← België

Arrest 150876 - - 28/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.876 Rolnummer: A. 115969/XIV-8282 Zaak: Arrest 150876 - - 28/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-21 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 03:50 Fiche Arrest nr 150.876 van 28 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.876 van 28 oktober 2005 in de zaak A. 115.969/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. HENDRIX, kantoor houdende te 1190 BRUSSEL, Molièrelaan 11 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 4 mei 1969 en van Mongoolse nationaliteit, op 23 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 januari 2002, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 6 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag dd. 28 april 2005 opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 september 2005 om 14.00 uur; XIV-8282-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. HENDRIX, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. Verzoeker is op onbekende datum het Rijk binnengekomen; 1.
  4. Op 16 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk verlaten; 1.
  5. Op 26 maart 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. 1.
  6. Op 12 april 2001 wordt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, die de verzoekende partij tegen voormelde bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal heeft ingediend, verworpen bij arrest nr. 94.721 van 12 april 2001 van de XIVde kamer van de Raad van State; 1.
  7. In de nacht van 1 op 2 januari 2002 werd de verzoekende partij aangetroffen op het grondgebied van de gemeente Ieper. 1.
  8. Door de gemeentepolitie werd vastgesteld dat het verblijf van de verzoekende partij onregelmatig is. 1.
  9. Op 2 januari 2002 werd aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis gebracht wegens het niet in het bezit zijn van een paspoort voorzien van een geldig visum. Dit is de thans bestreden beslissing. 1.
  10. Bij arrest nr. 145.775 van 9 juni 2005 van de VIIde kamer van de Raad van State werd de afstand vastgesteld van de vordering tot nietigverklaring, die de XIV-8282-2/5 verzoekende partij tegen voormelde bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal heeft ingediend.
  11. Over de ontvankelijkheid. 2.
  12. Overwegende dat uit de brief van 1 september 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken, blijkt dat er op 11 april 2001 een afvoering van ambtswege plaatsvond; dat dit tot bewijs van het tegendeel betekent, dat verzoeker ofwel vertrokken is en het land heeft verlaten, ofwel verblijft op een onbekend adres; dat deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat de Advocaat van verzoeker ter zitting meedeelt dat hij nog instructies heeft gekregen; dat het toekomt aan de Advocaat van een verzoekende partij zijn mandaat ter terechtzitting te bewijzen met concrete, geactualiseerde en controleerbare gegevens, rekening houdend met de eigenheid van het Vreemdelingenconten- tieux; dat in casu blijkt dat verzoeker sedert 11 april 2001 geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, zodat de Advocaat als medewerker van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënt nog steeds in het Rijk verblijft; dat dit gegeven het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke vraagstelling die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht; dat wanneer in de toekomst blijkt dat de vreemdeling geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, en de Advocaat ter zitting niet het tegendeel aantoont, en zijn mandaat niet kan bewijzen, de Raad van State de vorderingen zal afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang; 2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota aanvoert dat verzoeker een uitvoeringsmaatregel aanvecht, onder de vorm van een bevel om het grondgebied te verlaten, tot stand gekomen nadat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van weigering van verblijf van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 januari 2001 bevestigde, op het ogenblik dat verzoeker zich zonder identiteitsdocumenten op de openbare weg bevond in staat van dronkenschap; dat de verwerende partij stelt dat de eventuele nietigverklaring van de bestreden uitvoeringsmaatregel geen wijziging teweeg brengt in de verblijfstoestand van verzoeker; dat verwerende partij betoogt dat het bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten dan ook niet vatbaar is voor een vordering tot schorsing, laat staan vernietiging; 2.
  14. Overwegende dat het beroep onontvankelijk is bij gebrek aan het rechtens vereiste belang; dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 16 januari 2001 een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten, heeft genomen ten aanzien van verzoeker; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing op 26 maart 2001 heeft bevestigd, zodat voornoemd bevel uitvoerbaar is; dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bevestigende beslissing wordt verworpen XIV-8282-3/5 bij arrest nr. 94.721 van 12 april 2001 van de XIVde kamer van de Raad van State ; dat bij arrest nr. 145.775 van 9 juni 2005 van de VIIde kamer van de Raad, de afstand van het geding wordt vastgesteld; dat bijgevolg de nietigverklaring van het thans bestreden bevel van 2 januari 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, niet belet dat de verzoeker het land toch zal moeten verlaten; dat er lastens verzoeker immers een uitvoerbaar bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten bestaat; dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door een eventuele nietigverklaring van het thans bestreden bevel; dat de exceptie van onontvankelijkheid gegrond is;
  15. Overwegende dat het beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang; dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-8282-4/5 Artikel
  16. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden onontvankelijk verklaard. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-8282-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.876 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.