← België

Arrest 150906 - - 03/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.906 Rolnummer: A. 156208/VII-32859 Zaak: Arrest 150906 - - 03/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 03:53 Fiche Arrest nr 150.906 van 3 november 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.906 van 3 november 2005 in de zaak A. 156.208/VII-32.859. In zake : de n.v. GARWIG, die woonplaats kiest bij Advocaten A. LUST en J. GOETHALS, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en I. DE TANDT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. GARWIG op 18 november 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 september 2004 houdende de ongegrondverklaring van het administratief beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 29 april 2004 waarbij de milieuvergunning aan de n.v. A. & M. GARWIG en C/ om een inrichting voor de recuperatie van afval, gelegen te 8650 Houthulst, Poelkapelle- straat 18 verder te exploiteren, uit te breiden en te wijzigen, wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 135.939 van 12 oktober 2004 waarbij de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; VII-32.859-1/8 Gelet op de beschikking van 11 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 28 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. BRILLON die, loco Advocaten A. LUST en J. GOETHALS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat I. DE TANDT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij exploiteert te Houthulst, Poelkapelle- straat 18, een afvalverwerkend bedrijf. De inrichting is volgens het gewestplan Diksmuide-Torhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 februari 1979, gelegen deels in woongebied en deels in een gebied voor milieubelastende industrie. Alle industriële activiteiten vinden plaats in laatstgenoemd gebied. De inrichting is verder gelegen op een afstand van : - circa 0 meter van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter - circa 0 meter van een agrarisch gebied - circa 100 meter van een natuurgebied. VII-32.859-2/8 1.2. Op 5 juni 2002 dient de verzoekende partij een milieuvergunnings- aanvraag in, daar haar lopende vergunning zou komen te vervallen op 6 juni 2003. 1.3. Op 17 oktober 2002 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een proefvergunning voor een periode van één jaar, nl. van 17 oktober 2002 tot 17 oktober 2003. Vervolgens beslist de bestendige deputatie op 2 oktober 2003 de proeftermijn te verlengen met acht maanden, namelijk tot 17 juni 2004. 1.4. Op 29 april 2004 neemt de bestendige deputatie een beslissing omtrent de definitieve milieuvergunning, dewelke wordt geweigerd. Tegen deze weigeringsbeslissing tekent de raadsman van de verzoekende partij per schrijven van 4 juni 2004 administratief beroep aan. 1.5. Nadat de vereiste adviezen werden gegeven, wordt met het bestreden ministerieel besluit van 27 september 2004 de vergunning geweigerd. Het decisief motief voor die weigering is dat uit de neergelegde geluidsstudie is gebleken dat op een bepaald punt de normen niet worden gehaald en dat er geen garanties zijn dat die normen in de toekomst zullen worden gehaald daar er in de studie geen concrete maatregelen worden voorgesteld. Wel wordt toegege- ven dat de exploitant reeds veel inspanningen heeft geleverd en een aantal sanerings- maatregelen heeft genomen, weze het dat deze laattijdig zouden zijn genomen; 2. De gegrondheid van het beroep 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel de schending aanvoert van "art. 20 en 18, § 1 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (MVD); art. 52, 3/,

  1. b)van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) en van art. 4.5.2.1. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende de algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), samen gelezen met haar bijlagen 4.5.4. en 4.5.5. en art. 1.1.2. Vlarem II; het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbe- ginsel"; dat in het eerste onderdeel van het middel de verzoekende partij doet gelden dat de bestreden beslissing de overschrijding op één welbepaald punt van de geluidsnorm aanwendt als doorslaggevend weigeringsmotief, dat blijkens artikel 4.5.2.1. van Vlarem II de in de bijlagen 4.5.4. en 4.5.5. bij het besluit aangegeven waarden in dB(A) richtwaarden zijn, dat deze normen bijgevolg geen grensnormen VII-32.859-3/8 zijn, dat dit impliceert dat in de motivering in concreto moet worden verantwoord waarom in casu de richtnormen als grensnormen werden gehanteerd, dat dergelijke motivering evenwel ontbreekt, dat nochtans de situatie ter plaatse tot een geïndividua- liseerd onderzoek en een bijzondere motivering omtrent de geluidsdruk noopt, dat, immers, uit het door AVITECH uitgevoerd onderzoek blijkt dat het enige kritieke meetpunt gelegen is aan "de overzijde" van de drukke Poelkapellestraat, een gewestweg en in de onmiddellijke nabijheid van het houtverwerkend bedrijf DECRUY, dat, gezien deze