id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.910 Rolnummer: A. 167277/X-12540 Zaak: Arrest 150910 - - 03/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-07 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 03:55 Fiche Arrest nr 150.910 van 3 november 2005 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.910 van 3 november 2005 in de zaak A. 167.277/X-12.
- In zake :
- Bart DENDOOVEN,
- Robert WITTEVRONGEL, die woonplaats kiezen bij Advocaat F. CORYN, kantoor houdende te 9000 GENT, Casinoplein 19 tegen :
- de gemeente AALTER,
- het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- tussenkomende partij : Adriaan STAELENS, die woonplaats kiest bij Advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bart DENDOOVEN en Robert WITTEVRONGEL op 27 oktober 2005 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Aalter van 17 oktober 2005 houdende afgifte aan Adriaan STAELENS en Martine VAN OVERBEKE van de stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een kippenstal op een terrein gelegen te Aalter, Hageland 4, op een perceel kadastraal bekend Sectie E, nr. 206 c; Gezien de nota's van de verwerende partijen en de tussenkomende partij; X-12.540-1/13 Gelet op de beschikking van 27 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. CORYN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat J. SUCAET, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat T. DE SUTTER, die loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat E. RENTMEESTERS, die loco Advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat Adriaan STAELENS met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
- Overwegende dat de bestendige deputatie van bij besluit van 17 februari 2005 aan Adriaan STAELENS en Martine VAN OVERBEKE de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor het slopen en herbouwen van een bedrijfswoning en bijgebouwen en het aanleggen van een vijver op een terrein gelegen te Aalter, Hageland 4, op percelen kadastraal bekend, Sectie E, nrs. 205 e, f, g en 206 c, "volgens ingediend plan onder voorwaarde dat de bedrijfsgebouwen gelijktijdig opgericht worden met de bedrijfswoning"; dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 24 maart 1978 vastgesteld gewestplan Eeklo-Aalter is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat deze vergunning onder meer de bouw vergunt van een kippenstal met een lengte van 100 m, een breedte van 34,30 m en een nokhoogte van 6,30 m op het perceel nr. 206 c, in te planten op 17 m van de linker zijgevel van de woning en op 9 m van de voorste perceelsgrens; dat onder verzoeker voormeld besluit van de bestendige deputatie heeft aangevochten met een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring X-12.540-2/13 (zaak A. 162.094/X-12.290); dat het arrest nr. 149.203 van 21 september 2005 de afstand in hoofde van de toenmalige eerste verzoeker heeft ingewilligd en de vordering in hoofde van de tweede verzoeker, in huidige procedure eveneens tweede verzoeker, heeft verworpen wegens het niet voldaan zijn aan de voorwaarde dat de vordering een uiteenzetting van de feiten dient te bevatten die aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat Adriaan STAELENS en Martine VAN OVERBEKE inmiddels op 15 april 2005 een nieuwe aanvraag hadden ingediend voor het "bouwen van een kippenstal" op het perceel nr. 206 c; dat de nieuwe aanvraag een kippenstal betreft met een lengte van 100 m, een breedte van 39,30 m en een nokhoogte van 8,10 m, in te planten op dezelfde afstand van de linker zijgevel van de woning en de voorste perceelsgrens en uit te voeren met de volgende materialen: geïsoleerde silexpanelen, herfstbruine golfplaten, bruine houten ramen en deuren, houten bruine poorten, pvc goten en afvoeren; dat aan de westelijke perceelsgrens een groenscherm wordt voorzien; dat de gemachtigde ambtenaar op 2 augustus 2005 een gunstig advies heeft gegeven; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 16 augustus 2005 de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend; dat de eerste en de tweede verzoeker dit besluit hebben aangevochten bij de Raad van State met een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid (zaak A. 166.555/X-12.514); dat bij het arrest nr. 150.132 van 12 oktober 2005 de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit is bevolen; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen bij een eerste besluit van 17 oktober 2005 de stedenbouwkundige vergunning van 16 augustus 2005 