id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.785 Rolnummer: A. 140988/XIV-16558 Zaak: Arrest 150785 - - 26/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 03:35 Fiche Arrest nr 150.785 van 26 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.785 van 26 oktober 2005 in de zaak A. 140.988/XIV-16.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat N. DIRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 213, bus 15 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Soedanese nationaliteit, op 29 augustus 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 juli 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 april 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 3 september 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 oktober 2005; XIV-16.558-1/8 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. LANDUYT die, loco Advocaat N. DIRICKX verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX en XXX, beide van Soedanese nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 16 april 2003 en hebben zich op 17 april 2003 vluchteling verklaard. 1.
- Op 29 april 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 28 juli 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 april 2003 tot weigering van verblijf. Dit zijn de bestreden beslissingen: Wat XXX betreft: “A. Vluchtrelaas U verklaart het Soedanees staatsburgerschap te bezitten en van afkomst half Beja, half Artega te zijn. U verliet uw land van herkomst met het vliegtuig op 16 april 2003, vergezeld van uw man S. E. (. U kwam dezelfde dag in België aan, waar u op 17 april 2003 het statuut van vluchteling aanvroeg. U bent in het bezit van uw identiteitskaart en uw huwelijksakte. Volgens de verklaringen die u op 05 juni 2003 voor het Commissariaat-generaal aflegde studeerde u sinds 1998 aan de Universiteit Ahlia in Umdurman. U bent sympathisant van het “Beja Congress”. De partijleden van de universiteit organiseerden elke zomer een hulpkonvooi naar het oosten van Soedan, waar de Beja leven. In 2000 en 2001 nam u zelf deel aan deze konvooien. Verder was u aanwezig op debatten en verdeelde u pamfletten. In 1998 werd uw huidige echtgenoot een eerste maal gearresteerd nadat hij een konvooi had begeleid. In 2000 werd hij opnieuw gearresteerd samen met XXX en XXX. Hij werd gedurende twee weken vastgehouden, tijdens dewelke zijn nagel werd uitgetrokken. In 2001 keerde uw man alleen terug van een konvooi waarop u ook aanwezig was, en werd hij gedurende minstens twee weken aangehouden. Ook na het konvooi van 2002 werd uw man aangehouden. Hij werd gedurende drie maanden XIV-16.558-2/8 vastgehouden. Op 23 maart 2003 werd M. tijdens een betoging tegen de oorlog in Irak doodgeschoten. De volgende dag ging uw man naar een bijeenkomst in het huis van M., waar gesproken werd over de dood van M.. De Veiligheidsdiensten vielen het huis tijdens de bijeenkomst binnen. Uw man kon tijdig vluchten. Op 25 maart 2003 verwittigde uw man u van zijn vlucht. Jullie besloten te trouwen en samen te vluchten. Op 26 maart 2003 werd u enkele uren door de Veiligheidsdienst vastgehouden en ondervraagd over de verblijfplaats van uw man. Op 31 maart 2003 vond het huwelijk plaats. B. Motivering Een aantal ernstige tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ, gehoor dd. 29 april 2003) en het Commissariaat-generaal (CGVS) en tussen uw verklaringen en die van uw man, doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u lid te zijn van de studentenvleugel van de verboden oppositiepartij ‘Ettajamoeh El Watani’ (Nationaal Verbond) (DVZ-verslag, p. 13), terwijl u voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat u sympathisant was van het Beja Congress (‘Moutamar Al Beja’) (CGVS-verslag, p. 1) (zie ook informatie in het administratief dossier). Voor het Commissariaat-generaal verklaarde u dat de nagel van uw huidig echtgenoot tijdens zijn detentie in 2000 werd uitgetrokken (CGVS-verslag, p. 2). Uw man verklaarde daarentegen voor het Commissariaat-generaal dat zijn nagel werd uitgetrokken na zijn arrestatie in oktober 2002 (CGVS-verslag man, dd. 05 juni 2003, p. 6). Over de zomer van 1999 verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat er ondanks een verbod wel een konvooi georganiseerd werd (DVZ-verslag, p. 13), terwijl uw man voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat in 1999 geen konvooi werd georganiseerd wegens de droogte (CGVS-verslag man, p. 4). In verband met het konvooi van 2000 verklaarde u voor het Commissariaat-generaal dat uw man na het konvooi, waar u ook aanwezig was, gedurende twee weken werd aangehouden samen met Mazjoub en Mouawiya (CGVS-verslag