← België

Arrest 150881 - - 28/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.881 Rolnummer: A. 124714/XIV-11073 Zaak: Arrest 150881 - - 28/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 03:52 Fiche Arrest nr 150.881 van 28 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.881 van 28 oktober 2005 in de zaak A.124.714/XIV-11.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat S. BAERT, kantoor houdende te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Kerkwegel 1 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 31 augustus 1961 en van Nepalese nationaliteit, op 29 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 juni 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 augustus 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 27 juni 2002; Gelet op de beschikking van 2 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memorie van wederantwoord van de verzoekende partij, die geldt als toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 september 2005 om 14.00 uur; XIV-11.073-1/9 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. BAERT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 18 juli 2001 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
  4. Op 2 augustus 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 27 juni 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Buiten dit criterium steun ik mij op de volgende grond, voorzien in art. 52 van de Vreemdelingenwet: bedrieglijk. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart de Nepalese nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Hemja. Uw echtgenote en kinderen zouden zich nog in Nepal bevinden. U zou sympathisant zijn van de Mao Badi partij sinds 2054 (= 1997). Uw activiteiten zouden bestaan uit het voeren van propaganda, het bijhouden van materialen (bijvoorbeeld pamfletten en explosieven) en lijsten maken van sympathisanten en tegenstanders. Minimum één keer per maand zou u deelnemen aan zulke Mao Badi activiteiten. Op 24/12/2057 (=6/4/2001) zou u met vier anderen met pamfletten naar Gauri Shankar Secondary School gegaan zijn. Het zou de eerste maal zijn dat Mao Badi zich tot die school gericht hebben. Die dag was het algemene staking in Nepal. Drie van jullie zouden naar binnen gegaan zijn en u (met) (en) B. P. zouden buiten gebleven zijn. Er zou echter een politiecombi genaderd zijn en vijf politieagenten zouden u en Baburam aangehouden hebben. Uw vriend zou één week vastgehouden zijn. U daarentegen zou opgesloten zijn geweest tot 23/1/2058 (= 6/5/2001). Bij uw vrijlating zou er een foto van u genomen zijn en u zou een verklaring moeten ondertekend hebben, waarin u afstand deed van elke Mao Badi activiteit. Hierna zou u uw Mao Badi activiteiten gewoon verdergezet hebben. Op 9/3/2058 (= 23/6/2001) zouden de Mao Badi een gebouw van het Annapurna Protection XIV-11.073-2/9 Project laten ontploffen hebben. De volgende dag zou uw beste vriend, Basudev Dawadi, u komen zeggen zijn dat u beschuldigd werd (voor) (van) deze aanslag. Hij zou dit geweten hebben via zijn oom, die voorzitter van de wijk is. U zou direct vertrokken zijn naar uw zus in Lama Chau. Zij zou naar uw familie gegaan zijn en zij zouden haar verteld hebben dat de politie u was komen zoeken. Na twee dagen bij uw zus verbleven te hebben, zou u naar Delhi gevlucht zijn. U zou ongeveer twee weken bij een oom gelogeerd hebben, alvorens naar Parijs te vliegen. Vandaar zou u met de agent naar Brussel gereden zijn, waar u op 18/7/2001 aangekomen bent. Diezelfde dag heeft u hier asiel aangevraagd. U bent niet in het bezit van enig document. Er dient te worden opgemerkt dat u niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voldoende aanwijzingen voorhanden zijn om gewag te kunnen maken van een systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Geneefse Conventie. Met betrekking tot uw Mao Badi sympathieën kan gewezen worden op het feit dat u niet aannemelijk heeft gemaakt werkelijk sympathisant te zijn van de Mao Badi partij. Zo kan u wel antwoorden op enkele basisvragen m.b.t. de Mao Badi partij, maar geeft u een verkeerde indeling van de Mao Badi partij, de zgn.’vleugels’, die deel uitmaken van de elementaire kennis van een Mao Badi aanhanger (verhoorverslag CGVS, p.5). Ook verklaarde u dat het de eerste maal was dat de Gauri Shankar Secondary School werd geviseerd door Mao Badi. Uit informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt, blijkt echter dat Bijaya Dhakal – voorzitter van de Mao Badi studentenvereniging van Pokhara-8 - op 7/5/1999 tijdens een toespraak op deze school is aangehouden. Bovendien wist u niet wie Bijaya Dhakal was (Bron: Reuters, nepalnews.com, Li Onestro). Gelet op deze vaststellingen kan er geen geloof gehecht worden aan uw beweerde sympathie en activiteiten voor de Mao Badi. Met betrekking tot uw arrestatie zou u, na ondertekening van een verklaring waarin u beloofde al uw Mao Badi activiteiten te