id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.892 Rolnummer: A. 151866/XIV-19611 Zaak: Arrest 150892 - - 28/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-16 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 03:52 Fiche Arrest nr 150.892 van 28 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.892 van 28 oktober 2005 in de zaak A. 151.866/XIV-19.
- In zake :
- XXX
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat B. VANTIEGHEM, kantoor houdende te 9000 GENT, Hulstboomstraat 30 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Slowaakse nationaliteit, op 17 mei 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 april 2004 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 maart 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 28 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 8 juli 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 5 oktober 2005; XIV-19.611-1/10 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANTIEGHEM, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 28 januari 2004 en zich vluchteling verklaren op 16 februari 2004; dat op 9 maart 2004 de minister van Binnenlandse Zaken telkens beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 14 april 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de bestreden beslissingen zijn, die als volgt zijn gemotiveerd: - inzake de eerste verzoekende partij: “A. Vluchtrelaas U werd op 5 april 2004 gehoord op het commissariaat-generaal in aanwezigheid van uw raadsvrouw Mr. Janssens. U, een Slovaaks staatsburger van Roma-afkomst verliet uw land van herkomst omwille van onderstaande redenen. Op 2 april 2001 vroeg u in België een eerste maal de status van vluchteling aan. Op 4 april 2001 ontving u van de Dienst Vreemdelingenzaken een beslissing van weigering van verblijf, welke op 26 april 2001 door het Commissariaat-generaal werd bevestigd. U keerde vervolgens met uw gezin terug naar Slovakije. Na jullie terugkeer uit België kregen u noch uw echtgenote nog een sociale uitkering. Jullie kregen enkel nog kindergeld voor jullie drie kinderen. U en uw gezin gingen bij uw moeder in Presov wonen. Na een maand verhuisde u met uw gezin naar een woning in het dorpje Petrovane. U kocht die woning in 2001 en bent eigenaar van die woning. U en uw gezin waren de enige Roma-familie in de buurt. Uw kinderen die naar de lokale lagere school gingen werden door de leerlingen en de leraars gepest en geslagen omwille van hun Roma-origine. U verwittigde daarvoor de politie maar die verwees u door naar de schooldirectie. Buurtbewoners uit de andere kant van het dorp wilden dat jullie de woning en het dorp verlieten en kwamen regelmatig naar jullie woning. Ze gooiden jullie ramen stuk en dreigden ermee de woning in brand te steken. Een viertal keren riepen jullie de politie, maar die ondernam niets toen ze merkte dat jullie van Roma-afkomst waren. Toen u zich tot de burgemeester van Petrovane wendde zei die dat jullie maar moesten vertrekken uit Petrovane. Als gevolg van de aanvallen van de buren dienden u en uw gezin een vier- á vijftal keren uit veiligheidsoverwegingen naar een nabijgelegen bos te vluchten om daar te overnachten. U werd omwille van uw afkomst twee keren geslagen door de buren. Een eerste keer vlak voor 25 december 2003, een tweede maal ongeveer een week nadien. Vlak voor jullie vertrek naar België kwamen buurtbewoners 's avonds naar jullie woning en gooiden stenen. Met uw gezin onvluchtte u de woning en gingen naar het bos. Die nacht liet u uw gezin in het bos en ging u alleen terug naar jullie woning om documenten (paspoorten van u en uw echtgenote, huwelijksakte en de geboorteakte van jullie jongste kind) op te halen. Vervolgens gingen u en uw gezin naar uw moeder in Presov. De dag nadien namen jullie om 21 00h vanuit Presov de bus naar België. Op 16 febuari 2004 vroeg u in België voor de tweede maal de status van vluchteling aan. Uw oud,ers (O.V. 5.