← België

Arrest 150782 - - 26/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.782 Rolnummer: A. 138800/XIV-15828 Zaak: Arrest 150782 - - 26/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 03:34 Fiche Arrest nr 150.782 van 26 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.782 van 26 oktober 2005 in de zaak A. 138.800/XIV-15.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat St. JONCHEERE, kantoor houdende te 8630 VEURNE, Boterweegschaalstraat 7 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Wit-Russische nationaliteit, op 7 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 15 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 oktober 2005; XIV-15.828-1/6 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat St. LAUWERS die, loco Advocaat St. JONCHEERE verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Wit-Russische nationaliteit, is in België binnengekomen op 15 juni 2003 en heeft zich op 16 juni 2003 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 16 juni 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 25 juni 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 juni 2003 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing die luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas U, Wit-Russisch staatsburger, verliet Wit-Rusland tijdens de nacht van 11 op 12 juni
  6. Op 15 juni 2003 kwam u in België aan waar u de volgende dag het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U verklaarde dat u samen met uw broer een kamer verhuurde aan L. A. die net als u bij het bedrijf NZM werkte. A. installeerde een kopieermachine in zijn kamer en zijn kamer lag vol pamfletten en andere papieren. U bemoeide zich er niet mee en wist niet wat hij kopieerde. Op 23 februari 2003 kreeg u drie politie-agenten over de vloer die in het appartement wilden rondkijken. De kamer van A. was gesloten en de politie vroeg de deur te openen. U stelde dat er daarvoor gewacht moest worden op A.. De politie trok dat zich niet aan en trapte de deur in en u kreeg een klap van één van de agenten. De agenten geloofden niet dat u niets met de activiteiten van A.r te maken had. Uw paspoort werd in beslag genomen en uw werd gearresteerd. U werd opgesloten in een cel. Na een paar uur werd u naar een kamer geleid waar twee personen zaten. Eén leidde het verhoor, de andere schreef. De ondervrager beschuldigde u van activiteiten gericht tegen president Lukashenko en de Wit-Russische autoriteiten. Hij wilde ook weten wie de XIV-15.828-2/6 kopieermachine had geïnstalleerd. U stelde dat u van niets wist met betrekking tot de kopieermachine en de pamfletten. U vertelde hem ook over A. maar kon de man niet overtuigen. Na het verhoor werd u opnieuw opgesloten. Op 24 februari 2003 moest u terug naar het bureau van de ondervrager. Hij overhandigde u een schriftelijke beschuldiging die u moest ondertekenen. Hij stelde dat hij over voldoende elementen beschikte om u voor de rechtbank te brengen. U moest een document ondertekenen dat u de stad niet zou verlaten. U bleef aangehouden tot 26 februari
  7. U werd niet meer verhoord. Thuis stelde u vast dat uw appartement verzegeld was. U kon niet binnen en wachtte tot uw broer toekwam. Hij bleek ook te zijn gearresteerd en drie dagen te hebben vastgezeten. U gaf op uw werk de reden voor de drie dagen afwezigheid door. Daar kreeg u echter te horen dat u onslagen was wegens herstructurering. U denkt dat de politie achter uw ontslag zit. U vernam dat ook uw broer ontslagen was. U ging daarop naar een klasgenoot aan wie u vertelde wat er gebeurd was. Hij stelde voor dat u zou onderduiken in zijn buitenverblijf. Nog dezelfde dag, op 26 februari 2003 vertrok u naar het buitenverblijf. Daar bleef u tot aan uw vertrek naar België tijdens de nacht van 11 op 12 juni
