id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.877 Rolnummer: A. 115552/XIV-8111 Zaak: Arrest 150877 - - 28/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-21 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 03:51 Fiche Arrest nr 150.877 van 28 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.877 van 28 oktober 2005 in de zaak A. 115.552/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. ROBERT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 7 december 1975 en van Colombiaanse nationaliteit, op 2 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 3 december 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 3 december 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag dd. 21 februari 2005 opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 september 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-8111-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. VAN CUTSEM, die, loco Advocaat P. ROBERT, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 20 september 2001 en verklaart zich vluchteling op 25 september
- 1.
- Aangezien de verzoekende partij de buitengrenzen van de Europese Unie heeft overschreden via Spanje, zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste documenten, wordt op 1 oktober 2001, met toepassing van artikel 6 van de Overeenkomst van Dublin van 15 juni 1990 betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij één van de Lidstaten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend (Overeenkomst van Dublin), de overname van de verzoekende partij gevraagd aan Spanje. De Spaanse autoriteiten stemmen toe in de overname van de asielaanvraag van de verzoekende partij op 26 november
- 1.
- Op 3 december 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. Dit is de thans bestreden beslissing. Op diezelfde dag werd het doorlaatbewijs aan de verzoekende partij afgegeven. De verzoekende partij moest zich vóór 14 december 2001 aanmelden op de luchthaven te Madrid bij de bevoegde autoriteiten. De verzoekende partij gaf geen gevolg aan deze beslissing.
- Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota aanvoert dat, zodra de vreemdeling zich aan de grens of in het Rijk vluchteling verklaart overeenkomstig artikel 50 of 51 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde overgaat tot het vastellen van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag; dat de Minister of zijn gemachtigde kan besluiten om een asielaanvraag te behandelen, zelfs indien België daartoe niet verplicht is krachtens de criteria vervat in de internationale overeenkomsten die België XIV-8111-2/6 verbinden, op voorwaarde dat de vreemdeling met die behandeling instemt; dat de asielzoeker niet zelf kan bepalen welke staat bevoegd is om de asielaanvraag te behandelen; dat, overeenkomstig artikel 10.1.b van de Overeenkomst van Dublin, de lidstaat die op grond van de criteria vervat in de Overeenkomst van Dublin, verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag, verplicht is de asielaanvraag volledig te behandelen; dat, overeenkomstig artikel 11.5 van de Overeenkomst van Dublin, de overdracht van de asielzoeker vanuit de lidstaat waar een asielverzoek is ingediend aan de verantwoordelijke lidstaat, moet plaatsvinden uiterlijk één maand na de aanvaarding van het verzoek tot overname of één maand na de beëindiging van de geschilprocedure die in voorkomend geval door de vreemdeling tegen het besluit tot overdracht is ingespannen, indien aan deze procedure een schorsende werking is verbonden; dat de schorsingsprocedure voor de Raad van State geen schorsende werking heeft en dat de duur van de behandeling bij wet is bepaald op vijfenveertig dagen; dat verzoeker, die een verblijf claimt als asielzoeker, het voordeel van de toepassing van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), verliest indien hij zich niet binnen de bij artikel 11.5 van de Overeenkomst van Dublin voorziene termijn aanmeldt bij de overheid van de bevoegde lidstaat; dat het rechtens vereiste belang ontbreekt en de vordering derhalve onontvankelijk is; Overwegende dat artikel 11.5 van de Overeenkomst van Dublin niet voorschrijft dat verzoeker, indien hij nalaat om zich binnen de vooropgestelde termijn aan te melden bij de bevoegde diensten van de verdragsstaat die verantwoordelijk is voor de afhandeling van de asielaanvraag, de mogelijkheid verliest om beroep te doen op de Vluchtelingenconventie; dat artikel 10.1.b van de Overeenkomst van Dublin stelt dat de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, verplicht is deze volledig af te handelen; dat de Belgische overheid van mening is dat de Spaanse autoriteiten verantwoordelijk zijn; dat de Spaanse overheid hiermee instemt en dat zij derhalve bevoegd is om de volledige asielaanvraag af te handelen; dat de Raad van State niet bevoegd is om een oordeel te vellen over de gevolgen van een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing op Spaans niveau; dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 57/2000 van 17 mei 2000 evenwel stelt dat een dergelijke overdracht geen afbreuk doet aan het recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep, nu de Raad van State bevoegd blijft om over het beroep uitspraak te doen, ook al dient verzoeker het grondgebied te verlaten om zich aan te melden bij de overheden van de bevoegde staat; Overwegende dat de exceptie van onontvankelijkheid wordt verworpen;