é.898) verblijven thans ook in België. B. Motivering Er wordt opgemerkt dat uw verklaringen afwijken van de verklaringen van uw echtgenote. XIV-19.611-2/10 Zo stemmen jullie verklaringen in verband met de woning op het adres Petrovane no 25 niet overeen. U verklaart op het Commissariaat-generaal dat u en uw echtgenote deze woning kochten in 2000 of 2001 en dat u en uw echtgenote dat betaalden (verhoorverslag eg 5/4/4, p.2, 4, 5). U verklaart dat deze woning op uw naam staat (verhoorverslag eg 5/4/4, p 4). U verklaart op het Commissariaat-generaal dat u dit huis rechtstreeks kocht van een Roma met de naam Sarvovksy (verhoorverslag eg 5/4/4, p. 2, 4). U verklaart dat er afgezien van u, uw echtgenote en uw kinderen niemand anders in die woning heeft gewoond (verhoorverslag eg 5/4/4, p 4). U voegt daar wel aan toe dat uw ouders daar een paar maanden hebben ingewoond toen ze moesten wachten op een ander appartement (verhoorverslag eg 5/4/4, p. 16). Uw echtgenote verklaart in verband met de woning op het adres Petrovane n`25 dat zij die heeft geërfd na de dood van haar moeder (verhoorversiag eg 5/4/4, p.2). Uw echtgenote verklaart dat ze in die woning als kind met haar vader is opgegroeid en dat haar vader, voor de geboorte van jullie jongste kind (13/03/2003), introk bij haar zus (verhoorverslag eg 5/4/4, p.3). Uw echtgenote verklaart dat de woning op naam van haar vader (Duna, Jozef) staat (verhoorverslag eg 5/4/4, p.3). Uw echtgenote verklaart dat jullie voor deze woning niets moesten betalen, afgezien dan van gasen eiektriciteitsrekeningen (verhoorverslag eg 5/4/4, p.3). Gelet op het belang van deze tegenstrijdigheden (zie verhoorverslag dvz 23/2/4 p.14 & verhoorverslag eg 5/4/4, pA, 6, 7 : u stelde dat toen jullie als enige Roma-familie tussen de blanken te Petrovane in huis nr 25 gingen wonen, u en uw gezin problemen kregen met blanke buurtbewoners die wilden dat jullie de woning en het dorp zouden verlaten), wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas reeds op ernstige wijze ondermijnd. Eveneens stemmen jullie verklaringen in verband met de problemen met de buren niet overeen. Zo verklaart u dat u en uw gezin in totaal vier á vijf maal naar een bos moesten vluchten omwille van de problemen met jullie buren (verhoorverslag eg 5/4/4, p.7, 8). Uw echtgenote verklaart daarentegen dat jullie sinds de zwangerschap van jullie jongste kind (geboren op 13/03/2003) drie á vier maai per week naar een bos dienden te vluchten omwille van de problemen met de buren (verhoorverslag eg 5/4/4, p 4). En wat betreft de avond voor jullie vlucht naar België verklaart u op het Commissariaat- generaal dat u en uw gezin na een aanval van de buren het bos invluchtten, dat u die nacht uw gezin in het bos liet terwijl u alleen terug naar jullie woning ging om ondermeer jullie paspoorten op te halen, dat jullie vervolgens naar uw moeder in Presov gingen, en de dag erop tegen de avond met de bus naar België vertrokken (verhoorverslag eg 5/4/4, p.9-1 l). Uw echtgenote verklaart op het Commissariaat-generaal dat zij, en de kinderen, die nacht mee met u naar jullie woning gingen om jullie paspoorten op te halen, en ontkent dat jullie alvorens naar België te vertrekken nog naar haar schoonmoeder gingen (verhoorverslag cg 5/4/4, p. 4, 5). Bovenstaande vaststellingen laten niet toe verder geloof aan uw verklaringen te hechten. Omwille van de bedrieglijkheid van uw verklaringen kan in hoofde van u geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden weerhouden. Derhalve wordt afgesloten met een bevestiging van de weigering van verblijf. Aangaande de door u neergelegde documenten: uw paspoort, uw geboorteakte en huwelijksakte staven respectievelijk uw identiteit en huwelijk, waaraan niet werd getwijfeld. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat in het kader van de asielaanvraag van uw ouders Balog Juraj en Balagova Irena (O.V. 5.é.898) door het commissariaat-generaal een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren.”; - inzake de tweede verzoekende partij: “A. Vluchtrelaas U werd op 5 april 2004 gehoord op het commissariaat-generaal in aanwezigheid van uw raadsvrouw Mr. Janssens. U, een Slovaaks staatsburger van Roma-afkomst verliet uw land van herkomst omwille van onderstaande redenen. Op 2 april 2001 vroeg u in België een eerste maal de status van vluchteling aan. Op 4 april 2001 ontving u van de Dienst Vreemdelingenzaken een beslissing van weigering van verblijf, welke op 26 april 2001 door het Commissariaat-generaal werd XIV-19.611-3/10 bevestigd. U keerde vervolgens met uw gezin terug naar Slovakije. Na jullie terugkeer uit België kregen u noch uw echtgenote nog een sociale uitkering. Jullie kregen enkel nog kindergeld voor jullie drie kinderen. U en uw gezin gingen dadelijk na jullie terugkeer uit België wonen in Pertrovane, in het huis (nr 25) waar jullie al voor jullie eerste vertrek naar België hadden gewoond. U bent in die woning opgegroeid in de buurt waar jullie woonden waren jullie de enige Roma-familie. Uw kinderen die naar de lokale lagere school gingen werden daar regelmatig uitgescholden en geslagen omwille van hun Roma-origine. Buurtbewoners uit de andere kant van het dorp wilden dat jullie de woning en