staken, zonder arrestatiebevel of proces vrijgelaten zijn. Bovendien was dit een eenmalig incident en bent u zonder enige problemen vrijgelaten. Deze feiten wijzen er dus niet op dat u in de zin van de Geneefse Conventie door de politie zou worden geviseerd. Met betrekking tot uw beschuldiging voor een aanslag, kan benadrukt worden dat de politie u hiervoor thuis gezocht zou hebben, maar u maakte geen gewag van een arrestatiebevel, noch heeft u bewijzen aangehaald dat u hiervoor werkelijk beschuldigd en / of aangehouden zou zijn. U bent te weten gekomen dat u werd gezocht via derden en bijgevolg bent u gevlucht op basis van een vermoeden. Bovendien is het bevreemdend dat u uw Mao Badi activiteiten na uw vrijlating voortzette, hoewel u een papier had ondertekend en vervolgens zou u bij een vermoeden onmiddellijk het land hebben verlaten en naar Europa vertrokken zijn. Wat er ook van zei, gezien uw profiel (Mao Badi sympathisant) en rekening houdend met het feit dat u enkel problemen met de lokale politie zou hebben gekend, heeft u niet aannemelijk gemaakt waarom u niet buiten uw regio van herkomst zou kunnen leven zonder risico op vervolging door de Nepalese overheid, temeer u geen enkel document voorlegde dat erop zou kunnen wijzen dat u nationaal zou geseind zijn. Zo maakte u geen gewag van een arrestatiebevel dat tegen u werd uitgevaardigd. Het feit dat u zelfs niet de moeite gedaan hebt om hieromtrent meer te weten te komen, doet afbreuk aan de ernst van uw asielrelaas. Uit bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat sympathisanten en ‘low-profile’ Mao Badi (of diegene die hiervan verdacht worden) geen vrees moeten hebben voor vervolging op nationaal niveau en ze zich in een ander district of in grote steden van Nepal kunnen vestigen (Missierapport Nepal, dd. maart 2002, Missie uitgevoerd door een vertegenwoordiger van CEDOCA, documentatie- en researchdienst van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen, pagina 27 + actualisatie Missie-rapport Nepal, nota CEDOCA, dd. 07/06/02). Ten slotte bent u niet in het bezit van enig reis- en /of identiteitsdocument, waardoor uw reisweg en/of identiteit niet kunnen worden gecontroleerd. (...)”.
  6. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
  7. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel, en van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onzorgvuldig heeft gehandeld door, bij het nemen van de XIV-11.073-3/9 bestreden beslissing, geen rekening te houden met de door verzoeker aangebrachte feiten en stukken; dat verzoeker stelt dat hij zich in een situatie bevindt waarin hem het recht werd ontnomen bescherming te zoeken bij de Belgische autoriteiten, hoewel de Belgische Staat door het ondertekenen van de Vluchtelingenconventie precies dit engagement is aangegaan; dat verzoeker aanvoert dat hij zich in een precaire situatie bevindt; dat verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal getuigt van achteloosheid, aangezien het dossier van verzoeker klaarblijkelijk snel en summier werd behandeld; dat de bewoordingen van de bestreden beslissing hierover geen twijfel laten bestaan; dat verzoeker uiteenzet dat uit het gehoorverslag blijkt dat de interviewer bijzonder goed op de hoogte is van Mao Badi studentenbeweging, waarbij halsstarrig wordt voorbijgegaan aan het feit dat verzoeker geen lid is van de studentenbeweging maar van de zakenvleugel; dat de naam Bijaya Dhakal in Nepal een verspreiding kent zoals de namen Janssens en Pieters bij ons; dat verzoeker actief was als basismilitant, terwijl hem wordt verweten niet op de hoogte te zijn van de verschillende vleugels van “wat uiteindelijk een ondergedoken politieke beweging is die in de clandestiniteit dient te werken”; dat verzoeker aanvoert dat de materialiteit van de bomaanslag op het Annapurna Protection Project niet wordt betwist door de Commissaris-generaal; dat verzoeker stelt dat niet in redelijkheid kan worden gesproken van een éénmalig incident, terwijl uit het relaas van verzoeker blijkt dat het gaat over ernstige opeenvolgende incidenten, met name een aanhouding gedurende een maand, gevolgd door de verdenking van deelname aan een bomaanslag; dat verzoeker uiteenzet dat de ernst van de aanslag, evenals de gevolgen ervan, ten onrechte worden afgedaan als onbestaande of minimaal, vermits niet in redelijkheid kan worden besloten dat een persoon die wordt verdacht van medeplichtigheid aan dergelijke feiten door de autoriteiten slechts als een “low-profile” Mao Badi wordt beschouwd en ongemoeid zou worden gelaten; dat verzoeker besluit dat er niet in redelijkheid kan worden besloten dat verzoeker geen redelijke vrees mag hebben voor vervolging, en dat niet in redelijkheid werd onderzocht in welke mate dat de ingeroepen gronden een weerslag hebben op de fundamentele mensenrechten, zodat de Commissaris-generaal een onevenwichtige en kennelijk onredelijke beslissing heeft genomen; 2.1.
