← België

Arrest 150893 - - 28/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.893 Rolnummer: A. 108197/XIV-5846 Zaak: Arrest 150893 - - 28/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-14 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 03:52 Fiche Arrest nr 150.893 van 28 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.893 van 28 oktober 2005 in de zaak A. 108.197/XIV-

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat L. ESTERCAM, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Louizastraat 39 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 27 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 juli 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het arrest nr. 117.655 van 28 maart 2003 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 6 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; XIV-5846-1/6 Gelet op de beschikking van 8 juli 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 5 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. ESTERCAM, die verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 28 februari 1999 en zich vluchteling verklaart op 1 maart 1999; dat op 6 juli 1999 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 29 juni 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Betrokkene werd verhoord op 5 januari 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Armeense taal machtig is. Betrokkene, een Armeens staatsburger van Armeense origine, zou zijn land verlaten hebben in 1988 ten gevolge van de problemen die er ontstonden voor Azeri's in Armenië. Betrokkenes vader zou omwille van zijn Azerische origine werd geslagen en meegenomen. Betrokkene zou sindsdien geen contact meer hebben gehad met zijn vader. Betrokkene en zijn moeder zouden daarom in 1988 het land verlaten hebben en richting Sotsi zijn getrokken om later naar Lugansk af te zakken, alwaar ze verbleven bij een vriendin van betrokkenes moeder, Sueta genaamd. Vanaf 1994 of 1995 zouden betrokkene en zijn moeder naar Kiev zijn verhuisd, waar betrokkene werk zou hebben gevonden, hoewel hij weliswaar geen officiële propiska had. Betrokkene zou ten gevolge hiervan regelmatig opgepakt zijn door de politie. Betrokkene zou éénmaal zelfs voor een periode van één maand vastgehouden zijn. Betrokkene zou ten gevolge van de discriminatoire toestand aldaar dan besloten hebben te vluchten. Hierin zou hij slechts in 1999 geslaagd zijn. Betrokkene zou tesamen met zijn moeder eind februari 1999 richting België vertrokken zijn, alwaar hij op 28 februari 1999 binnenkwamen. Betrokkene startte zijn asielprocedure op 1 maart
  5. Betrokkene zou eveneens reeds vanaf jonge leeftijd psychische problemen hebben gekend. Betrokkene is niet in het bezit van enig (identiteits-) document. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat betrokkenes verklaringen voor het Commissariaatgeneraal tegenstrijdigheden vertonen met de verklaringen van zijn moeder afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal. Zo verklaarde betrokkene (CGVS p. 4-5) met betrekking hun verblijf in Lugansk dat ze daar tot 1994 à 1995, ‘ongeveer zeven jaar’ (alhoewel betrokkene aanvankelijk had verklaard (zie CGVS p. 2) er ‘ongeveer drie jaar’ te hebben verbleven), inwoonden bij Sveta waarna hij omwille van een werkaanbieding naar Kiev trok. Betrokkenes moeder stelde echter (CGVS p. 1 en 4; DVZ pt. 42) dat ze ongeveer eind 1992, omwille van het feit dat Sveta met haar gezin verhuisde, Lugansk hebben verlaten en naar Kiev zijn gegaan. Ook stelde betrokkenes moeder (CGVS p. 1 en 3) dat zij en haar zoon toen ze in Oekraïne verbleven er voor beperkte periodes (tijdelijke propiska's) werden ingeschreven. Betrokkene daarentegen verklaarde (CGVS p. 2) dat hij in Oekraïne geen officiële registratie kon bekomen XIV-5846-2/6 omdat hij geen paspoort had en dat zijn moeder er niet was geregistreerd omdat "zij toch niet buiten ging en vrouwen toch niet werden gecontroleerd". Deze vaststellingen ondermijnen op zwaarwichtige wijze de geloofwaardigheid van betrokkenes verklaringen omtrent zijn verblijf in Oekraïne. Verder blijt uit betrokkenes verklaringen (zie verzoekschrift tot dringend beroep, vragenlijst pt. 24, CGVS p. 2-3) dat hij thans meent, omwille van etnische redenen, niet naar Armenië te kunnen terugkeren. Er dient echter te worden opgemerkt dat uit informatie beschikbaar op het Commissariaat-generaal blijkt dat sedert enkele jaren gemengde koppels in Armenië (en aldus ook hun kinderen) niet langer het slachtoffer zijn van geweld of vervolging (bronnen: Couples mixtes en Arménie, cellule documentation CGRA, dd. 27 octobre 1999; actualisation, avril 2001). Aldus lijkt de actuele toestand in Armenië zo dat betrokkene en zijn moeder bij hun terugkeer naar Armenië er geen risico lopen vervolgd te worden omwille van etnische redenen. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat betrokkene eveneens verklaarde (CGVS p. 3) omwille van psychische redenen zijn land te zijn ontvlucht. Dit gegeven valt echter niet onder de criteria voorzien in de Conventie van Genève. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 6 juli
  6. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren."; 2.
