id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.787 Rolnummer: A. 113534/VII-35347 Zaak: Arrest 150787 - - 26/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 03:36 Fiche Arrest nr 150.787 van 26 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.787 van 26 oktober 2005 in de zaak A. 113.534/XIV-
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Slowaakse nationaliteit, op 27 november 2001 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerleg- ging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 oktober 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 31 januari 2002 waarbij aan de verzoeken- de partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; XIV-7518-1/5 Gelet op de beschikking van 11 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. LANDUYT die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX en XXX, beide van Slowaakse nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 14 september 1998 en hebben zich voor het eerst vluchteling verklaard op 14 september
- De eerste asielprocedure van verzoekers wordt afgesloten met de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 april 1999 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 februari 1999 tot weigering van verblijf. 1.
- Op 27 augustus 2000 zijn verzoekers opnieuw het land binnengekomen, zij verklaarden zich op 6 september 2000 voor de tweede maal vluchteling. 1.
- Op 12 oktober 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van beide verzoekers een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 26 oktober 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf. Dit zijn de bestreden beslissingen. XIV-7518-2/5
- Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat, wat de tweede constitutieve voorwaarde betreft, de verzoekende partijen het volgende stellen: “VI. Aangaande het moeilijk te herstellen ernstig nadeel bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of vordering Gelet op de uitvoering van het bevel tot het verlaten van het grondgebied, dat volgt op de bestreden akte, met als gevolg dat verzoekers terug naar Slovakije zouden worden teruggestuurd, dient er voor hun leven of vrijheid te worden gevreesd. Gelet op de niet afdoende gemotiveerde beslissingen. Dat verweerder heeft nagelaten de feiten zelf waarop verzoekers hun vrees voor vervolging en hun vlucht uit Slovakije baseren, grondig te toetsen aan de Vluchtelingenconventie. Dat verzoekers van Roma-origine zijn, waardoor verzoekers in Slovakije tal van problemen hierdoor ondervonden (cf. feitenrelaas). Dat verzoekers en hun kinderen in Slovakije wegens hun origine worden gediscrimineerd. Dat verzoeker door de Slovaakse autoriteiten zonder enig aanhoudingsmandaat werd opgepakt en zonder enige verschijning voor de rechtbank gedurende twee en een halve maand werd opgesloten en mishandeld. Dat verzoekers fundamentele rechten in Slovakije geschonden worden (waaronder art. 5 EVRM) alsgevolg van hun origine. Dat verzoekers en hun dochter D door de Slovaakse autoriteiten verantwoordelijk worden gesteld voor de exodus van de Roma naar het buitenland en van het negatieve beeld dat van Slovakije in het buitenland zou zijn opgeworpen (cf. stukken 2 en 3) Dat zij bij een terugkeer vrezen opnieuw wegens hun origine vervolgd te worden, zonder dat zij de bescherming kunnen inroepen van de (hogere) Slovaakse autoriteiten. Dat er moet gewezen worden op de ernstige en bedreigende situatie voor de Roma- bevolking in Slovakije. Dat uit het rapport aangaande de mensenrechten in Slovakije van het US Department of State, Bureau of democracy, Human Rights and Labor, "Country Reports on Human Rights Practices for 2000, Slovak Republic", februari 2001 duidelijk blijkt de Roma- bevolking in Slovakije, bedreigd, gediscrimineerd (anno 2000 zijn zij nog steeds het slachtoffer van discriminatie op vlak van tewerkstelling, behuizing, school, gezondheidszorg, toegang tot hotels, restaurant, zwembaden en de staatsadministratie) en mishandeld wordt (zelfs door de Slovaakse politie zelf) en dat de Slovaakse (hogere) autoriteiten weigeren de Roma bescherming te bieden tegen en tolereren zelfs het skinheadgeweld ten aan zien van de zigeuners (cf. h t t p : / / w w w . s t a t e . g o v / g / d r l / r l s / h r r p t / 2 0 0 0 / e u r / i n d e x - c f m? d o c i d = 8 6 8 , "national/racial/ethnic minorities")(cf. stuk 4). Dat het mensenrechtenorgaan van de Verenigde Naties, het Committee on the Elimination of Racial Discrimination, in haar eindbesluiten van haar 57ste zitting dd. 14.08.2000 Slovakije berispte voor haar discriminatoir woon-, school-, werkgelegenheids- en gezondheidsbeleid ten aanzien van de Roma en voor de straffeloosheid van racistische organisaties die Roma mishandelen (http://www.unhchr.ch/tbs/doc.nsf) (cf. stuk 5). Dat bovendien verzoekers en hun kinderen in België geïntegreerd zijn. Dat verzoekers dochters E en D reeds perfect Nederlands spreken (cf. stuk 6). Dat verzoeker bestuurslid is en D secretaris en tolk op vrijwillige basis is bij de "Opré Roma vzw" (cf. stuk 7). XIV-7518-3/5 Dat een terugleiding van verzoekers en hun kinderen naar Slovakije zonder twijfel een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel teweeg brengt.”; 2.3.
- Overwegende dat uit niet betwiste informatie die aan de Raad van State op 5 april 2005 werd toegezonden door de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker op 27 oktober 2004 gerepatrieerd werd; dat in zijn uiteenzetting verzoeker zich beperkt tot de vaststelling dat hij het grondgebied zou dienen te verlaten en terug zou moeten keren naar zijn land van herkomst, alwaar zijn leven en vrijheid in gevaar zou zijn; dat, nu verzoeker reeds van het grondgebied is verwijderd, een schorsing van de bestreden beslissing het ingeroepen nadeel niet meer kan voorkomen; 2.3.
- Overwegende dat uit een uittreksel van het rijksregister blijkt dat XXX op 26 februari 2003 werd gemachtigd om voor onbeperkte duur in het Rijk te verblijven; dat op laatst vermelde datum zij in het bezit werd gesteld van een identiteitskaart voor vreemdelingen geldig tot 26 februari 2008/onbeperkte duur; dat in haar uiteenzetting verzoekster zich beperkt tot de vaststelling dat zij het grondgebied zou dienen te verlaten en terug zou moeten keren naar haar land van herkomst, alwaar haar leven en vrijheid in gevaar zou zijn; dat, aangezien verzoekster momenteel echter over een wettig verblijf beschikt, het geschetste nadeel niet meer kan worden voltrokken; 2.3.
- Overwegende dat voor beide verzoekers niet voldaan is aan één van de twee door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden; dat de vordering tot schorsing derhalve dient te worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten worden voorbehouden. XIV-7518-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-7518-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.787 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.