  8. B. Motivering Vooreerst moet worden vastgesteld dat u expliciet verklaart niet politiek actief te zijn, zodat -zelfs indien u problemen kende met de Witrussische overheden of ordediensten- niet kan worden gesteld dat u omwille van uw politieke overtuiging het slachtoffer werd van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Bovendien moet vastgesteld dat de door u ingeroepen elementen (huiszoeking politie, opsluiting en ondervraging gedurende drie dagen naar aanleiding van de huiszoeking; DVZ, vraag 42) als elementen op zich onvoldoende zwaarwichtig zijn om te worden weerhouden als een systematische en persoonsgerichte vervolging zoals omschreven in de Vluchtelingenconventie van Genève. Uit uw relaas blijkt niet dat u beschuldigd werd, en u kan ook niet aannemelijk maken dat u na uw vrijlating nog problemen kende, vermits u hierover tegenstrijdige verklaringen aflegt. Zo verklaarde u in uw beroepschrift van 17 juni 2003 dat u na het voorval dat plaatsvond op 23 februari 2003 nog regelmatig problemen had met de politie (beroepschrift). Tijdens uw verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken haalt u echter geen concrete problemen meer aan met de politie na uw driedaagse opsluiting die plaatsvond vanaf 23 februari 2003, en verklaarde u uitdrukkelijk niets toe te voegen te hebben aan de voordien door u aangehaalde feiten (DVZ, vraag 42). Tenslotte bleef u nog van 26 februari 2003 tot de avond van 11 juni 2003 in Wit- Rusland. Dit langdurige verblijf in Wit-Rusland na het laatste concrete door u ingeroepen feit (vrijlating op 26 februari 2003) ondermijnt ook de ernst van uw vrees. Gelet op het voorgaande kan er met betrekking tot uw asielaanvraag geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Vluchtelingenconventie van Genève, worden weerhouden. Ook in het kader van uw broer, . werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. XIV-15.828-3/6
  9. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  10. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL : Schending van art.149 van de Grondwet (gecoörd.17/02/94), de materiële motiveringsplicht en de wet van 29 juli 1991 op de formele motiveringsplicht Het COMMISSARIAAT GENERAAL(D) VOOR DE VLUCHTELINGEN beperkt er zich toe te stellen dat verzoeker geen vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie zou aantonen; de beweerdelijke vervolging tegengesproken zou worden door de feiten en de periode dat hij nog in Wit-Rusland bleef nà zijn arrestatie; en er tegenstrijdigheden zouden zijn in zijn verklaring . Dit is een totaal gebrekkige en onjuiste motivering, gezien men blijkbaar niet eens de moeite heeft genomen om de door verzoeker aangebrachte info te onderzoeken en hem om verduidelijking te verzoeken. Dat men bovendien weigert rekening te houden met de realiteit van de lukrake vervolgingen en arrestaties van het land van herkomst van verzoeker; zoals deze afdoende blijkt uit rapporten van Human Rights Watch en Amnesty International (stukken 3, 4 & 5). Dat tenslotte evenmin kan ontkend worden dat de vertaling van de verklaring van verzoeker niet steeds alle details en bijzonderheden duidelijk naar voor brengt! Dat verzoeker in dergelijk geval wel degelijk recht had op een tweede verhoor en in casu geenszins afdoende wordt gemotiveerd waarom dit niet gebeurd is. De bestreden beslissing is derhalve totaal onvoldoende, onjuist en gebrekkig gemotiveerd. Het middel is gegrond.”. 2.1.2.
  11. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, van de materiële motiveringsplicht en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.1.2.
