id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.856 Rolnummer: A. 115967/XIV-8280 Zaak: Arrest 150856 - - 27/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 03:40 Fiche Arrest nr 150.856 van 27 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.856 van 27 oktober 2005 in de zaak A. 115.967/XIV-
- In zake : XXX, aliasXXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. BRIJS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Paalstraat 14 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, alias XXX, geboren op 10 december 1978 en van Sierra Leoonse nationaliteit, op 3 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 31 januari 2002 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag d.d. 28 april 2005 opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-8280-1/8 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 september 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VANDERMEERSCH die, loco Advocaat B. BRIJS, verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 10 september 2000 en verklaart zich vluchteling op 18 september
- 1.
- Op 6 december 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 5 december 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen evenwel dat, gezien de toestand in uw land van oorsprong, het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is, dat u naar Sierra Leone, Guinee en Liberia zou worden teruggeleid. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde de Sierraleoonse (Sierra Leoonse) nationaliteit te bezitten, tot de fullah-etnie te behoren en afkomstig te zijn van Bo. In 1999 werd u chauffeur voor de leider van een groep Kamajors in Bo-town. U voorzag de Kamajors ook van voedsel aan de ‘checkpoints’. Op 1 juli 2000 kreeg u de opdracht om hen te gaan bevoorraden. Met tegenzin vertrok u in het gezelschap van zes Kamajors. Nabij ‘Moiemba junction’ kwamen jullie in een hinderlaag van rebellen XIV-8280-2/8 terecht. De zes Kamajors werden gedood en u werd gedwongen hen te volgen naar een dorp in het gebied ‘Shenge’. U werd er opgesloten en vijf keer werd u door de rebellen meegenomen om als drager te werken. Op 29 augustus 2000 werd het dorp door de ‘US peacekeeping force’ aangevallen en gebruikmakend van het tumult slaagde u erin te ontsnappen. U ging naar het busstation van Shenge, alwaar u uw oom Ansu trof. Hij bracht u ervan op de hoogte dat de Kamajors op zoek waren naar u omdat u zes van hun kompanen in de val zou hebben gelokt, dat uw woning in de as was gelegd en het niet geweten was waar uw moeder, zus en broer verbleven. Ansu bracht u naar John die u met zijn vaartuig naar Freetown bracht. Op zijn beurt bracht John u in contact met ‘Eddy boy’. Deze bracht u op 21 augustus 2000 aan boord van een schip dat richting België voer. Op 18 september 2000 wendde u zich tot de gebouwen van de Belgische asielinstanties en startte u er uw asielprocedure. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen aanbrengt opdat er sprake zou kunnen zijn van een geïndividualiseerde “vrees voor vervolging” in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. Met name kan er ernstig getwijfeld worden aan uw beweerde gedwongen verblijf bij de rebellen. Tijdens het verhoor voor het Commissariaat-generaal (dd. 4 juli 2001) slaagde u er immers niet in aan te geven door hoeveel rebellen jullie werden aangevallen op 1 juli 2000; stelde u niet te weten wat de naam is van het dorp in het gebied Shenge waar(naar) de rebellen u mee naartoe namen; wist u niet te zeggen hoeveel gevangenen ongeveer bij u waren opgesloten; verklaarde u vijf keer door rebellen te zijn meegenomen om voedsel te dragen maar kon u geen namen reproduceren van plaatsen waar de rebellen u toen mee naartoe namen; wist u –buiten de rebellenleider ‘fresh blood’- geen namen te geven van rebellen aanwezig in het dorp en kon u niet aangeven hoeveel rebellen er ongeveer in het dorp verbleven (zie verhoorverslag Commissariaat-generaal pp. 6-7). Een tegenstrijdigheid in uw verklaringen respectievelijk voor de Dienst Vreemdelingenzaken (dd. 1 december 2000) en het Commissariaat-generaal ondermijnt verder uw bewering als zou u door de rebellen zijn opgepakt, opgesloten en uiteindelijk zijn ontsnapt. U verklaarde immers voor de Dienst Vreemdelingenzaken te zijn ontkomen aan de rebellen toen u in augustus 2000 mee moest als drager (zie verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken punt 42). Daarentegen verklaarde u voor het Commissariaat-generaal te zijn ontsnapt door gebruik te maken van de chaos die ontstond bij een aanval van het ‘US peacekeeping force’ op het dorp waar u verbleef (zie verhoorverslag Commissariaat-generaal p.6). Hieruitvolgend kan er evenmin nog enig geloof worden gehecht aan uw bewering als zouden de Kamajors op zoek zijn naar u omdat u hen zou hebben verraden. Het feit op zich dat u in 1999 actief werd voor de Kamajors als chauffeur en dit naar eigen zeggen niet kon weigeren omdat u anders zou worden gedood (zie