heeft ingetrokken; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen bij een tweede besluit van 17 oktober 2005 de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een kippenstal andermaal verleend heeft; dat dit besluit het voorwerp vormt van de voorliggende vordering tot schorsing; Overwegende dat de eerste verzoeker eigenaar en bewoner is van een woning, gelegen Hageland 5, op circa 150 m ten westen van de op te richten X-12.540-3/13 kippenstal; dat de tweede verzoeker eigenaar is van een woning, gelegen Hageland 3, op circa 40 m tegenover de op te richten kippenstal;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende, wat de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering betreft, dat de aangevochten stedenbouwkundige vergunning niet als voorwaarde oplegt dat de kippenstal slechts gelijktijdig kan worden opgericht met de bedrijfswoning vergund bij besluit van 17 februari 2005 van de bestendige deputatie van ; dat uit de goedgekeurde plannen blijkt dat de vergunde werken in snelbouwconstructie worden uitgevoerd; dat gelet op deze bouwwijze en de aard van de te gebruiken materialen, alsmede op het feit dat met de werken gestart is op grond van de stedenbouwkundige vergunning verleend op 16 augustus 2005 en dat, toen die werken stilgelegd werden op 13 oktober 2005, het metalen skelet van de stal reeds in grote mate was opgetrokken, de verzoekers op goede gronden aanvoeren dat de vergunde werken reeds volledig kunnen zijn voltooid vooraleer over een vordering tot schorsing, ingesteld volgens de gewone procedure, uitspraak zou zijn gedaan; Overwegende voorts wat het optreden van de verzoekende partijen met de voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste spoed betreft, dat de verzoekers verklaren op 27 oktober 2005 kennis te hebben genomen van het bestaan van de thans bestreden vergunning; dat geen gegevens worden bijgebracht waaruit kan blijken dat de verzoekers reeds voordien kennis hadden van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning; dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingesteld op dezelfde dag, zijnde op 27 oktober 2005; Overwegende dat de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering afdoende verantwoord is; X-12.540-4/13
- Overwegende dat de verzoekers in een eerste middel de schending aanvoeren van artikel 51 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het koninklijk besluit van 24 maart 1978 houdende vaststelling van het gewestplan Eeklo-Aalter, van de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, evenals het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag en machtsoverschrijding; Overwegende dat de verzoekers in de toelichting bij het middel uiteenzetten dat het betrokken bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Eeklo-Aalter is gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat de bepalingen van artikel 15, 4.6.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 aan deze gebieden beperkingen opleggen met het oog op de ontwikkeling of de bescherming van het landschap van het betrokken gebied, dat met betrekking tot de toelaatbaarheid van bouwwerken in landschappelijk waardevolle gebieden deze moeten worden getoetst aan een tweevoudig criterium, met name enerzijds een planologisch, hetwelk veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, en anderzijds een esthetisch, hetwelk inhoudt dat bedoelde werken in overeenstemming moeten worden gebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap, dat niet valt in te zien hoe een bouwwerk zoals het vergunde met een oppervlakte van 100 m op 39,30 m en een nokhoogte van 8,10 m de schoonheidswaarde van het landschap niet kan aantasten, dat het huidige nieuwbouwproject niet kan worden vergeleken met de initieel aanwezige rundveestal van 30 m op 25 m, dat, in tegenstelling tot hetgeen wordt overwogen in de motieven van het bestreden besluit, het niet gaat om een "vernieuwing" van de bestaande bebouwing, doch om het oprichten van een gloednieuwe "mastodont" kippenstal, in de plaats van een voordien bestaande rundveestal van beperktere afmetingen, dat met de oprichting van de nieuwe stal een niet te veronachtzamen schaalvergroting zal worden doorgevoerd, dat uit de omschrijving, in het bestreden besluit, van het betrokken landschap als een vlak gebied met microreliëfelementen en een dambordpatroon van bossen en open landbouwgebieden, waarin de dreven medebepalend zijn, niets kan worden afgeleid omtrent de schoonheidswaarde van