  12. Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet alleen van toepassing is op vonnissen en arresten; dat verzoeker onvoldoende pogingen heeft ondernomen om de motieven uit de bestreden beslissing met concrete argumenten te weerleggen of te ontkrachten; dat hij verwijst naar enkele rapporten van Human Rights Watch en Amnesty International, waaruit zou blijken dat in zijn land van herkomst lukrake vervolgingen en arrestaties realiteit zijn; dat door louter te verwijzen naar deze rapporten, zonder het op de eigen individuele situatie te betrekken, verzoeker niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de bestreden beslissing op onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze heeft genomen; dat verzoeker er tevens op wijst dat de vertaling van zijn verklaring niet steeds alle details en bijzonderheden naar voren brengt; dat uit het verhoorverslag blijkt dat verzoeker geen opmerkingen heeft geformuleerd over een eventueel vertaalprobleem; dat verzoeker integendeel heeft verklaard dat hij verder niets meer toe te voegen heeft en dat hij de tolk die hem bijstond voor het verhoor volledig heeft verstaan; dat dit verhoorverslag aan verzoeker werd voorgelezen in het Russisch; dat verzoeker elke bladzijde van zijn asielrelaas heeft ondertekend; dat hij ook de laatste bladzijde heeft ondertekend, daarbij aangevend dat dit verslag overeenstemt met de inlichtingen die hij heeft gegeven; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-15.828-4/6 2.2.
  13. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging Verzoeker slechts zeer kort ondervraagd omtrent de redenen van zijn vlucht en situatie in land van herkomst. De ingeroepen feiten werden hoegenaamd niet onderzocht noch aan de werkelijkheid getoetst. Het Commissariaat maakte er zich vanaf met de éénvoudige melding dat verzoeker geen vervolging volgens de Vluchtelingenconventie zou aantonen en ook de asielaanvraag van zijn broer Andrei geweigerd werd (stuk 1). Rekening dient evenwel gehouden te worden met de specifieke situatie van verzoeker in zijn land van herkomst (stukken 3, 4 & 5) en de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid tot terugkeer (onmiskenbaar gevaar voor nieuwe oppakkingen en gevangenzetting). Verzoeker kreeg gewoon geen kans één en ander nader toe te lichten, gezien er bij voorbaat geen rekening mee werd gehouden. De rechten van verdediging van verzoeker werden daarmee op grove wijze geschonden. Bovendien heeft de overheid zeker niet met volledige kennis van zaken en in het licht van alle omstandigheden geoordeeld, gelet op de onmiskenbare verslagen van Human Rights Watch en Amnesty international (stukken 3, 4 & 5). Dit strookt geenszins met de beginselen van behoorlijk bestuur. De administratieve overheid overschreed op die manier manifest de grens van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Dat derhalve ook dit middel als gegrond voorkomt. Verzoeker komt dus wel degelijk in aanmerking om asiel te worden verleend.”; 2.2.2.
  14. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging; dat verzoeker van oordeel is dat hij slechts zeer kort ondervraagd werd omtrent de redenen van zijn vlucht en situatie in het land van herkomst en dat de ingeroepen feiten niet onderzocht noch aan de werkelijkheid getoetst werden; 2.2.2.
  15. Overwegende dat dient opgemerkt dat op elke asielzoeker de verplichting rust om in elke fase van het onderzoek zijn asielrelaas zo correct en volledig mogelijk te vertellen; dat van een kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst zelf nauwkeurig, zorgvuldig, op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft in elke fase van het onderzoek, zodat op grond ervan kan worden nagegaan of er met betrekking tot de asielzoeker aanwijzingen zijn om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat verzoeker slechts kort ondervraagd werd, geen afbreuk doet aan het feit dat hij zijn asielrelaas zo correct en volledig mogelijk dient te vertellen en dit reeds bij het eerste interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet verplicht is om een kandidaat-vluchteling mondeling te horen indien hij van oordeel is dat hij over voldoende relevante elementen beschikt om zijn beslissing op zorgvuldige wijze voor te bereiden en op afdoende wijze te motiveren; dat verzoeker zijn standpunt voor de Dienst Vreemdelingenzaken en in zijn verzoek tot dringend beroep heeft kunnen uiteenzetten; dat hij trouwens niet aantoont welke elementen hij daar achteraf nog aan had moeten toevoegen, noch waarom dat niet schriftelijk kon; dat de XIV-15.828-5/6 schending van de in dit middel aangehaalde beginselen dan ook niet kan worden aangenomen; dat het tweede middel niet gegrond is;
  16. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  17. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.828-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.782 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.