  8. Overwegende dat verzoeker in zijn toelichtende memorie aanvoert dat, gelet op de bijkomende stukken die hij aanwendt ter ondersteuning van het eerste middel, afdoende blijkt dat het leven en de fysieke integriteit van verzoeker en zijn familie in gevaar zijn omwille van zijn politieke overtuigingen, hetgeen door een onafhankelijke bron, te weten de voorzitter van het Forum voor de Bescherming van de Mensenrechten in het District Kaski te Nepal, wordt bevestigd; 2.1.
  9. Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft XIV-11.073-4/9 gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van Vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien verzoeker niet tegelijkertijd de schending inroept van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat dit onderdeel van het eerste middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat voormeld artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.3 van huidig arrest, de Commissaris- generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten op grond van volgende overwegingen: - verzoeker maakt het niet aannemelijk dat er voldoende aanwijzingen voorhanden zijn om te kunnen spreken van een systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; met betrekking tot zijn sympathieën voor de Mao Badi partij, maakt verzoeker het niet aannemelijk werkelijk een sympathisant te zijn, vermits hij wel kan antwoorden op enkele basisvragen, maar tegelijkertijd een verkeerde indeling geeft van de partij, hoewel dit tot de elementaire kennis van een Mao Badi aanhanger behoort; - verzoeker verklaarde dat het de eerste maal was dat de Gauri Shankar Secondary School werd geviseerd door Mao Badi, hoewel Bijaya Dhakal – voorzitter van de Mao Badi studentenvereniging van Pokhara-8 - op 7 mei 1999 tijdens een toespraak op deze school werd aangehouden; verzoeker wist bovendien niet wie Bijaya Dhakal was; - wat de arrestatie betreft, zou verzoeker, na ondertekening van een verklaring waarin hij al zijn Mao Badi activiteiten beloofde te staken, zonder arrestatiebevel of proces zijn vrijgelaten; bovendien was dit een eenmalig incident en is verzoeker zonder enig probleem vrijgelaten; dit wijst er dus niet op dat verzoeker in de zin van de Vluchtelingenconventie door de politie zou worden geviseerd; - met betrekking tot zijn beschuldiging van een aanslag, maakte verzoeker geen gewag van een arrestatiebevel, noch heeft hij bewijzen aangehaald hiervoor werkelijk beschuldigd en / of aangehouden te zijn; XIV-11.073-5/9 - verzoeker vernam via derden dat hij werd gezocht en is bijgevolg gevlucht op basis van een vermoeden; bovendien is het vreemd dat verzoeker zijn Mao Badi-activiteiten na zijn vrijlating voortzette, hoewel hij een document had ondertekend, en vervolgens op basis van een vermoeden onmiddellijk het land verliet en naar Europa vluchtte; - verzoeker heeft het niet aannemelijk gemaakt waarom hij niet buiten zijn regio van herkomst zou kunnen leven zonder risico op vervolging door de Nepalese overheid, temeer omdat verzoeker geen enkel document voorlegde dat erop zou kunnen wijzen dat hij nationaal is geseind; verzoeker maakte geen gewag van een arrestatiebevel dat tegen hem werd uitgevaardigd; het feit dat verzoeker zelfs niet de moeite heeft gedaan om hieromtrent meer te weten te komen, doet afbreuk aan de ernst van zijn asielrelaas; dat uit bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat sympathisanten en ‘low-profile’ Mao Badi (of diegenen die hiervan verdacht worden) geen vrees moeten hebben voor vervolging op nationaal niveau en dat zij zich in een ander district of in grote steden van Nepal kunnen vestigen; - verzoeker is niet in het bezit van enig reis- en /of identiteitsdocument, waardoor zijn reisweg en/of identiteit niet kunnen worden gecontroleerd; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris- generaal voor de Vluchtelingen en de staatlozen wel degelijk de feiten uit verzoekers asielrelaas heeft onderzocht; dat, waar verzoeker beweert dat de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met de door hem aangebrachte stukken, blijkt dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk vermeldt dat verzoeker niet in het bezit was van enig document, zodat het middel van verzoeker op dit punt feitelijke grondslag mist; dat verzoeker niet kan worden gevolgd wanneer hij aanvoert dat zijn dossier snel, summier en derhalve achteloos werd behandeld; dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing duidelijk stelt dat verzoeker het op basis van voormelde overwegingen, niet aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk een sympathisant te zijn van de Mao Badi partij; dat verzoeker niet aantoont dat deze vaststellingen en overwegingen van de Commissaris-generaal onredelijk zijn; dat van een kandidaat-vluchteling die zijn asielrelaas baseert op zijn beweerde sympathie en activiteiten voor de Mao Badi, mag worden verwacht dat hij kan antwoorden op vragen omtrent essentiële gegevens betreffende de structuur en de leiders van de partij; dat verzoeker evenmin aantoont waarom hij niet zou kunnen leven buiten zijn regio, zonder risico op vervolging door de Nepalese overheid; dat tenslotte blijkt dat de stukken die door verzoeker werden aangebracht in zijn toelichtende memorie, en die de waarachtigheid van zijn relaas zouden moeten ondersteunen, dateren van na de bestreden beslissing en bijgevolg niet aan het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werden voorgelegd; dat de Commissaris-generaal geen rekening kon houden met deze stukken; dat het de Raad van State niet toekomt deze stukken opnieuw te beoordelen en zich op dit punt in de plaats te stellen van de beslissingnemende overheid; dat het zorgvuldigheidsbeginsel aan de Commissaris-generaal de verplichting oplegt zijn beslissingen zorgvuldig voor te XIV-11.073-6/9 bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker uitgebreid werd gehoord bij de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, in aanwezigheid van een tolk; dat niet kan worden aangenomen dat de Commissaris-generaal het zorgvuldigheids- beginsel heeft geschonden; Overwegende dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is; 2.2.