  7. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord bij wijze van exceptie stelt dat het verzoekschrift niet-ontvankelijk is omwille van het gebrek aan een uiteenzetting van feiten en middelen; 2.
  8. Overwegende dat uit de bespreking ten gronde hierna blijkt dat het verzoekschrift wel degelijk een middel bevat; dat de exceptie wordt verworpen; 3.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van artikel 1, A,

(2)van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij dit als volgt toelicht: “Vooreerst dient duidelijk gesteld te worden dat de asielaanvraag van verzoeker samenhangt met deze van zijn moeder, Mevrouw D. L. bij het commissariaat-generaal onder re£. Ook dient duidelijk gesteld dat de asielaanvraag onomstotelijk voortvloeit uit overwegingen van nationalistische en ethnische oorsprong. Zijn vader was van Azerbaïdjaanse oorsprong, en bijgevolg verzoeker ook langs vaderszijde. Het commissariaat-generaal heeft dus duidelijk zijn appreciatiebevoegdheid overschreden, door de ware feiten niet te achterhalen, en zich te begeven aan haarklieverij, nl. van tegenstrijdigheden te spreken. Moesten die er zijn -quod-non, zijn die van zulke belangloosheid, dat ze een beoordeling niet kunnen beïnvloeden. XIV-5846-3/6 Verzoeker was 16 jaar oud op het ogenblik van de feiten, nl. van de verdwijning van zijn vader. Toen hij in België aankwam was hij er
  1. Dit betreft een evolutie van adolescant tot volwassen persoon. Verder mag de psychische spanning, die hij als zeer jonge mens heeft ondergaan, niet onderschat worden, zodat wij zomaar niet koelbloedig kunnen zeggen dat het vermelden van een datum, die enigszins in tegenstrijd zou zijn met wat de moeder beweerde, op een grond zou wijzen dat een negatieve beslissing mag bevolen worden. Elk persoon, wanneer hij jaren later over feiten spreekt, zegt ‘wanneer was dat nu ook weer juist.’ Laat ons zich eerder bezig houden met de ernst en zwaarwichtigheid van de feiten, dan wel met haarklieverij. De vader van verzoeker werd meegenomen, en vond hoogstwaarschijnlijk de dood. Hij zou hetzelfde lot hebben ondergaan, zodat zijn moeder in 1988 terecht besliste dat hij het land diende te ontvluchten. Een jong leven van 16 jaar moet niet opgeofferd worden. Verder had verzoeker reeds de lasten ondervonden, van de Armeniërs enige tijd voor de verdwijning van zijn vader. Hij werd puur uit wraak sexueel benaderd en mishandeld; wat hij aan zijn ouders niet dierf zeggen, en wat hem zware psychologische letsels heeft bezorgd. Nu is hij reeds meer dan twee jaar in België, waar hij enige rust heeft gevonden, en zich heeft kunnen integreren.”; 3.
  2. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord het volgende stelt: “In het enige middel beroept verzoeker zich op een schending van artikel 52 §1,2 van de Vreemdelingenwet en van de artikelen 1, 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivatie van de administratieve akten. Ook zou artikel 1, A
(2)van de Internationale Conventie van Genève van 28 juli 1951 geschonden zijn. Betreffende de motiveringsverplichting, vervat in de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991, kan worden opgemerkt dat die motiveringsverplichting tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, hem een zodanig inzicht te verschaffen in die motieven van de handeling dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de beslissing wel degelijk kent. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. Verweerder merkt verder op dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag. Van deze bevoegdheid werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt via artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Artikel 52 van de Vreemdelingenwet biedt de commissaris-generaal de mogelijkheid een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister te bevestigen. Eén van deze onontvankelijkheidsgronden is de ‘bedrieglijkheid’ (cfr. artikel 52 § 1, 2de a waarnaar artikel 52 § 2, 2de van de Vreemdelingenwet naar verwijst). Het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn. Volgens de rechtspraak van de Raad van State kan het bedrieglijk karakter worden vastgesteld indien men tegenstrijdigheden aantoont t.o.v. gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken uit het dossier. Ook aanvaardt de Raad dat het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag kan worden afgeleid uit de tegenstrijdigheid van verzoekers diverse verklaringen (zie arr. nr. 85.078 van 3 februari 2000). Een andere onontvankelijkheidsgrond is de ‘kennelijke ongegrondheid’. Een aanvraag volgens artikel 52, paragraaf 1, 7de van de Vreemdelingenwet (waarnaar artikel 52, paragraaf 2, 2de van de Vreemdelingenwet verwijst) is kennelijk ongegrond omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging. Rekening houdend met de elementen van het dossier, zoals opgesomd in de bestreden beslissing, heeft de Commissaris-generaal terecht in hoofde van verzoeker besloten tot de bedrieglijkheid en de kennelijke ongegrondheid van zijn aanvraag. Verweerder betwist verzoekers stelling dat ‘de commissaris-generaal maar enkele kleine tegenstrijdigheden aanhaalt om een negatieve beslissing te geven’. Het betreffen immers ernstige tegenstrijdigheden die van die aard zijn dat ze op zwaarwichtige wijze de geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen omtrent zijn verblijf in de Oekraïne ondermijnen. Bovendien werd verzoekers asielaanvraag niet alleen omwille van de bedrieglijkheid, maar ook omwille van de kennelijke ongegrondheid ervan onontvankelijk XIV-5846-4/6 verklaard. Zo blijkt uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt dat de actuele toestand in Armenië zo is dat verzoeker en zijn moeder bij hun terugkeer naar Armenië geen risico lopen er vervolgd te worden op grond van etnische redenen. Tenslotte vallen ook de door verzoeker ingeroepen psychische problemen niet onder de criteria voorzien in de Conventie van Genève. Verwerende partij stelt verder nog dat elke asielaanvraag door de commissariaat-generaal afzonderlijk en individueel wordt onderzocht. Alvorens een beslissing te nemen bestudeert hij alle elementen beschikbaar in het administratief dossier. De commissaris-generaal neemt bij het nemen van een beslissing steeds de concrete situatie in het land van herkomst in aanmerking, zowel in de ontvankelijkheidsfase als bij de procedure ten gronde. Bovendien gaat het steeds om de situatie in het land van herkomst zoals deze bestaat op het ogenblik van het nemen van de beslissing. De appreciatie van de feiten in het licht van de bestaande situatie in het land gebeurt in eik stadium van de procedure. In casu heeft de commissaris-generaal verzoekers asielrelaas grondig onderzocht en getoetst aan de informatie waarover hij beschikt en die een beeld geeft van de actuele situatie in Armenië. Uit deze informatie blijkt dat sedert enkele jaren gemengde koppels in Armenië (en aldus ook hun kinderen) niet langer het slachtoffer zijn van geweld of vervolging (bronnen: Couples mixtes en Arménie, cellule documentation CGRA, dd. 27 octobre 1999; actualisation, avril 2001). Bijgevolg bestaat er in hoofde van verzoeker en zijn moeder bij hun terugkeer naar Armenië geen risico om vervolgd te worden omwille van etnische redenen. De bestreden beslissing is op correcte wijze genomen en gemotiveerd. Naast een uiteenzetting van het vluchtrelaas, zoals door verzoeker zelf aangevoerd tijdens zijn interview op het commissariaat-generaal, bevat de bevestigende beslissing gedetailleerde overwegingen die de beslissing afdoende motiveren.”; 3.3. Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Verzoekende partij kende inderdaad de motieven van het commissariaat-generaal, maar dezen zijn onvoldoende gegrond. Het commissariaat-generaal heeft haar appreciatiebevoegdheid te buiten getreden. Het commissariaat-generaal is te veel bezig met te kijken naar het algemeen beeld van de situatie van een land, zonder zich voldoende bezig te houden met de persoonlijke situatie van het individu. In tegenstrijd met de Conventie van Genève, die vereist dat er een persoonlijk gevaar bestaat, beoordeelt het commissariaat-generaal ten onrechte een globale situatie. Het is niet omdat de algemene toestand in een land ietwat gekalmeerd is, dat er geen individuele vete-haarden meer bestaan.”; 3.4. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot een algemene herhaling van het standpunt dat zij wel werd vervolgd; dat zij de vastgestelde tegenstrijdigheden slechts op algemene wijze minimaliseert als “haarklieverij” of wijt aan “psychische spanning”; dat zij in wezen haar eigen beoordeling van het dringend beroep in de plaats stelt van de beoordeling door de commissaris-generaal; dat het echter niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die door de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste XIV-5846-5/6 feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de in aanmerking genomen tegenstrijdigheden slechts één motief van de bestreden beslissing vormen; dat de verzoekende partij met het voorgaande niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime bevoegdheid waarover de commissaris-generaal krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet beschikt; dat het enige middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-5846-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.893 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.117.655 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.