het landschap en omtrent de weerslag van een menselijke ingreep daarop, dat de overweging dat de keuze van de materialen van de X-12.540-5/13 stal, de verschijningsvorm en de vooropgestelde aanplantingen maken dat de visuele impact aanvaardbaar blijft, geen afdoende motivering inhoudt waaruit kan blijken dat de vergunde bouwwerken de te beschermen schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen, dat de verwijzing naar de aanwezigheid van grootschalige industriële landbouwbedrijven in de omgeving geen verantwoording kan bieden om het landschappelijk waardevol karakter van het betrokken agrarisch gebied helemaal te vernietigen, dat de gegeven gewestplanbestemming evenzeer op de toekomst is gericht, zeker wanneer die bestemming ertoe strekt de specifieke waarden van het gebied te vrijwaren en zelfs te ontwikkelen, dat het opgelegde groenscherm en gebouw een echte muur van steen en groen zullen opwerpen over een lengte van 100 m, hetgeen niet typisch is voor de omgeving, dat de verplichte aanleg van een groenscherm erop wijst dat de vergunningverlenende overheid zelf ervan uitgaat dat de schoonheidswaarde van het landschap door de ontworpen constructie wordt geschonden of alleszins geschonden dreigt te worden, dat niet valt in te zien hoe de aanleg van het groenscherm, dat alleen ter hoogte van de linker perceelsgrens wordt voorzien, ertoe kan leiden dat de te beschermen schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar wordt gebracht door de oprichting van een stal met een omvang zoals bij het bestreden besluit wordt vergund en uit te voeren in de genoemde materialen, dat derhalve uit de motivering van het bestreden besluit niet blijkt dat de vergunde handelingen en werken verenigbaar zijn met de bestemmingsvoorschriften bepaald in artikel 15, 4.6.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972; Overwegende dat krachtens artikel 15, 4.6.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, de landschappelijk waardevolle gebieden gebieden zijn "waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen", en "in deze gebieden (...) alle handelingen en werken (mogen) worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen"; dat krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten gronde liggen, en dat deze afdoende moeten zijn; dat uit een en ander volgt dat het college van burgemeester en schepenen in de beslissing over de X-12.540-6/13 aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning zelf de concrete gegevens dient te vermelden waarop het zich heeft gesteund om tot het besluit te komen dat de afgifte van de gevraagde stedenbouwkundige vergunning de schoonheidswaarde van het te beschermen landschap niet in gevaar brengt, en dat met niet in die beslissing vermelde redenen geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat het de Raad van State niet toekomt zijn beoordeling van de bestaanbaarheid van de aanvraag met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat hij in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht wel bevoegd is na te gaan welke de feiten zijn waarop de overheid haar beoordeling heeft gesteund, of zij deze correct heeft vastgesteld en of zij, op grond van die feiten, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen handelingen en werken de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen; Overwegende dat zoals hiervóór reeds uiteengezet het betrokken bouwwerk een kippenstal betreft van 100 m op 39,30 m met een nokhoogte van 8,10 m; Overwegende dat de motivering van het standpunt van het college van burgemeester en schepenen met betrekking tot de verenigbaarheid van de aanvraag met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied, onder de "beoordeling van de goede ruimtelijke ordening", ervan uitgaat dat de beoordeling van de overeenstemming met de genoemde bestemming moet gebeuren volgens een tweevoudig criterium, een planologisch en een esthetisch; dat wat het planologisch criterium betreft, er wordt verwezen naar artikel 15, 4.6.1, van het koninklijk besluit van 28 december 1972, en er wordt overwogen dat het exploiteren van een landbouwbedrijf, meer bepaald voor scharrelkippen, in overeenstemming is met de bestemming van het gebied volgens de grondkleur, zijnde de bestemming als agrarisch gebied; dat wat het esthetisch criterium betreft, er wordt ingegaan op drie "pijlers" : het bestaande landschap, het voorwerp van de aanvraag en het groenscherm; dat met betrekking tot het bestaande landschap de