  10. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 1, A,

(2)en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de artikelen 1, A,
(2)en 33 van de Vluchtelingenconven- tie schendt, aangezien hij geen grondig onderzoek heeft ingesteld naar de vrees van verzoeker voor vervolging bij een terugkeer naar het land van herkomst, en zonder grondig onderzoek heeft besloten dat er in geval van verwijdering van verzoeker geen risico bestaat voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker stelt dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing impliciet maar duidelijk valt op te maken dat het vaststaat, of ten minste aannemelijk is, dat leden van de Maoïstische beweging in Nepal worden vervolgd; dat verzoeker betoogt dat de Commissaris-generaal zich beperkt tot de eenvoudige negatie van de door verzoeker aangehaalde feitelijkheden, en aldus de Vluchtelingenconventie schendt en een kennelijk onredelijke beslissing neemt; 2.2.2. Overwegende dat verzoeker in zijn toelichtende memorie de overwegin- gen van het initieel verzoekschrift herhaalt; 2.2.3. Overwegende dat met betrekking tot de schending van de artikelen 1, A,
(2)en 33 van de Vluchtelingenconventie, kan worden verwezen naar de analyse van het eerste middel, onder punt 2.1.3.; dat waar verzoeker de Commissaris-generaal ten grieve duidt geen grondig onderzoek te hebben gevoerd en stelt dat de Commissaris-generaal heeft nagelaten diens vrees voor vervolging aan de Vluchtelingenconventie te toetsen, eveneens kan worden verwezen naar de analyse van het eerste middel, waaruit is gebleken dat de Commissaris-generaal het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is; 3.
  1. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de redelijke termijn; XIV-11.073-7/9 Overwegende dat verzoeker aanvoert dat “het Bestuur voor het nemen van haar beslissing een kennelijk onredelijke termijn heeft gehanteerd.”; dat verzoeker stelt dat het dringend beroep van verzoeker van 6 augustus 2001 uiteindelijk bijna meer dan een jaar later werd afgedaan met een beslissing van 27 juni 2002; dat verzoeker betoogt dat “het bestuur aldus de redelijke termijn voor het nemen van haar beslissing heeft laten voorbijgaan.”; Overwegende dat verzoeker in zijn toelichtende memorie de overwegin- gen van het initieel verzoekschrift herhaalt; 3.
  2. Overwegende dat het beoordelen van de termijn waarbinnen een beslissing werd genomen, in concreto moet gebeuren aan de hand van de specifieke omstandigheden van de zaak; dat bij de beoordeling van de redelijke termijn rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid van het bestuur om over alle feitelijke gegevens, inlichtingen en adviezen te beschikken die het moet mogelijk maken met kennis van zaken te beslissen; dat zowel de concrete gegevens van de zaak als de houding van de partijen worden betrokken in deze beoordeling; dat, los van de vaststelling dat verzoeker de Commissaris-generaal in het eerste middel ten grieve duidt zijn dossier snel en summier te hebben behandeld, terwijl hij in het derde middel een schending van het beginsel van de redelijke termijn aanvoert, dient te worden aangenomen dat, gelet op het groot aantal asielaanvragen en op de verplichting om iedere aanvraag afzonderlijk te onderzoeken, er geen onredelijke termijn is verlopen, vooraleer de bestreden beslissing werd genomen; Overwegende dat het derde middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. XIV-11.073-8/9 Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-11.073-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.881 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.