id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.990 Rolnummer: A. 138362/XIV-15691 Zaak: Arrest 150990 - - 07/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-07-03 04:03 Fiche Arrest nr 150.990 van 7 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.990 van 7 november 2005 in de zaak A. 138.362/XIV-15.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat A. BAHRAMI, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Koningsstraat 229 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 25 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 januari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-15.691-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. LANDUYT die, loco Advocaat A. BAHRAMI verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Iraanse nationaliteit, heeft zich op 20 november 2002 vluchteling verklaard. 1.
- Op 30 januari 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 21 mei 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 januari 2003 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing: “A. Vluchtrelaas U verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Gorgan. Sinds het jaar 1378 (volgens de Iraanse kalender; komt overeen met het jaar 1999 in Gregoriaanse kalender) zou u voor de afdeling “provincie Golestan” van “Seda va Sima” (radio- en televisiezender) gewerkt hebben. Na het uitzenden van uw reportage over de overstromingen in Golestan en het ongenoegen van de lokale bevolking omtrent de hulpverlening zou er de volgende dag spontaan een manifestatie zijn uitgebroken. Deze manifestatie zou op 16/06/1381 (7 september 2002) voor het gebouw van Mr. N. M., verantwoordelijke voor het vrijdaggebed in Gorgan, plaatsgevonden hebben. Dit omdat de firma die gedeeltelijk verantwoordelijk is voor het overstromingsdrama in handen is van de familie Nour Mofidi. Op 18/06/1381 (9 september 2002) zou u door twee agenten in burger opgepakt zijn. U zou geblinddoekt weggebracht zijn naar een onbekende locatie waar u zes dagen opgesloten bleef. U zou ervan beschuldigd zijn Mr. N. M. te hebben beledigd en u zou verantwoordelijk gesteld zijn voor de manifestatie. Op 24/06/1381 (15 september 2002) zou u, dankzij bemiddeling van Mr. Mohim-Mani burgemeester van Gorgan en van Mr. Gouran gouverneur van Gha’em Shahr, zijn vrijgelaten. Nog diezelfde dag zou u via bovengenoemde personen vernomen hebben dat er een dossier tegen u geopend is op basis van belediging aan het adres van Mr. .M.. De volgende dag zou u een convocatie gekregen hebben waarin staat dat u zich op 06/07/1381 (28 september 2002) bij de rechtbank van Gorgan diende te melden. Op 26/06/1381 (17 september 2002) zou u naar uw werk gegaan zijn waar u een soort XIV-15.691-2/8 ontslagbrief in de handen werd gestoken. Op aanraden van uw vader zou u nog dezelfde dag naar Teheran gevlucht zijn waar u bij een vriend van uw vader verbleef. Op 10/08/1381 (1 november 2002) zou uw vader uw paspoort met visum aan u overhandigd hebben zodat u het land op legale manier kon verlaten. Uw vader zou u meegedeeld hebben dat hij inmiddels gearresteerd werd omdat u op 06/07/1381 (28 september 2002) niet voor de rechtbank bent verschenen. U zou vanuit Teheran een vlucht genomen hebben richting België waar u op 1 november 2002 aangekomen bent. Op 20 november 2002 heeft u hier asiel aangevraagd. B. Motivering U heeft in de loop van uw asielprocedure een essentieel element toegevoegd aan uw relaas, waardoor de oprechtheid van uw asielaanvraag ernstig in twijfel kan worden getrokken. Zo heeft u voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) met geen woord gerept over het feit dat uw vader opgepakt werd omdat u zich niet voor de rechtbank heeft aangeboden (gehoorverslag DVZ, p. 16). Dit terwijl u op de zetel van het Commissariaat-generaal (CGVS) beweert dat u al sinds uw vader u uw paspoort met visum in Teheran kwam brengen over dit gegeven geïnformeerd werd (gehoor-verslag CGVS, p. 14). Hieruit blijkt dat u nog vóór uw vertrek uit Iran en dus nog vóór het gehoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken op de hoogte was van de arrestatie van uw vader (gehoorverslag CGVS, p. 6). Het niet eerder aanhalen van dit feit ondermijnt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Ook dient te worden vastgesteld met betrekking tot de door u neergelegde convocatie van de rechtbank (op datum van 25/06/1381, komt overeen met 16 september 2002) en ontslagbrief van “Seda van Sima” (op datum van 26/06/1381, komt overeen met 17 september 2002) dat gelet op de in het administratief dossier beschikbare resultaten van het onderzoek naar de authenticiteit van deze door u voorgelegde documenten er kan geconcludeerd worden dat deze convocatie en deze ontslagbrief vals zijn (een kopie van de informatie werd toegevoegd aan het administratief dossier). De vaststelling dat deze twee documenten, die betrekking hebben op de essentie van uw vluchtaanleiding, niet als authentiek kunnen worden beschouwd doet verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw verklaringen. Tot slot dient te worden opgemerkt dat u op de zetel van het Commissariaat-generaal verklaart dat u nooit persoonlijk een visum heeft aangevraagd. Het was, zo stelt u, uw vader die in de periode dat u in Teheran verbleef (7de maand 1381, komt overeen met september / oktober 2002) alle documenten in uw plaats is gaan regelen (gehoorverslag CGVS, p. 3). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan eveneens een kopie bij het administratief dossier is gevoegd blijkt nochtans dat zo een aanvraag persoonlijk dient te gebeuren. Meer zelfs, uit deze informatie blijkt ook nog eens dat u al op 22 april 2002 een visum aanvroeg. Niet alleen heeft u met betrekking tot het al dan niet aanvragen van een visum bedrieglijke verklaringen afgelegd maar bovendien blijkt uit voorgaande dat u reeds op 22 april 2002 de intentie had om het land te verlaten, dus ruim vier maanden vóór uw arrestatie die, zoals u verklaart, de aanleiding zou zijn geweest tot uw vlucht. Deze verklaringen ondermijnen andermaal de geloofwaardigheid van uw beweerde problemen en doen ook vragen rijzen omtrent de ware reden van uw vertrek uit Iran. De overige documenten die u neerlegt, namelijk uw paspoort met visum en uw beroepskaart verschaffen wel enige informatie omtrent uw identiteit, maar voegen geen nieuwe elementen aan uw asielaanvraag toe. De vier foto’s en de krantenartikels die u voorlegt hebben betrekking op de overstromingen maar zijn niet van die aard om de appreciatie van uw asielaanvraag te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving XIV-15.691-3/8 van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “III-EXPOSE DE L’UNIQUE MOYEN: Pris de la violation de l'article 1er de la Convention de Genève du 28 juillet 1951 relative au statut des réfugiés, des articles 48, 52 et 62 de la loi du 15 décembre 1980 relative à l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, des articles 1er à 3 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, du principe général de bonne administration et du contradictoire, et de l'erreur manifeste d'appréciation; EN CE QUE la partie adverse estime que la demande d'asile formée par le requérant, est frauduleuse; qu'à ses yeux, les document présentés par le requérant à l'appui de sa demande d'asile seraient faux; qu 'en outre le requérant aurait, d'une part, omis de signaler à l'office des étrangers l'arrestation de son père et d'autre part fait une fausse déclaration quant l'obtention de son visa auprès des autorités diplomatiques belges en Iran; ALORS QU'il découle des articles 62 de la loi du 15 décembre 1980 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 la décision administrative prise à l'encontre du requérant doit être légalement motivée; Que la loi du 29 juillet 1991 érige en principe l'obligation de motiver formellement toute décision administrative de portée individuelle (art. 2); que la motivation «consiste en l'indication, dans l'acte, des considérations de droit et de fait servant de fondement à la décision». «Elle doit être adéquate» (art. 3); Que l'étendue de la motivation doit être proportionnelle à l'importance de la décision (LEROY M., «La nature, l'étendue et les sanctions de motiver», Rapport de la journée d'études de Namur du 8 mai 1992 sur la motivation formelle des actes administratifs, 12-13); Qu'en outre, la motivation doit encore être «adéquate», ce qui signifie qu'elle doit manifestement avoir trait à la décision, qu'elle doit être claire, précise, complète et suffisante. Que les dispositions visées au moyen font interdiction à la partie adverse de refuser le séjour à un candidat réfugié politique dès l'instant où il n'est pas démontré par elle que sa demande serait manifestement étrangère à la Convention de Genève ou serait frauduleuse;
- Qu'il convient de souligner que la partie adverse opère une disqualification abusive du motif de demande frauduleuse, en ce que pour qu'une demande d'asile soit considérée comme frauduleuse, il doit être prouvé que le requérant ait voulu délibérément tromper les autorités belges de l'asile; que tel n'est pas le cas en l'espèce; qu'en effet, le rapport de CEDOCA concernant les documents présentés par le requérant à l'appui de sa demande d'asile ne peut être considéré comme un rapport d'expertise dans la mesure où les sources dudit rapport demeure anonymes; que le requérant affirme que lesdits documents sont authentiques, il les a présentés tels qu'il les a reçus aux autorités belges d'asile; que le requérant tiens, en outre, à souligner qu'il eut été plus efficace de requérir l'avis des autorités iraniennes qui ont établi lesdits documents dans la mesure où ils comportent un numéro de dossier et le nom des instances concernées.