vrouw, p. 2). Uw man verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken alleen dat de rector van de universiteit de konvooien verbood (DVZ-verslag man, dd. 22 april 2003, p. 13). Voor het Commissariaat-generaal verklaarde hij echter dat hij na zijn terugkomst van het konvooi in 2000 als enige gedurende twee dagen werd vastgehouden (CGVS-verslag man, p. 4 en 5). In verband met de arrestatie van uw echtgenoot in 2001 verklaarde u voor het Commissariaat- generaal dat uw man nog twee weken vast zat nadat u samen met het konvooi uit het oosten was teruggekeerd (CGVS-verslag, p. 3). Uw man verklaarde daarentegen voor het Commissariaat-generaal dat hij twee dagen na zijn arrestatie werd vrijgelaten, nog voor het konvooi was teruggekeerd uit Oost-Soedan (CGVS-verslag man, p. 5). U verklaarde voor het Commissariaat-generaal dat in 2002 een konvooi georganiseerd werd en dat uw man bij zijn terugkomst gedurende drie maanden werd vastgehouden (CGVS-verslag, p. 2 en 3). Uw echtgenoot verklaarde daarentegen voor het Commissariaat-generaal dat in 2002 geen konvooi georganiseerd werd; hij ging in augustus enkel met zijn familie naar Oost-Soedan. Pas twee maanden later, in oktober 2002, werd hij aangehouden en drie maanden vastgehouden omdat hij zich bezig hield met het voorbereiden van een betoging (CGVS-verslag man, p. 6). Voor het Commissariaat-generaal maakte u in totaal melding van vier arrestaties van uw echtgenoot en voor de Dienst Vreemdelingenzaken stelde u dat uw man drie maal gearresteerd werd (DVZ-verslag, p. 14). Uw echtgenoot vermeldde voor het Commissariaat-generaal vijf arrestaties. Deze tegenstrijdigheden hebben geen betrekking op details, maar op uw politiek engagement, op de mishandelingen die uw man onderging, de reden van zijn aanhouding, het aantal arrestaties evenals de duur van de detentie. Uit uw verklaringen blijkt bovendien dat u uw asielaanvraag hoofdzakelijk steunt op dezelfde motieven als diegene die door uw echtgenoot werden aangevoerd. In het kader van het dringend beroep van deze laatste werd echter een bevestigende beslissing genomen. Ook in uw hoofde kan derhalve geen “vrees voor vervolging” in de zin van de Vluchtelingenconventie weerhouden worden. De door u in het kader van uw asielprocedure voorgelegde documenten wijzigen het bovenstaande niet. Uw identiteitskaart, uw huwelijksakte en het certificaat van de universiteit hebben betrekking op uw identiteit- en studiegegevens, die niet in twijfel werden getrokken. C. Conclusie XIV-16.558-3/8 Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Wat XXX betreft: “A. Vluchtrelaas U verklaarde het Soedanees staatsburgerschap te bezitten en van afkomst half Beja, half Artega te zijn. U verliet uw land van herkomst met het vliegtuig op 16 april 2003, vergezeld van uw vrouw XXX. U kwam dezelfde dag in België aan, waar u op 17 april 2003 het statuut van vluchteling aanvroeg. U bent in het bezit van uw huwelijksakte en van een vervallen internationaal paspoort. Volgens de verklaringen die u op 05 juni 2003 voor het Commissariaat-generaal aflegde bent u sinds uw eerste jaar aan de universiteit Ahlia in Umdurman lid van het “Beja Congress”. De partijleden van de universiteit organiseerden elke zomer een hulpkonvooi naar het oosten van Soedan, waar de Beja leven. Nadat u in 1998 terugkwam van een dergelijk konvooi werd u bij uw thuis gearresteerd en gedurende twee dagen vastgehouden in het kantoor van de Veiligheidsdienst in K. B.. U werd geslagen en ondervraagd over de organisatie van het konvooi. In 1999 werd omwille van de droogte geen konvooi georganiseerd. In februari 2000 werd u in de buurt van de universiteit gearresteerd door leden van de Veiligheidsdienst, omdat u pamfletten had verspreid waarin het beleid van de regering aan de kaak werd gesteld. U werd gedurende twee weken op een onbekende plaats vastgehouden, mishandeld en ondervraagd over de pamfletten. Na het konvooi in de zomer van 2000 werd u gedurende twee dagen vastgehouden en geslagen op de Veiligheidsdienst in Khartoum Bahri. In de zomer van 2001 kwam u vroegtijdig van het konvooi terug omdat u ziek was. Nog voordat het hele konvooi, waaronder ook uw vrouw, was teruggekeerd uit het oosten, werd u gedurende twee dagen door de Algemene Veiligheid vastgehouden, geslagen en ondervraagd. In januari 2002 werd u voor zes maanden een dagelijkse meldingsplicht opgelegd door de Algemene Veiligheid. Op 26 oktober 2002 werd u samen met M. en M. gearresteerd toen jullie op het punt stonden naar de universiteit van Nileyn te gaan om een betoging voor te bereiden. U werd naar de Kober gevangenis gebracht waar u ondervraagd werd over de organisatie