het dorp verlieten en kwamen regelmatig naar jullie woning. Ze gooiden jullie ramen stuk en dreigden ermee de woning in brand te steken. Tweemaal, in 2004, werd uw echtgenoot door hen geslagen. De eerste keer ging uw echtgenoot naar de dorpsarts voor de verzorging van de slagen. Een viertal keren riepen jullie de politie, waaronder tweemaal toen uw echtgenoot was geslagen, maar die ondernam niets toen ze merkte dat jullie van Roma-afkomst waren. Toen u zich tot de burgemeester van Petrovane wendde wilde ook die jullie niet helpen. Tengevolge van de vele aanvallen van de buurtbewoners dienden u en uw gezin vaak te vluchten naar een nabijgelegen bos, waar jullie dan soms gedurende enkele dagen schuilden. Sinds uw zwangerschap van uw jongste kind dienden u en uw gezin gemiddeld drie á vier maal per week naar het bos te vluchten tengevolge van aanvallen van de buren. Zo ook zaten u en uw gezin de avond voor jullie vertrek naar België in een bos. 's Nachts rond 04.00h keerden u en uw gezin terug naar jullie woning om ondermeer jullie paspoorten te gaan ophalen. Meteen na het ophalen van jullie paspoorten gingen jullie naar het busstation in Presov en namen de bus naar België. Op 16 febuari 2004 vroeg u in België voor een tweede maal de status van vluchteling aan. B. Motivering Uit uw verklaringen blijkt dat u zich baseert op dezelfde feiten als die aangehaald door uw echtgenoot XXX) tijdens zijn asielaanvraag. Uit een vergelijking van de diverse verklaringen van u en uw man blijkt dat door een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van uw en zijn asielrelaas in het gedrang komt. Voor een uitgebreide opsomming van de tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van u en uw echtgenoot wordt verwezen naar de beslissing van uw echtgenoot. Omwille van de bedrieglijkheid van uw verklaringen kan in hoofde van u geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden weerhouden. Derhalve wordt afgesloten met een bevestiging van de weigering van verblijf. Aangaande de door u neergelegde documenten: uw paspoort, uw geboorteakte, de geboorteaktes van uw kinderen Petra, Lukas en Anna-Maria en uw huwelijksakte staven jullie respectievelijke identiteiten en uw huwelijk, waaraan niet werd getwijfeld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidigé omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grenst van het land dat u ontvlucht ben waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur opwerpen; dat zij in een eerste onderdeel aanvoeren dat het interview op het commissariaat-generaal niet sereen is verlopen, dat de interviewer al op voorhand aangaf dat geen geloof zou worden gehecht aan hun verhaal, dat bepaalde zaken door toedoen van de tolk worden verdraaid, dat de druk van de interviewer vooral op de dienst Vreemdelingenzaken groot is, dat de verzoekende partijen zoals veel Roma’s wantrouwig staan tegenover administratieve beslissingen, dat het nauwkeurig navertellen van de ondergane gebeurtenissen daarom problematisch is, dat sommige details worden uitvergroot terwijl andere aspecten zoals de onwil van politie om hulp te bieden, over het hoofd worden gezien, dat het derhalve een fout en een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uitmaakt om a priori te stellen dat het relaas van de verzoekende partijen tegenstrijdigheden XIV-19.611-4/10 bevat, dat volgens de bestreden beslissing geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging, dat de kern van het verhaal nochtans duidelijk is, namelijk problemen met de maffiosi omwille van de afkomst van de verzoekende partijen en de weigering van de politie om hulp te bieden en dat rekening had moeten worden gehouden met de impact van de traumatiserende gebeurtenissen op de verzoekende partijen; dat de verzoekende partijen in een tweede onderdeel aanvoeren dat de “Guidelindes relating to the eligibility of Slovak ROMA Asylum Seekers” van het UNHCR van 10 februari 1998 het bestaan van racistische aanvallen op Roma’s en een gebrek aan bescherming door de politie bevestigen, dat Amnesty International in een recent rapport de lakse houding van de Tsjechische en Slowaakse overheden in de bestrijding van de talrijke racistische aanvallen laakt, dat Slovakijke in een document voor de rondetafelconferentie van de Visegradlanden op het einde van 1999 flirtte met vooroordelen tegenover de Roma’s, dat door die houding een systematische sociale uitsluiting van de Roma’s tot stand komt en dat dus ten onrechte wordt gesteld dat er geen gevaar zou zijn voor hun leven, fysieke integriteit of vrijheid, vermits internationale