verhoorverslag Commissariaat-generaal p.5), is overigens onvoldoende zwaarwichtig opdat er sprake zou zijn van een vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. U oefende deze job immers geruime tijd uit zonder enig probleem, noch maakte u aanstalten om u aan deze taak te onttrekken. Ook de verklaringen die u aflegde met betrekking tot uw reisweg zijn weinig overtuigend. Zo wist u voor het Commissariaat-generaal de naam niet te geven van het schip en de kapitein. U stelde niet te weten onder welke vlag het schip voer, noch kon u zeggen of het schip een tussenstop maakte en waar het schip uiteindelijk aanmeerde (zie verhoorverslag Commissariaat- generaal p.8). Het door u voorgelegde Sierraleoonse (Sierra Leoonse) rijbewijs (met nummer 92723) brengt geen wijzigingen aan in bovenstaande bemerkingen aangezien dit enkel een bewijs aanbrengt van uw identiteit en niet van de door u ingeroepen vervolgingsfeiten. Hetzelfde geldt voor de twee door u voorgelegde berichten van het Rode Kruis, omdat deze irrelevant zijn voor uw asielrelaas. U blijkt niet in het bezit te zijn van enig document dat de controle van uw reisweg mogelijk zou kunnen maken. Tenslotte brengt uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element naar voor dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. (...).”. 2.1.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij een exceptie afleidt uit de schending van artikel 3, 6/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, volgens hetwelk het verzoekschrift tot schorsing de taal dient te vermelden die in artikel 35 voor het verhoor wordt bepaald; dat het voorschrift van artikel 3, 6/, van voornoemd koninklijk XIV-8280-3/8 besluit niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven en evenmin een substantieel vormvoorschrift uitmaakt, zodat de exceptie wordt verworpen; 2.1.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota aanvoert dat het verzoekschrift “meer dan 30 dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing (werd) ingediend en is derhalve laattijdig”; Overwegende dat de exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis wordt verworpen, aangezien de bestreden beslissing naar de verzoekende partij werd verstuurd op woensdag 5 december 2001; dat derhalve moet worden aangenomen dat de effectieve kennisgeving is gebeurd op donderdag 6 december 2001, zodat de termijn van 30 dagen voor het instellen van een beroep een aanvang nam op vrijdag 7 december 2001; dat de aangetekende verzoekschriften werden ingediend op 3 januari 2002, zijnde binnen de wettelijke termijn om de verzoekschriften in te dienen; dat de door de tweede verwerende partij opgeworpen exceptie derhalve wordt verworpen; 2.1.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota een derde exceptie van onontvankelijkheid opwerpt omdat het verzoekschrift tot schorsing geen voldoende uiteenzetting van de feiten bevat die het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantonen; Overwegende dat het niet vereist is hierover uitspraak te doen, aangezien artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt toegepast en de zaak ten gronde wordt behandeld; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt beslecht; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste en een tweede middel samengenomen de schending aanvoert van artikel 52 juncto artikel 63/2 en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, zowel artikel 62 van de Vreemdelingenwet als de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is XIV-8280-4/8 bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen en zijn beslissing steun vindt in de volgende motieven: - verzoekers verklaring over zijn gedwongen verblijf bij de rebellen is twijfelachtig: hij wist niet door hoeveel rebellen hij werd aangevallen op 1 juli 2000, kende de naam niet van het dorp in het gebied Shenge waar de rebellen hem naartoe hadden gebracht, hoeveel gevangenen daar waren opgesloten, kende geen namen van plaatsen waar hij samen met de rebellen voedsel moest ophalen, hij kon enkel de naam van de rebellenleider geven en wist niet hoeveel rebellen er in het dorp verbleven; - verzoekers verklaring op de Dienst Vreemdelingenzaken over zijn verblijf bij en ontsnapping aan de rebellen stemt niet overeen met zijn verklaring op het Commissariaat- generaal hieromtrent: voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde hij dat hij in augustus 2000 aan de rebellen kon ontsnappen op het ogenblik dat hij met hen mee ging om voedsel te halen, terwijl hij op het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij kon ontsnappen door gebruik te maken van de chaos die ontstond toen het dorp waar hij verbleef werd aangevallen door het “US peacekeeping force”; - de twijfel omtrent het gedwongen verblijf van verzoeker en zijn ontsnapping aan de rebellen heeft voor gevolg dat eveneens aan verzoekers verklaring, dat hij gezocht wordt door de Kamajors omdat hij hen zou hebben verraden, geen geloof kan worden