van de betoging. U werd mishandeld. Eén van uw nagels werd uitgetrokken. Op 15 januari 2003 werd u vrijgelaten. Op 23 maart 2003 werd Mouawiya tijdens een betoging tegen de oorlog in Irak doodgeschoten. De volgende dag kwam u met een vijftien-tal personen bijeen in het huis van M., waar jullie spraken over de dood van M. en de betrokkenheid van de veiligheidsdiensten. Jullie werden telefonisch verwittigd dat een wagen van de Veiligheidsdienst het huis naderde. U kon samen met S. en M. vluchten naar Wad Madani, anderen werden gearresteerd. U besloot het land te verlaten. Op 25 en 26 maart 2003 zijn leden van de Veiligheidsdienst naar de huizen van uw familie en van uw vrouw gegaan om u te zoeken. Hierbij werd uw vrouw enkele uren aangehouden. Op 31 maart 2003 trad u in het huwelijk opdat u samen met uw vrouw het land zou kunnen verlaten. B. Motivering Een aantal ernstige tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ, gehoor dd. 22 april 2003) en het Commissariaat-generaal (CGVS) en tussen uw verklaringen en die van uw vrouw, doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas. In verband met de arrestatie in augustus 1998 verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u van op de campus van de universiteit meegenomen werd XIV-16.558-4/8 (DVZ-verslag, p. 12), terwijl u voor het Commissariaat-generaal zei dat u bij uw thuis gearresteerd werd, toen ook uw moeder thuis was (CGVS-verslag, p. 3). In verband met de aanhouding in februari 2000 verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat agenten uw nagel hebben uitgetrokken (DVZ-verslag, p. 13). Voor het Commissariaat- generaal vermeldde u dit feit niet tijdens uw gevangenschap in februari 2000 alhoewel u twee maal gevraagd werd hoe u in de gevangenis behandeld werd (CGVS-verslag, p. 4). U verklaarde daarentegen dat uw nagel werd uitgetrokken na uw arrestatie in oktober 2002 (CGVS-verslag, p. 6). Nog in verband met uw aanhouding in februari 2000 verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u door agenten van de Staatsveiligheid werd meegenomen naar hun kantoor op de campus (DVZ-verslag, p. 13). Voor het Commissariaat-generaal verklaarde u echter niet te weten waarheen u gebracht werd; u zou gedurende één uur met de wagen gereden hebben nadat u niet ver van de universiteit gearresteerd was (CGVS-verslag, p. 4). Over de zomer van 2000 zei u voor de Dienst Vreemdelingenzaken enkel dat de rector van de universiteit de konvooien verbood, maar dat u het jaar erop, ondanks dit verbod, toch een konvooi organiseerde (DVZ-verslag, p. 13). Voor het Commissariaat-generaal verklaarde u dat u in de zomer van 2000 wel een konvooi hebt georganiseerd en dat u bij de terugkomst, als enige, gedurende twee dagen werd vastgehouden (CGVS-verslag, p. 4 en 5). Uw echtgenote verklaarde dan weer voor het Commissariaat-generaal dat u na het konvooi in de zomer van 2000, waar zij ook aanwezig was, gedurende twee weken werd aangehouden samen met M. en .(CGVS-verslag vrouw, dd. 05 juni 2003, p. 2). In verband met uw arrestatie in de zomer van 2001 verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u samen met M. werd aangehouden (DVZ-verslag, p. 13), terwijl u voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat u alleen werd aangehouden (CGVS-verslag, p. 5). In dezelfde context verklaarde u voor het Commissariaat- generaal dat u na twee dagen weer werd vrijgelaten, nog voor het konvooi was teruggekeerd uit Oost-Soedan (CGVS-verslag, p. 5). Uw echtgenote verklaarde voor het Commissariaat-generaal daarentegen dat u nog twee weken vast zat nadat zij samen met het konvooi uit het oosten was teruggekeerd (CGVS-verslag vrouw, p. 3). Verder verklaarde u voor het Commissariaat-generaal dat in 2002 geen konvooi georganiseerd werd, maar dat u in augustus 2002 met uw familie naar Oost-Soedan gegaan bent. Twee maanden later, in oktober 2002, werd u aangehouden en drie maanden vastgehouden omdat u zich bezig hield met het voorbereiden van een betoging (CGVS-verslag, p. 6). Uw echtgenote verklaarde daarentegen dat in 2002 wel degelijk een konvooi georganiseerd werd en dat u bij uw terugkomst gedurende drie maanden werd vastgehouden (CGVS-verslag vrouw, p. 2 en 3). Terwijl u voor het Commissariaat- generaal sprak over vijf arrestaties in het totaal, maakte uw echtgenote voor het Commissariaat-generaal melding van vier arrestaties en verklaarde zij voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in totaal drie maal gearresteerd werd (DVZ-verslag vrouw, dd. 29 april 2003, p. 14). Deze tegenstrijdigheden hebben geen betrekking op details, maar op de concrete omstandigheden van de door u aangehaalde arrestaties, de mishandelingen die u onderging, de reden van aanhouding, de plaats van detentie, het aantal arrestaties evenals de duur van de detentie. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een geïndividualiseerde "vrees voor vervolging" vastgesteld worden. De door u in het kader van uw asielprocedure voorgelegde documenten wijzigen het bovenstaande niet. Uw huwelijksakte en het vervallen paspoort hebben betrekking op uw identiteitgegevens, die niet in twijfel werden getrokken. De oproepingsbrief maakt geen melding van de reden van de oproeping en vermeld geen plaats waar u zich dient aan te melden. Zij vormt dan ook geen bewijs van een vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en kan evenmin de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas herstellen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. XIV-16.558-5/8 Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “Enig middel: schending van artikel 52 van de Wet van 15 december 1980 en schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het motiveringsbeginsel De commissaris-generaal meende enkele zgn contradicties te moeten onderkennen, terwijl het niet in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het verzoek tot erkenning als vluchteling past een dergelijk onderzoek naar de waarheid van de aangevoerde feiten te voeren. Er moet enkel worden nagegaan of de aangehaalde feiten waarschijnlijk kunnen worden geacht. Een dergelijk diepgaand onderzoek dat toelaat te ontdekken welke delen van het verhaal van verzoekers waar zijn en welke op beweerdelijke contradicties zouden berusten, kan enkel worden gevoerd in de procedure ten gronde. Uit de voorbereidende werken van artikel 52 van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 blijkt dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid de verzoeken dient weg te filteren die "manifestement abusives ou non fondées" zijn (Parl. 1986, 1987, 689/1 p.7). Zo dienen onontvankelijk te worden verklaard, verzoeken die totaal vreemd zijn aan asiel of kennelijk ongegrond zijn. Welnu uit de beslissing van verzoekers blijkt niet dat de aanvragen voldoen aan een van deze onontvankelijkheidsvoorwaarden. Het wordt zelfs niet in beslissing vermeld. De beslissing is op dit punt dan ook niet voldoende gemotiveerd. De commissaris-generaal kon niet zonder meer besluiten tot het voorhanden zijn van enkele beweerdelijke tegenstrijdigheden, zonder te zijn overgegaan tot een onderzoek ten gronde. De feiten die verzoekers hebben aangebracht zijn van zodanige aard dat ze niet zonder meer kunnen worden afgedaan als ‘geen vermoeden van vrees voor vervolging'. Verzoeker is vijf maal gearresteerd geweest en dit om politieke redenen! Een onderzoek naar het waarheidsgehalte van beweringen en aangevoerde feiten volkomen kaderend binnen de voorwaarden van de Conventie van Genève, dient ten gronde te worden gevoerd. De beslissing schendt artikel 52 van de Wet van 15 december 1980 en het zorgvuldigheidsbeginsel.”; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel doordat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich in de bestreden beslissingen heeft gebaseerd op contradicties, terwijl een onderzoek naar de waarheid van de aangevoerde feiten enkel in het kader van het onderzoek van de gegrondheid kan gedaan worden; 2.2.
- Overwegende dat in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; XIV-16.558-6/8 dat het de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dan ook niet kan verweten worden de opeenvolgende verklaringen van verzoekers zorgvuldig te onderzoeken en onderling te vergelijken; dat in casu een eenvoudige vergelijking van verzoekers verklaringen duidelijke tegenstrijdigheden naar voren bracht; dat dit niet als een onderzoek naar de gegrondheid kan worden beschouwd; dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is; dat in dit verband het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkenen door tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden aangetast zijn; dat de bewering van verzoekers dat enkel tijdens de procedure betreffende de gegrondheid kan worden onderzocht welke delen van zijn verhaal waar zijn en welke op contradicties zouden berusten, niet kan worden bijgevallen; dat de aangevoerde schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet en van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel niet kan worden aangenomen; dat het enig middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. XIV-16.558-7/8 De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.558-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.785 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.