schoonheidswaarde ervan wordt omschreven aan de hand van de beschrijving ervan in de landschapsatlas; dat het landschap aldus wordt omschreven "als een vlak gebied met microreliëfelementen en een dambordpatroon van bossen en open landbouwgebieden", waarin de dreven sterk beeldbepalend zijn; dat voorts wordt opgemerkt dat de huidige verschijningsvorm van het landschap, met verscheidene X-12.540-7/13 landbouwbedrijven, een rechtstreeks uitvloeisel is van de historische ontginningswijze van het veldgebied, dat met de ontworpen constructie enkel de bestaande bebouwing wordt vernieuwd, en daardoor de hiervóór genoemde typische kenmerken van het landschap, die de schoonheidswaarde bepalen, niet gewijzigd of aangetast worden, dat immers het dambordpatroon, de dreven en de bijhorende begroeiing onaangetast blijven, dat de situatie volledig anders zou zijn indien de aanvraag betrekking zou hebben op een volledig nieuwe exploitatie, dat de ontworpen kippenstal, samen met de reeds vergunde bedrijfswoning, niet vreemd is aan het landschap dat historisch gegroeid is naar een agrarisch-cultureel landschap met erbijhorende landbouwbedrijven; dat met betrekking tot het voorwerp van de aanvraag wordt opgemerkt dat de voorliggende aanvraag enkel betrekking heeft op de kippenstal waarvoor door de bestendige deputatie reeds op 17 februari 2005 een vergunning verleende, samen overigens met een vergunning voor andere werken, dat de kippenstal thans evenwel groter is, dat, in vergelijking met het verouderd landbouwbedrijf dat bestond vóórdat de vergunning van 17 februari 2005 werd afgegeven, de omvang van de thans ontworpen constructie geen onaanvaardbare wijziging vormt, dat de constructies bedoeld in de vergunning van 17 februari 2005 en in de voorliggende aanvraag zorgen voor de vernieuwing van een verouderd bestaand landbouwbedrijf, waarvan de ruimtelijke impact vergelijkbaar blijft, dat er door de afdeling Land naar aanleiding van de eerste aanvraag reeds op gewezen werd dat het een noodzakelijke en toekomstgerichte moderniseringsronde voor het bedrijf betreft, dat de kippenstal bovendien ook wat de materiaalkeuze betreft, integreerbaar is in de omgeving, dat de gevels worden opgetrokken in geïsoleerde silexpanelen in licht bruine kleur, met houten ramen en deuren en houten bruine poorten, terwijl als dakbedekking wordt geopteerd voor herfstbruine golfplaten, dat de stal qua verschijningsvorm aansluit bij de vergunde bedrijfswoning, die zal opgetrokken worden in rustieke materialen, en bij de exploitaties in de onmiddellijke en de ruimere omgeving, dat de keuze van de materialen van de stal, de verschijningsvorm en de vooropgestelde aanplantingen maken dat de visuele impact aanvaardbaar blijft; dat met betrekking tot de aanleg van het groenscherm wordt overwogen dat, in overeenstemming met de voorwaarde waarvan de afdeling Monumenten en Landschappen op 4 juli 2005 haar gunstig advies over de voorliggende aanvraag afhankelijk had gemaakt, de aanplanting van een groenscherm met landschapseigen groen wordt opgelegd, zoals voorgesteld in het landschapsintegratieplan dat op verzoek van de bouwheer is opgemaakt door de dienst Land- en Tuinbouw van de provincie Oost-Vlaanderen, dat de aanleg van zulk groenscherm, welke aansluit bij de beplanting in de omgeving en het landschap, kadert in de verdere X-12.540-8/13 landschapsontwikkeling, dat de bedoeling van deze aanplanting erin bestaat de schoonheidswaarde van het landschap, zoals dit historisch gegroeid is, verder aan te vullen, op een wijze die hierbij aansluit, dat de aanleg van het groenscherm het landschap dus verder ontwikkelt en de schoonheidswaarde ervan ten goede komt; dat geconcludeerd wordt, wat het esthetisch criterium betreft, dat de bouw van een kippenstal geen aantasting betekent van de landschapswaarde van de omgeving, en dat de aanvraag zelfs bijdraagt tot de landschapsontwikkeling; Overwegende, wat het bestaande landschap betreft, dat uit de in het bestreden besluit overgenomen algemene kenmerken van de omgeving volgens de landschapsatlas blijkt dat het gaat om een landelijke omgeving van bossen en open landbouwgebieden; Overwegende dat tot de omgeving weliswaar ook landbouwbedrijven behoren; dat in zoverre in het bestreden besluit verwezen wordt naar thans bestaande landbouwbedrijven bestaande uit "grote stallen", evenwel opgemerkt moet worden dat het bestaan van zulke grote constructies, die zelf al moeilijk te verenigen zijn met de bestemming als landschappelijk waardevol