id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.880 Rolnummer: A. 125231/XIV-11233 Zaak: Arrest 150880 - - 28/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-18 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-03 03:52 Fiche Arrest nr 150.880 van 28 oktober 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.880 van 28 oktober 2005 in de zaak A.125.231/XIV-11.é. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat D. PAUWELS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tolstraat 53 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 17 april 1952 en van Kroatische nationaliteit, op 9 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 juli 2002 tot weigering van regularisatie; Gelet op het arrest nr. 121.574 van 11 juli 2003, waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag dd. 30 mei 2005 opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat besluit tot de vernietiging van de bestreden beslissing; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 september 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-11.é-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. SOUDANT, die, loco Advocaat D. PAUWELS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat G. COOLSAET, die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend mondeling advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- XXX heeft op 20 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
- Op 14 september 2001 is verzoeker, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. Op deze zitting werd aan verzoeker uitstel verleend teneinde hem toe te laten bijkomende stukken neer te leggen. Op de zitting van 9 oktober 2001 werd verzoeker opnieuw gehoord, in het bijzijn van een Advocaat. 1.
- Op 23 oktober 2001 heeft de vierde Kamer van de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) De verzoeker werd geldig opgeroepen. De identiteit en de nationaliteit van de verzoeker blijken voldoende uit de stukken van het dossier. De verzoeker heeft tijdig, op 20 januari 2000, zijn aanvraag ingediend bij de gemeentelijke diensten van Antwerpen. De aanvraag beoogt regularisatie te bekomen op grond van artikel 2,4/ van de wet van 22 december
- Het dossier werd conform artikel 12 par. 2 van de wet van 22 december 1999 aanhangig gemaakt bij de Commissie. De verzoeker heeft verklaard dat zijn echtgenote L. K. voor wie eveneens een aanvraag tot regularisatie werd gedaan sinds 1996 naar Kroatië is teruggekeerd en niet in België verbleef op het ogenblik van de regularisatieaanvraag zodat deze doelloos is. Hetzelfde geldt voor XXX kind van de verzoeker. MiljenkoXXX heeft zelf een afzonderlijke aanvraag heeft ingediend. Aldus dient enkel geoordeeld worden over de aanvraag van de verzoeker. Aan de verzoeker en diens raadsman werden, zoals blijkt uit het toegestane uitstel, voldoende kansen geboden om de noodzakelijke bewijsstukken over te leggen met betrekking tot zijn verblijf in België op 1 oktober 1999, waarover bovendien in de nota van het onderzoekssecretariaat reeds duidelijk voorbehoud werd gemaakt. De door de verzoeker voorgebrachte stukken en aanvullende stukken leveren niet op afdoende en objectieve wijze het sluitend bewijs van het daadwerkelijk verblijf van de verzoeker in België in de periode 1 januari 1999 tot 1 oktober
- Deze stukken zijn immers bijzonder vaag en elk officieel stuk of een stuk dat uitsluitsel kan geven ontbreekt. XIV-11.é-2/5 Hierbij dient opgemerkt dat de verzoeker ter gelegenheid van de zitting van 14 september 2001 verklaarde dat hij zijn paspoort niet bij zich had, op de zitting van 9 oktober 2001 waar hij dit paspoort diende voor te leggen, beweerde dat dit paspoort waarschijnlijk gestolen werd meer dan één maand tevoren... De verzoeker voldoet niet aan de voorwaarden vereist voor de toepassing van de wet van 22 december
- OM DEZE REDENEN, Beslist de vierde kamer van de Commissie voor regularisatie, aldus samengesteld, unaniem en zonder enig voorbehoud een ongunstig advies te kunnen verlenen wat de aanvraag van Juraj XXX betreft. (...)”. 1.
- Op 11 juli 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de thans bestreden beslissing.
- Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de motiveringsplicht hem dient toe te laten de redenen te begrijpen die aan de genomen beslissing ten grondslag liggen; dat verzoeker uiteenzet dat de Minister van Binnenlandse Zaken het negatief advies overneemt dat door de Commissie voor regularisatie werd gegeven, aangezien verzoeker slechts vage bewijsstukken zou hebben overgelegd die geen uitsluitsel zouden bieden over zijn verblijf op het grondgebied van het Rijk in de periode 1 januari 1999 tot en met 1 oktober 1999; dat verzoeker stelt dat hij verscheidene bewijsstukken heeft voorgelegd in de vorm van getuigenverklaringen, die gelijkluidend zijn, en die niet alleen zijn ononderbroken aanwezigheid in het Rijk staven sedert 1994, maar die tevens de sociale bindingen aantonen die hij heeft ontwikkeld; dat verzoeker stelt dat de Minister van Binnenlandse Zaken niet motiveert waarom deze verklaringen vaag en niet dienstig zijn, en dat verzoeker bijgevolg niet kan weten op basis van welke motieven de bestreden beslissing werd genomen; dat verzoeker aanvoert dat de Minister van Binnenlandse Zaken evenmin motiveert waarom hij geen rekening houdt met de verklaringen van een notabele, waaraan een bijzondere bewijswaarde moet worden gehecht; dat de verzoeker tenslotte betoogt dat de bestreden beslissing tegenstrijdig is aangezien de bewijsstukken van verzoeker, zowel door de Commissie voor Regularisatie als door Minister van Binnenlandse Zaken, dienstig worden geacht om het verblijf gedurende meer dan zes jaar te aanvaarden doch niet dienstig zouden zijn om het verblijf in het jaar 1999 te staven; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de bestreden beslissing wel degelijk voldoet aan de wettelijke motiverings- plicht, doordat zij verwijst naar het advies van de Commissie voor regularisatie, dat zelf XIV-11.é-3/5 afdoende is gemotiveerd en aan de betrokkene ter kennis werd gebracht; dat de verwerende partij uiteenzet dat het feit dat verzoeker na het advies nog bijkomende stukken zou hebben overgemaakt, geen afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de bestreden beslissing; dat de verwerende partij tenslotte opmerkt dat de notabele waarnaar verzoeker verwijst, niet met een overheidsinstantie kan worden gelijkgesteld; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verwijst naar het inleidend verzoekschrift; Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, bepalen dat elke éénzijdige administratieve rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat de opgelegde motivering afdoende moet zijn; dat de in voormelde bepalingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringplicht tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat aan de motiveringsplicht is voldaan wanneer de weigering tot regularisatie duidelijk de redenen vermeldt waarop de beslissende overheid haar beslissing steunt en waaruit blijkt dat zij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan op goede gronden tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat verzoeker aanvoert meerdere verklaringen te hebben neergelegd van personen die de Belgische nationaliteit bezitten, en die beweren dat zij verzoeker reeds kennen sedert 1997; dat verzoeker, volgens deze verklaringen, nog steeds in België woont, hetgeen zou impliceren dat hij ook in de periode van 1 januari 1999 tot 1 oktober 1999 in België verbleef; dat verzoeker in het middel aanvoert dat hij niet inziet op welke wijze deze getuigenissen, die eensluidend zijn, vaag zijn; dat de bestreden beslissing geen eigen motivering bevat; dat de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn beslissing uitdrukkelijk stelt het advies van de Commissie voor regularisatie te volgen, waarvan hij de overwegingen onderschrijft en die hij als de zijne overneemt; dat de Commissie in haar advies stelt dat de door verzoeker voortgebrachte stukken en aanvullende stukken niet op afdoende en objectieve wijze het sluitend bewijs leveren van het daadwerkelijk verblijf van verzoeker in België in de periode 1 januari 1999 tot 1 oktober 1999, aangezien deze stukken bijzonder vaag zijn en elk officieel stuk, of een stuk dat uitsluitsel kan geven, ontbreekt; dat de formele motivering van het advies dermate algemeen en vaag is, dat ze niet kan worden beschouwd als een afdoende motivering van de bestuurshandelingen; dat de motivering zich aandient als een algemene formulering die voor talrijke gevallen kan gelden; dat uit deze algemene motivering niet blijkt waarom het advies ongunstig is; XIV-11.é-4/5 Overwegende dat het advies van de Commissie voor regularisatie niet afdoende is gemotiveerd; dat, aangezien de Minister van Binnenlandse Zaken de overwegingen ervan onderschrijft en als de zijne overneemt, ook de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd; Overwegende dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 juli 2002 waarbij de aanvraag tot regularisatie van XXX werd verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-11.é-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.880 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div