elementen, de vergunningverlenende overheid precies diende te motiveren waarom, ondanks het feit dat het bedrijf van de verzoekende partij zich én in een milieubelastend industriegebied én in een lawaaierige omgeving bevindt, de richtwaarde meteen als grenswaarde moet worden beschouwd; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat de verzoekende partij in haar beroepschrift heeft meegedeeld dat "de norm van 45 dB(A) (...) zeker (zal) gehaald worden”; dat zij betoogt dat zij die norm niet als een grensnorm heeft beschouwd, dat de b.v.b.a. AVITECH ACOUS- TICS in haar rapport zelf de aangehaalde norm heeft gebruikt, dat zij heeft rekening gehouden met die rapporten, dat in het rapport A. 0407.2110A van 23 juli 2004 bovendien wordt beklemtoond dat het om richtwaarden gaat, dat zij rekening heeft gehouden met de impact van de geluidsoverschrijding voor de omwonenden, dat "voor zover als nodig" kan worden verwezen naar brieven verstuurd door het "Buurtcomité De Stinkende Gouw”, waarin de geluidsproblematiek uit de doeken wordt gedaan en waarin ook wordt vermeld dat de overbuur van de dichtstbijgelegen woning, die verklaart geen klachten te hebben, sinds jaren de klusjesman is van de verzoekende partij, dat, wat de geluidshinder van het in de dichte nabijheid van de inrichting van de verzoekende partij gevestigd houtverwerkend bedrijf DECRUY betreft, eveneens kan worden verwezen naar het rapport van de b.v.b.a. AVITECH ACOUSTICS waarin wordt gemeld dat tijdens de metingen voormelde firma niet actief was gelet op haar verlofperiode; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord repliceert dat het feit dat zij heeft gesteld dat na de beëindiging van de geplande werken de 45dB(A)-norm zou worden gehaald losstaat van de kwalificatie van de norm door de verwerende partij, dat de vaststelling dat aan de richtnorm op één punt nog niet was voldaan, niet ipso facto als gevolg heeft dat de vergunning moet worden geweigerd, dat vermits de gestelde norm van 45dB(A) een richtnorm is, de minister de situatie in concreto diende te beoordelen en een afweging diende door te voeren, hetgeen hij niet heeft gedaan, dat het des te meer klemt nu zij VII-32.859-4/8 in een "naschrift" van 27 juli 2004 nog het begrip "richtnorm" en de gevolgen die eraan moeten worden gegeven, heeft toegelicht, dat de verwerende partij niet naar de geluidsstudie van de b.v.b.a. AVITECH ACOUSTICS kan verwijzen in haar betoog dat zij de norm van 45dB(A) nooit als een grensnorm heeft beschouwd, dat daarin enkel werd gesteld dat op één punt de richtwaarde van 45dB(A) lichtelijk werd overschreden, zonder evenwel daaraan de conclusie te knopen dat de vergunning niet kon worden verleend, dat uit de motivering van het bestreden besluit duidelijk blijkt dat de minister de richtwaarde als grenswaarde heeft beschouwd zonder verdere afweging, dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord nog verwijst naar brieven vanwege een buurtcomité waarin de geluidsproblematiek zou zijn uiteeng- ezet, dat het evenwel niet alleen gaat om volstrekt eenzijdige brieven, maar dat daarvan in de bestreden beslissing geen spoor terug te vinden is, dat, tenslotte, uit de neergelegde geluidsstudie blijkt dat ook het bedrijf DECRUY geluidshinder produceert daar op het dichtst bij dat bedrijf gelegen meetpunt, waar eerder wel overschrijdingen van de geluidsnorm werden vastgesteld, dit nu niet het geval was en dat het enige meetpunt waar er zich nog een probleem vormde gelegen is "langs de grote en drukke Poelkappellesteenweg die sowieso veel geluidshinder met zich meebrengt"; 2.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie in essentie nog doet gelden dat aangezien in de geluidsstudie slechts twee punten werden beoordeeld en geconcludeerd werd dat op één van beide er een overschrijding was van de geluidsrichtnorm, de kans zeer reëel is dat ook ter hoogte van andere woningen in de omgeving overschrijdingen kunnen worden vastgesteld en dat het gegeven dat de overbuur verklaard heeft geen hinder te ondervinden geen argument kan vormen ter ontkrachting van de stelling dat de geluidshinder de grenzen van het aanvaardbare overschrijdt, nu deze overbuur de klusjesman is van de verzoekende partij en het mogelijk is dat in de toekomst een andere bewoner op dezelfde locatie wel hinder zal ondervinden; dat het bestreden besluit wel voldoende concrete motieven aanhaalt die kunnen verantwoorden waarom de geluidshinder de grenzen van het aanvaardbare overschrijdt, zo onder meer de vaststelling dat binnen een straal van 100 meter rond het bedrijf zich een tiental woningen bevinden, dat er tijdens de proefperiode nog klachten werden ingediend met betrekking tot de geluidshinder en dat ook door de afdeling Milieu-inspectie werd gemeld dat de geluidsnormen niet steeds worden nageleefd; dat zij nog stelt dat in de bestreden beslissing met de opmerkingen van het buurtcomité geen rekening kon worden gehouden daar het pas op 8 