gebied, niet met goed gevolg kan worden aangevoerd om een verdere aantasting van de schoonheidswaarde van het landschap te verantwoorden; dat in zoverre in het bestreden besluit ervan uitgegaan wordt dat op het betrokken perceel zelf steeds een landbouwbedrijf "van gelijkaardige omvang" gevestigd was, opgemerkt moet worden dat uit de nota van de tussenkomende partij blijkt dat zich ter plaatse een jongveestal van 750 m3 en een melkveestal van 935 m3 (beide thans gesloopt), naast een silo, bevonden; dat de aanvraag betrekking heeft op een kippenstal van 39,30 m op 100 m, met een kroonlijsthoogte van 8,10 m; dat van de nieuwe constructie moeilijk gesteld kan worden, zoals het bestreden besluit nochtans overweegt, dat ze enkel strekt tot de vernieuwing van de bestaande bebouwing; dat het de Raad van State voorkomt dat veeleer gesproken moet worden van het slopen van de hele bestaande bebouwing, gevolgd door het oprichten van een nieuw soort bebouwing, weliswaar op hetzelfde perceel; dat de vroegere bedrijvigheid gericht was op een ander soort landbouwactiviteit, en dat de vroegere landbouwbedrijfsgebouwen, zelfs in hun totaliteit beschouwd, van aanzienlijk geringere omvang waren dan de ontworpen kippenstal; dat het bestreden besluit, gelet op het voorgaande, lijkt te steunen op gegevens die niet correct zijn, of die althans de bestaande toestand niet in al zijn voor het landschap relevante aspecten omschrijven; X-12.540-9/13 Overwegende, wat het voorwerp van de aanvraag betreft, dat er in het bestreden besluit van uitgegaan wordt dat de ruimtelijke impact van de ontworpen kippenstal vergelijkbaar blijft met die van het verouderde, bestaande landbouwbedrijf; dat er hiervóór al op gewezen is dat die voorstelling van zaken onrecht lijkt te doen aan de schaalvergroting die de ontworpen constructie ten opzichte van de voorheen bestaande constructies met zich brengt; Overwegende dat het bestreden besluit voorts overweegt dat de visuele impact van de ontworpen constructie aanvaardbaar blijft, gelet op de keuze van de materialen en de verschijningsvorm van de stal, en gelet ook op de vooropgestelde aanplantingen; dat het besluit echter niet verduidelijkt waarom de gekozen materialen (waaronder geïsoleerde silexpanelen) en de verschijningsvorm (die overigens niet eens concreet wordt beschreven) de visuele impact binnen aanvaardbare grenzen houden; dat de motivering er op dit punt dan ook niet van doet blijken dat de vergunde bouwwerken de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen; dat er over de opgelegde aanplantingen in dit onderdeel van de motivering van de bestreden beslissing geen verdere uitleg wordt gegeven; Overwegende, wat de aanleg van het groenscherm betreft, dat de aanplanting in het bestreden besluit voorgesteld wordt als hebbende de bedoeling om de schoonheidswaarde van het landschap verder aan te vullen en het landschap zelf verder te ontwikkelen; dat de aanplanting, waarin te dezen wordt voorzien in het kader van een vergunning om een grote kippenstal op te richten, in eerste instantie echter bedoeld is om de negatieve visuele impact te beperken; dat de omvang van de visuele impact is onderlijnd in de oorspronkelijk ongunstige adviezen van de Cel Monumenten en Landschappen Oost-Vlaanderen en van de gemachtigde ambtenaar, over de aanvraag die uiteindelijk geleid heeft tot de stedenbouwkundige vergunning van 17 februari 2005; dat het opleggen van een groenscherm rond de vergunde constructie er trouwens op lijkt te wijzen dat de vergunning verlenende overheid in werkelijkheid ervan is uitgegaan dat de schoonheidswaarde van het landschap door de vergunde constructie wel degelijk geschonden dreigt te worden; dat voorts, zoals de Raad van State reeds heeft overwogen in zijn arrest nr. 150.132 van 12 oktober 2005, "op het eerste gezicht niet valt in te zien hoe de aanleg van voormeld groenscherm (...) ertoe kan leiden dat de te beschermen schoonheidswaarde van het landschap door de oprichting van een stal met een omvang zoals deze door het bestreden besluit vergund en uit te voeren in de aangegeven materialen, niet in gevaar wordt gebracht"; X-12.540-10/13 Overwegende dat uit de motieven in verband met het aanleggen van het groenscherm lijkt te moeten worden afgeleid dat het bestreden besluit de visuele impact van de ontworpen constructie op het landschap, en dus de mate van verenigbaarheid van die constructie met de schoonheidswaarde van het landschap, kennelijk minimaliseert; Overwegende dat het middel in de hiervóór aangegeven mate ernstig is;