gehecht; - verzoekers verklaringen over zijn vlucht naar België zijn weinig overtuigend: hij kent de naam niet van het schip en zijn kapitein, weet niet onder welke vlag het schip voer noch of het een tussenstop maakte en waar het uiteindelijk aanmeerde; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal zijn beslissing steunt op een aantal tegenstrijdigheden en hiaten in verzoekers asielrelaas, die er bij nader onderzoek geen zijn of minstens kunnen verklaard worden; dat verzoeker betoogt dat hij inderdaad niet wist door hoeveel rebellen hij werd aangevallen op 1 juli 2000, omdat XIV-8280-5/8 het er zoveel waren en de interviewer op het Commissariaat-generaal er niet verder op inging; dat verzoeker betoogt dat hij niet wist hoe het dorp heette waar hij bij de rebellen verbleef omdat het een plek in het bos was en geen echt dorp maar een basis voor de rebellen; dat verzoeker verder aanvoert dat hij het aantal medegevangenen niet kende omdat hun aanwezigheid regelmatig wisselde; dat hij ook geen plaatsen kon noemen waar zij voedsel moesten gaan halen omdat het gewoon aan de kant van de weg was; dat verzoeker verder aanvoert dat hij buiten de naam van de leider geen namen van rebellen kende omdat zij in de nabijheid van de gevangenen geen namen gebruikten en dat hij bovendien niet wist hoeveel rebellen er in het kamp verbleven omdat zij niet steeds allemaal aanwezig waren; dat verzoeker in zijn verzoekschriften enkel nuances aanbrengt aan zijn asielrelaas en een verklaring post factum tracht te geven voor de door de Commissaris-generaal gedane vaststellingen; dat verzoeker, wanneer hij in zijn verzoekschriften de feiten uit zijn asielrelaas tracht te verduidelijken, in wezen aan de Raad van State vraagt de feiten opnieuw te beoordelen; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan wettig tot haar besluit is kunnen komen; dat verzoeker niet met concrete elementen aantoont dat het oordeel van de Commissaris-generaal niet op goede gronden steunt; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de door de Commissaris- generaal vastgestelde tegenstrijdigheid, geen tegenstrijdigheid is maar dat zijn verklaring op het Commissariaat-generaal enkel een uitbreiding is van zijn verhaal op de dienst Vreemdelingenzaken; dat hij met de rebellen voedsel ging halen en ondertussen het kamp van de rebellen werd aangevallen door “US peacekeeping force” waarbij hij gebruik maakte van de chaos om te ontsnappen; dat verzoeker voorbij gaat aan het feit dat van een kandidaat- vluchteling mag worden verwacht dat hij of zij, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van de asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn of haar vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden die bevoegd zijn om kennis te nemen van de asielaan- vraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er, in hoofde van de kandidaat- vluchteling, aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat verzoeker aanvoert dat hij nooit geconfronteerd werd met de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheid en ze bijgevolg ook niet kon verduidelijken; Overwegende dat de procedure voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat op de Commissaris-generaal vooralsnog geen verplichting rust om de asielzoeker met zijn tegenstrijdige verklaringen te confronteren; XIV-8280-6/8 Overwegende dat verzoeker aanvoert dat hij, wat zijn reisweg betreft, geen antwoord kon geven op de door de Commissaris-generaal gestelde vragen omdat hij slechts éénmaal zijn schuilplaats op het schip heeft verlaten en het al nacht was toen hij aan boord ging en heel vroeg in de morgen toen hij het schip verliet; dat hij niet wist waar hij aanmeerde omdat hij in een vreemd land terecht kwam waarvan hij de taal niet kende; dat verzoeker verder benadrukt dat aan zijn identiteit niet wordt getwijfeld; dat verzoeker de door de Commissaris-generaal vastgestelde motieven niet ontkracht; 2.2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden en dat deze afdoende moeten zijn; dat in casu de bestreden beslissing vaststelt dat er in hoofde van verzoeker geen aanwijzingen zijn die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de motieven van de bestreden beslissing steun vinden in het administratief dossier; dat verzoeker geen concrete elementen aanhaalt die aantonen dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal niet op goede gronden zouden steunen; dat de Commissaris-generaal bijgevolg kon besluiten dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen in overeen- stemming met de motiveringsplicht, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing kan dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het eerste en het tweede middel ongegrond zijn;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-8280-7/8 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-8280-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.856 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.