november 2004 de geluidsstudie van AVITECH heeft opgevraagd; dat zij tenslotte nog opmerkt dat de verzoekende partij de geluidsover- VII-32.859-5/8 last probeert te beperken door zo min mogelijk te werken en door het afval enkel nog grof te vermalen, hetgeen minder lawaai maakt dan met fijnvermalers te werken en dat het buurtcomité opmerkt dat sinds de geluidsmetingen door AVITECH in juli 2004 de stocks afval zijn aangegroeid, hetgeen branden met zich heeft meegebracht; 2.5.1. Overwegende dat blijkens volgende afsluitende considerans uit het bestreden besluit blijkt dat de geluidshinder het decisief motief is om de vergunning te weigeren : "Overwegende dat de exploitant onlangs veel inspanningen heeft geleverd en een aantal saneringsmaatregelen heeft genomen; dat deze maatregelen echter wel laattijdig genomen werden; dat het feit dat deze saneringen nog niet volledig zijn uitgevoerd geen argument kan zijn om eventuele overschrijdingen van de geluidsnormen te minimaliseren; dat uit de geluidsstudie blijkt dat op een bepaald punt de normen niet gehaald zullen worden; dat er in de studie geen concrete maatregelen worden voorgesteld; dat er dus geen garanties zijn dat de normen in de toekomst gehaald zullen worden; dat een eventuele verhuizing van bepaalde machines naar achteren de geluidshinder op de twee beoordelingspun- ten in de geluidsstudie zou verminderen; dat dit echter een ander dossier betreft; dat gezien het feit dat er te veel onzekerheden en veranderingen zijn (plaats van de breker, geluidsoverschrijdingen) er geen vergunning kan verleend worden; dat er hiervoor eerst concrete saneringsmaatregelen en een correct uitvoeringsplan nodig moeten zijn"; 2.5.2. Overwegende dat artikel 4.5.2.1. van Vlarem II luidt als volgt : "Ter beoordeling van het geluid van de inrichtingen gelden de in de bijlagen 4.5.4. en 4.5.5. bij dit besluit aangegeven waarden in dB(A) als richtwaarden waaraan het specifieke geluid in open lucht van een inrichting wordt getoetst"; dat daaruit duidelijk blijkt dat de geluidsnormen van Vlarem II richtnormen zijn; dat dit impliceert dat uit de bestreden beslissing de concrete elementen moeten blijken op grond waarvan geoordeeld werd dat de overschrijding van die richtnormen een voor de omgeving onaanvaardbare geluidshinder tot gevolg heeft; dat de motivering in het bestreden besluit desbetreffend zich beperkt tot de vaststelling dat "uit de geluidshin- der blijkt dat in één beoordelingspunt voor het geheel van de activiteiten niet aan de normering van titel II van het Vlarem voor nieuwe inrichtingen werd voldaan"; dat daarbij komt dat dit één beoordelingspunt enkel de dichtstbijgelegen woning van de overbuur zou betreffen die zelf verklaard heeft geen hinder te ondervinden; dat de bewering van de verwerende partij dat deze overbuur de klusjesman van de verzoekende partij zou zijn, nog niet meebrengt dat de overschrijding op dat punt van de richtnorm van Vlarem II - in strijd met de verklaring van de overbuur - wel een onaanvaardbare hinder meebrengt; dat de verwerende partij wel terecht stelt dat in het bestreden besluit wordt vermeld dat tijdens de proefperiode de klachten met VII-32.859-6/8 betrekking tot geluidshinder werden ingediend maar dat die loutere vermelding niet werd vergezeld van een concrete beoordeling van die klachten; dat het gebrek in het bestreden besluit aan concrete motieven die zouden kunnen verantwoorden waarom de geluidshinder de grenzen van het aanvaardbare overschrijdt, er op wijst dat de verwerende partij de richtwaarde voor geluid als grenswaarde heeft gehanteerd; dat het feit dat de verzoekende partij zelf heeft gesteld dat na voltooiing van alle saneringswerken de norm zou worden gehaald, geenszins een uitspraak inhoudt over het feit of die norm een richtnorm dan wel een grensnorm is; dat het feit dat in de geluidsstudie van AVITECH wordt gesteld dat de norm van 45dB(A) een richtwaar- de betreft, niet het bewijs levert dat ook de verwerende partij die norm als een richtnorm heeft gehanteerd; dat, tenslotte, geen rekening kan worden gehouden met de door de verwerende partij in haar laatste memorie aangebrachte motieven die geen weerslag vinden in het bestreden besluit; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 september 2004 waarbij het beroep van de n.v. GARWIG tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 29 april 2004 houdende weigering van de milieuvergunning om een inrichting voor de recuperatie van afval, gelegen te 8650 Houthulst, Poelkapellestraat 18 verder te exploiteren, uit te breiden en te wijzigen, ongegrond wordt verklaard. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-32.859-7/8 Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie november tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-32.859-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.906 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.939 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.