- Overwegende, wat de voorwaarde betreft dat de verzoeker dient aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, dat de eerste verzoeker aanvoert vanuit zijn woning en tuin een rechtstreeks zicht te hebben op het vergunde bouwwerk, dat gelet op zijn aard en zijn omvang, op een ernstige wijze zijn zicht zal belemmeren; dat de tweede verzoeker aanvoert dat hij zijn woning binnen afzienbare tijd zal betrekken, en dat ook voor hem het uitzicht vanuit de woning en de tuin volledig verstoord zal worden door de vergunde bouwwerken; dat de verzoekers ter staving van het door hen aangevoerde nadeel verwijzen naar een bij het verzoekschrift gevoegde fotoreportage; dat zij voorts aanvoeren dat er naast visuele hinder ook hinder zal zijn "in de vorm van periodiek transport enerzijds van kippen en voeder (...) en anderzijds van mest", en dat er "ontegensprekelijk een geurhinder (zal) zijn", dat hun woonklimaat aldus ernstig wordt aangetast, dat de verplichte aanleg van een groenscherm, waardoor de nieuwe stal ten dele wordt gebufferd, slechts een lapmiddel is, dat eenmaal het gebouw is opgericht, het herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat moeilijk te verkrijgen is; Overwegende dat het bestreden besluit de stedenbouwkundige vergunning verleent voor het oprichten van een kippenstal met een lengte van 100 m, een breedte van 39,30 m en een nokhoogte van 8,10 m, in te planten op circa 150 m resp. 40 m van de woningen toebehorend aan de eerste en de tweede verzoeker; dat uit de goedgekeurde plannen bovendien blijkt dat het volume van de thans vergunde kippenstal aanzienlijk groter is dan dit van de voorheen bestaande bedrijfsgebouwen, en ook groter is dan dit van de op 17 februari 2005 door de bestendige deputatie vergunde kippenstal; dat uit de neergelegde plannen en foto's blijkt dat de verzoekers vanop hun eigendom een rechtstreeks zicht hebben op de vergunde constructie; X-12.540-11/13 Overwegende dat noch het feit dat de thans vergunde stal niet recht tegenover doch schuin tegenover de woning van de eerste verzoeker wordt ingeplant, noch het feit dat zijn woning is omgeven door een groenblijvende haag met een hoogte van circa 2 m, afbreuk doen aan de vaststelling dat de eerste verzoeker een visuele hinder zal ondervinden; dat het feit dat de eerste verzoeker geen vordering tot schorsing heeft ingesteld tegen de op 17 februari 2005 door de bestendige deputatie verleende stedenbouwkundige vergunning hem evenmin kan worden tegengeworpen, aangezien geen afdoende gegevens worden bijgebracht waaruit kan blijken dat hij kennis had van deze vergunning; dat de tweede verzoeker erkent niet te wonen in de woning waarvan hij eigenaar is en die hij thans verhuurt; dat hij evenwel op 27 oktober 2005 de huurovereenkomst heeft opgezegd, met ingang van 1 november 2005, om de woning binnen het jaar na de ontruiming persoonlijk te kunnen betrekken; dat deze opzegging van recentere datum is dan de door de verzoeker in tussenkomst voorgelegde verklaring van 11 maart 2005, waarbij de tweede verzoeker aan de pachter toezegt dat deze zeker tot 2010 op zijn huidige adres mag blijven wonen; dat het weliswaar niet uitgesloten is dat de opzegging niet toevallig is gegeven op de dag dat de voorliggende vordering is ingesteld; dat in de huidige stand van de procedure evenwel kan worden aangenomen dat ook de tweede verzoeker in de nabije toekomst hetzelfde moeilijk te herstellen nadeel dreigt te lijden als de eerste verzoeker; Overwegende dat de uiteenzetting van de verzoekers voldoende concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
- Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te bevelen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Adriaan STAELENS in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. X-12.540-12/13 Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Aalter van 17 oktober 2005, houdende afgifte aan Adriaan STAELENS en Martine VAN OVERBEKE van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een kippenstal op een terrein gelegen te Aalter, Hageland 4, op een perceel kadastraal bekend Sectie E, nr. 206 c. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie november 2005, door : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. P. LEMMENS. X-12.540-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.910 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.900 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.