rapporten de slechte en discriminatoire behandeling in het licht stellen; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Eerste middel: schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het eerste onderdeel verzetten verzoekers zich met klem tegen de neerslag van het interview bij het Commissariaat-generaal. Verzoekers stellen dat de interviewer van het Commissariaat-generaal helemaal geen tijd had en dat hij al op voorhand kenbaar maakte dat hij geen geloof hechtte aan het verhaal van eerste verzoeker. Bovendien stellen verzoekers dat de in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden te wijten zijn aan hun wantrouwen tegenover de autoriteiten en aan de traumatische ervaringen. Verweerder antwoordt dat de bewijslast bij de kandidaat-vluchteling ligt en niet bij de Commissaris-generaal. Het gehoorverslag is een onderdeel van het administratief dossier en wordt gelezen rekening houdende met alle andere elementen van het administratief dossier. Het is totstandgekomen door een ambtenaar die onderworpen is aan het statuut van de ambtenaar. Conform artikel 10 van het Koninklijk Besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel is een rijksambtenaar verplicht de van kracht zijnde wetten en regelingen alsmede de richtlijnen van de overheid waartoe zij behoren, na te leven. In voormeld Koninklijk Besluit wordt trouwens vermeld dat zij de verplichting hebben 'nauwgezet en correct hun adviezen te formuleren en hun verslagen op te stellen'. De ambtenaren van het Commissariaat-generaal komen bovendien een handvest na dat de binnen het Commissariaat- generaal geldende waarden en houdingen bevat. Elke medewerker van het Commissariaat- generaal heeft zich akkoord verklaard deze waarden en houdingen waarvan respect, onpartijdigheid en integriteit op de eerste plaats komen, in de concrete uitoefening van zijn werkzaamheden na te streven. De Commissaris-generaal heeft bovendien als opdracht bescherming te verlenen aan vreemdelingen die internationale bescherming nodig hebben en deze te weigeren aan vreemdelingen die deze niet nodig hebben. Het is in het belang van de Commissaris-generaal dat hij de feiten aan de basis van een asielaanvraag kent én dat deze in geval van gehoor correct worden neergeschreven. De ambtenaren hebben er evenmin een persoonlijk belang bij dat de verklaringen van de asielzoeker onjuist worden weergegeven. Omdat het gehoorverslag is opgesteld door een medewerker van een onafhankelijke administratie die behept is met het overheidsgezag en wiens belang erin bestaat correct de verklaringen van de asielzoeker te kennen is het bekleed met een vorm van openbaar gezag. Tot bewijs van het tegendeel geniet het een vermoeden van wettelijkheid en overeenstemming met de werkelijkheid. Aangezien het niet ondertekend wordt, kan het niet als een authentieke akte of een proces-verbaal in de eigenlijke zin van het woord worden beschouwd; wat betekent dat de asielzoeker kan bewijzen, aan de hand van concrete elementen, dat wat werd neergeschreven, op een andere manier door hem werd gezegd. Het louter ontkennen hiervan XIV-19.611-5/10 volstaat niet (R.v.St., nr. 108.470 van 26 juni 2001). Verweerder meent dat verzoeker hiervan geenszins het bewijs levert. Verweerder benadrukt dat verzoekers bewering aangaande het gedrag en de houding van de interviewer van het Commissariaat-generaal geen steun vindt in het administratief dossier en niet wordt gestaafd met concrete gegevens. In tegendeel blijkt uit het gehoorverslag van het Commissariaat-generaal van eerste verzoeker dat hij een twintig bladzijden tellende uitzetting heeft kunnen geven van zijn asielrelaas en dat het gehoor twee uur en half in beslag heeft genomen (zie gehoorverslag CGVS p. 20). Dat niet op zorgvuldige wijze zou zijn te werk gegaan, kan bijgevolg niet worden weerhouden. Aangaande verzoekers beweerde wantrouwen tegenover de autoriteiten, antwoordt verweerder dat deze uitleg niet strookt met het feit dat de asielaanvraag op zich al een verzoek tot en een uiting van vertrouwen is in de bescherming die de Belgische autoriteiten verzoekers bieden. Verweerder benadrukt dat, zolang de kandidaatvluchteling zich nog in de ontvankelijkheidsfase van het onderzoek bevindt, het aan hem/haar is om de nodige feiten en elementen aan te brengen aan de Commissaris-generaal zodat deze kan beslissen over de ontvankelijkheid van de aanvraag. ‘De asielzoeker is en blijft echter gehouden om dit aannemelijk, dit wil zeggen samenhangend, niet tegenstrijdig en waarschijnlijk verhaal te vertellen’ (Dirk Van Heule, Vluchtelingen, een overzicht, 