionele procedures en in administratieve procedures op tuchtzaken; dat zij niet kunnen worden ingeroepen in een zuiver administratiefrechtelijke procedure zoals in casu; dat het middel ook in die mate niet-ontvankelijk is; 2.3.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van artikel
  13. 1 van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) Aangezien artikel 6.1 van het EVRM het recht op een eerlijk proces waarborgt; Dat het evident is dat wanneer niet alle dienstige stukken waarop een beslissing gegrond wordt kunnen worden ingekeken, de rechten van de verdediging ernstig geschonden worden; Dat het een rechtstaat onwaardig is om zonder inzagerecht van de documenten waarop men zijn beslissing steunt, een dergelijke drastische beslissing met zeer verstrekkende gevolgen te nemen; Dat het duidelijk blijkt uit het relaas van verzoeker dat hij vervolging dient te vrezen in zijn land van herkomst; Dat een beslissing met bevel tot uitwijzing dan ook onverkort in overeenstemming met internationale verdragen dient te worden genomen; Dat het gegeven dat het een administratieve procedure behelst, de Belgische staat er niet mag toe nopen fundamentele rechten te schenden; Dat de weigering tot inzage van het dossier een adequate verdediging al a priori al niet onmogelijk maakt dan wel bezwaart met een handicap; Dat duidelijk blijkt dat het verdrag geschonden werd.”; 2.3.
  14. Overwegende dat artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden enkel van toepassing is op jurisdictionele procedures doch geenszins op administratieve beroepsprocedures zoals een dringend beroep in het kader van de behandeling van een asielaanvraag; dat het middel niet-ontvankelijk is;
  15. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als XIV-10.025-5/6 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  16. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-10.025-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.757 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.