- Over de gegrondheid van de zaak. 3.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 51/5, § 1, lid 2 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de XIV-8111-3/6 toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van de artikelen 2, 4 en 9 van de Overeenkomst van Dublin van 15 juni 1990 betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij één van de Lidstaten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend (Overeenkomst van Dublin), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het eerste middel aanvoert dat hij Spanje op legale wijze is binnengekomen, aangezien hij in het bezit was van een geldig paspoort; dat verzoeker uiteenzet dat hij als Colombiaan niet in het bezit diende te zijn van een visum om Spanje binnen te komen; dat verzoeker besluit dat artikel 6 van de Overeenkomst van Dublin derhalve niet van toepassing is en dat Spanje niet verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag; Overwegende dat verzoeker het Schengengebied is binnengekomen via Spanje en dat hij in België asiel heeft aangevraagd; dat verzoeker niet in het bezit diende te zijn van een visum om Spanje binnen te komen; dat verzoeker echter evenmin in het bezit was van een Schengenvisum, zodat hij België wel degelijk op een illegale wijze is binnen- gekomen; dat verzoekers asielaanvraag werd behandeld overeenkomstig artikel 3.1 van de Overeenkomst van Dublin; dat aan de Spaanse autoriteiten de overname van de asielaanvraag werd gevraagd; dat de Spaanse autoriteiten met deze overname hebben ingestemd; dat de Belgische overheid bijgevolg haar discretionaire bevoegdheid verloor; dat verzoeker niet doet blijken van het rechtens vereiste belang, vermits de verwerende partij, bij een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing, dezelfde beslissing zou moeten nemen; Overwegende dat het eerste onderdeel van het enig middel niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel van het eerste middel aanvoert dat de verwerende partij niet heeft gemotiveerd waarom geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 51/5 van de Vreemdelingenwet, hoewel hij heeft gewezen op zijn banden met België, aangezien zijn moeder en zijn twee nichten in België verblijven, en vermits hij tijdens zijn verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde familie en vrienden te hebben in België; Overwegende dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingen- zaken blijkt dat verzoeker op de vraag “Waarom hebt u België gekozen?” heeft geantwoord: “Er wonen vrienden die me vertelden dat het een goed land is.”; dat hieruit blijkt dat verzoe- ker met geen woord heeft gerept over de aanwezigheid van familieleden op het Belgisch grondgebied; dat dit een element is dat voor het eerst aan de Raad van State wordt voorgelegd; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de XIV-8111-4/6 feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de bestreden beslissing op goede gronden geen melding maakt van eventuele familieleden van verzoeker, omdat hij daarover zelf niets had meegedeeld; Overwegende dat, op grond van de criteria vervat in de artikelen 4 tot 8 van de Overeenkomst van Dublin, Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag; dat België op basis van de artikel 3.4 en artikel 9 van de Overeenkomst van Dublin niet kan worden verplicht de asielaanvraag van verzoeker te behandelen; dat de door verzoeker ingeroepen vriendschapsbanden niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden vervat in artikel 4 van de Overeenkomst van Dublin; dat de bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd; Overwegende dat het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond is; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het gezinsleven samen met zijn moeder ernstig wordt verstoord door de bestreden beslissing, maar dat geen wettige redenen worden aangehaald die deze verstoring verantwoorden; Overwegende dat wordt verwezen naar de analyse van het eerste middel, waaruit blijkt dat verzoeker de asielinstanties niet op de hoogte heeft gebracht van de eventuele aanwezigheid van familieleden en dat België terecht niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoeker, en dat verzoeker een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten heeft gekregen; dat, voor zover een dergelijk bevel dient te worden beschouwd als een inmenging van het openbaar gezag in het gezinsleven van verzoeker, het gaat om een in artikel 8, lid 2 E.V.R.M. toegestane inmenging; dat de handhaving van de verblijfsreglementering door de overheid een middel is ter vrijwaring van de openbare orde; dat verzoeker bovendien meerderjarig is en dat hij wist dat zijn verblijfstoestand precair is; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot XIV-8111-5/6 het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-8111-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.877 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.