1998, nr. 348). De stelling als zouden bepaalde feiten vervaagd zijn gelet op de traumatische ervaring doet niets af aan de zwaarwichtigheid van de vastgestelde tegenstrijdigheden. Bovendien is het zo dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat bepalende ervaringen in iemands leven zelfs al zijn deze traumatisch van aard - dermate in het geheugen gegrift staan dat deze persoon daar achteraf een coherente beschrijving van kan geven. In het tweede onderdeel van het eerste middel werpen verzoekers op dat de Commissaris- generaal in de bestreden beslissingen nalaat om rekening te houden met de problematische toestand van de Roma in Slovakije. Verweerder antwoordt dat de geloofwaardigheid van verzoekers relaas ernstig wordt ondermijnd, daar er verschillende flagrante tegenstrijdigheden werden vastgesteld tussen de verklaringen van eerste verzoeker en tweede verzoekster aangaande feiten die direct aanleiding hebben gegeven tot hun vertrek uit hun land van herkomst (geheel andere verklaringen over hun woning in Petrovane en over hun problemen met de buren, zie bestreden beslissingen). Verweerder benadrukt dat de bestreden beslissingen duidelijk zijn en dat het de taak van verzoekers is om in deze fase van de procedure een geloofwaardig en coherent verhaal te vertellen. De Commissaris-generaal heeft bijgevolg op grond van de in de bestreden beslissing opgesomde tegenstrijdigheden terecht besloten dat verzoekers beweerde problemen ongeloofwaardig zijn. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord verwijzen naar het verzoekschrift; 2.1.
- Overwegende, met betrekking tot het eerste onderdeel, dat de verzoekende partijen zich beperken tot algemene beweringen over vooroordelen en “druk” van de interviewers en het verdraaien van bepaalde zaken “door toedoen van de tolk”, zonder op enig concreet weigeringsmotief in te gaan of enig concreet punt in hun verklaringen aan te geven waar druk of een slechte vertaling zouden hebben plaatsgevonden; dat van een asielaanvrager mag worden verwacht dat hij de aanleiding tot een zo ingrijpende handeling als de vlucht uit het land van herkomst op coherente wijze kan uiteenzetten en dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het post factum verwijzen naar “traumatiserende gebeurtenissen”, andermaal zonder op enig concreet motief van de bestreden beslissingen in te gaan; dat de verzoekende partijen aldus niet aannemelijk maken dat de bestreden beslissingen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen; dat het middel in zijn eerste onderdeel ongegrond is; Overwegende, met betrekking tot het tweede onderdeel, dat de verzoekende partijen zich beperken tot het citeren van meerdere internationale rapporten XIV-19.611-6/10 en Slowaakse standpunten; dat deze teksten betrekking zouden hebben op de algemene toestand doch niet in verband worden gebracht met de concrete situatie van de verzoekende partijen; dat de verzoekende partijen met de door hen bijgebrachte teksten in het bijzonder niet de concrete motieven op grond waarvan hun asielaanvraag wordt afgewezen, weerleggen; dat de verzoekende partijen aldus niet aannemelijk maken dat de bestreden beslissing op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen; dat het middel in zijn tweede onderdeel eveneens ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending van artikel 1, A, 2) van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) opwerpen; dat zij aanvoeren dat zij worden gepest omwille van hun ras en lidmaatschap van de Roma- groep, dat uit het tweede onderdeel van het eerste middel blijkt dat zij geen degelijke bescherming door de nationale overheid kunnen krijgen en dat derhalve artikel 1, A, 2) van de Vluchtelingenconventie wordt geschonden; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “schending van artikel 1 A
(2)van de Conventie van Genève. Wat betreft de opgeworpen schending van artikel 1 A
(2)van de Vluchtelingenconventie, antwoordt verweerder dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft. Meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure m.b.t. het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt van artikel 52 van de Vreemdelingenwet. De Raad van State heeft in verband hiermee vastgesteld dat een rechtstreekse schending van artikel 1 van de Conventie van Genève niet nuttig kan worden ingeroepen wanneer niet tegelijkertijd de schending van artikel 52 werd ingeroepen en vastgesteld door de Raad (R.v.St., nr. 80.749 van 8 juni 1999). Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord verwijzen naar het verzoekschrift; 2.2.
- Overwegende dat dient te worden herhaald dat de voormelde verdragsbepaling op zichzelf niet volstaat om toepasbaar te zijn zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is; dat die bepaling geen duidelijke en juridisch volledige tekst is die de verdragspartijen of een onthoudingsplicht of een plicht om op een welbepaalde wijze te handelen, oplegt en dat er derhalve een directe werking aan moet worden ontzegd zodat de verzoekende partij de rechtstreekse schending ervan niet dienstig kan inroepen; dat het tweede middel om die reden niet-ontvankelijk is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de XIV-19.611-7/10 bestuurshandelingen opwerpen; dat zij aanvoeren dat de commissaris-generaal de feiten op een zorgvuldige wijze moet vergaren, dat de feiten volledig moeten zijn en juist moeten worden beoordeeld, dat de argumenten juist en volledig moeten zijn en juist moeten worden beoordeeld, dat de juridische en feitelijke motivering afdoende moet zijn, dat alle argumenten van de commissaris-generaal zijn te herleiden tot het feit dat de verzoekende partijen geen klacht bij de politie hebben ingediend, dat uit het eerste middel blijkt dat de commissaris-generaal niet van correcte premissen is uitgegaan, dat de bestreden beslissingen daarom onwettig zijn, dat de bestreden beslissingen ook een inbreuk op het evenredigheidsprincipe vormen en dat het gezien het eerste middel en de daarin aangegeven persberichten onredelijk is vast te stellen dat de verzoekende partijen geen gegronde vrees zouden hebben; 2.3.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Gebrek aan motivering, schending van de Uitdrukkelijke Motiveringswet. Ver-zoekers voeren aan dat de Commissaris-generaal onterecht besluit dat zij geen gegronde vrees voor vervolging hebben omdat zij nagelaten hebben klacht in te dienen bij de politie. Verweerder ziet niet goed in wat verzoekers met deze loze bewering willen aantonen, daar verzoekers asielaanvragen niet kennelijk ongegrond werden bevonden, maar wel bedrieglijk omwille van flagrante tegenstrijdigheden tussen verzoekers verklaringen (artikel 52, § 1, 20 a van de Vreemdelingenwet, waarnaar artikel 52, § 2, 2' van de Vreemdelingenwet verwijst). Verweerder slaagt er niet in deze tegenstrijdigheden te weerleggen en deze blijven aldus gehandhaafd. De bestreden beslissing wordt gedragen door in feite en in rechte aanvaardbare motieven en is afdoende gemotiveerd. Een schending van de motiveringsplicht kan niet worden vastgesteld. Het derde middel is niet gegrond.”; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord verwijzen naar het verzoekschrift; 2.3.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat deze tot doel heeft dat de bestuurde in de hem aanbelangende beslissing de gronden kan terugvinden waarop die beslissing is gesteund om aldus met kennis van zaken te kunnen nagaan of het zinvol is gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarover de bestuurde in rechte beschikt; dat het daartoe niet is vereist dat op ieder afzonderlijk argument van de bestuurde wordt ingegaan; dat de motieven op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen en er nader in zijn ontwikkeld, te weten bepaalde afwijkingen tussen de verklaringen van de verzoekende partijen, die niet toelaten verder geloof aan hun verklaringen te hechten; dat aldus aan de voornaamste doelstelling XIV-19.611-8/10 van de formele motiveringsplicht is voldaan; dat het derde middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partijen op algemene wijze de inhoud van de bestreden beslissingen aanvechten en aldus de schending van de materiële motiveringsplicht inroepen; dat naar de bespreking van het tweede onderdeel van het eerste middel kan worden verwezen; dat de verzoekende partijen met dergelijke algemene stelling, zonder op enig concreet weigeringsmotief in te gaan, niet aannemelijk maken dat de bestreden beslissingen op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze zijn genomen; dat het derde middel ook in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-19.611-9/10 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-19.611-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.892 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div