- Que concernant le grief portant sur la circonstance que le requérant aurait omis de signaler l'arrestation de son père à l'Office des étrangers, le requérant tiens à souligner qu'à l'office des étrangers il a été prié d'évoquer uniquement les problèmes qu'il a rencontrés personnellement avec les autorités iraniennes; qu'en revanche au Commissariat général le requérant a répondu à une question précise sur les nouvelles d'Iran obtenues par un membre de sa famille en séjour en Belgique.
- Que concernant le dernier grief relevé en termes de décision par la partie adverse portant sur l'obtention du visa auprès du consulat belge en Iran, le requérant affirme qu'il ne s'est pas rendu personnellement au consulat belge; qu'il affirme, en outre, que c'est bien son père qui a tout arrangé et remis le passeport muni du visa; que le XIV-15.691-4/8 requérant conscient que les autorités belges sont en mesure de vérifier de telles démarches, n'aurait jamais pris le risque de mentir à ce sujet aux instances belges d'asile;
- Qu'en tout état de cause, il convient de relever que la partie adverse s'est, en méconnaissance du principe du contradictoire, abstenue de confronter le requérant avec les griefs qui lui sont imputés en terme de décision ; qu'en effet, le requérant était en mesure d'apporter à l'aide de son conseil les explications nécessaires aux griefs qui lui sont reprochés en termes de décision. Que l'acte entrepris méconnaît ainsi les règles visées au moyen et doit dès lors être annulé par Votre haute juridiction.”; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 1 van de Conventie van Genève, van de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het beginsel van behoorlijk bestuur en van het recht op tegenspraak; dat verzoeker tevens van oordeel is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een manifeste beoordelingsfout heeft begaan; 2.2.2.
- Overwegende dat artikel 1 van de Conventie van Genève geen directe werking heeft; dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet zich beperkt tot het poneren van een algemeen recht om als vluchteling te worden erkend indien men voldoet aan de voorwaarden; dat personen die zich beroepen op de Vluchtelingenconventie niet automatisch asiel kunnen verkrijgen; dat hiervoor een bepaalde procedure dient te worden gevolgd, die, onder meer, een ontvankelijkheidsfase inhoudt; dat de ontvankelijkheid van een asielaanvraag beoordeeld wordt aan de hand van de criteria vermeld in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat, met toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, de asielaanvraag van verzoeker onontvankelijk werd verklaard; dat de schending van artikel 48 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden ingeroepen; 2.2.2.
- Overwegende dat luidens artikel 52 van de Vreemdelingenwet een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is, of omdat ze geen verband houdt met de criteria bepaald bij artikel 1, (A), 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoeker onontvankelijk heeft verklaard omdat ze bedrieglijk is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich hiervoor heeft gebaseerd op volgende overwegingen: verzoeker heeft in de loop van zijn asielprocedure een essentieel element toegevoegd aan zijn asielrelaas in verband met het feit dat zijn vader werd opgepakt omdat verzoeker zich niet voor de rechtbank had aangemeld, waardoor de oprechtheid van zijn asielrelaas ernstig in twijfel kan worden getrokken; met betrekking tot de door verzoeker neergelegde convocatie XIV-15.691-5/8 van de rechtbank en de ontslagbrief van “Seda van Sima” kan geconcludeerd worden dat deze documenten vals zijn en dit gelet op de in het administratief dossier beschikbare resultaten van het onderzoek naar de authenticiteit van deze documenten; verzoeker heeft op de zetel van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaard dat hij nooit persoonlijk een visum heeft aangevraagd, terwijl uit informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd blijkt dat zo een aanvraag persoonlijk dient te gebeuren en dat verzoeker al eens op 22 april 2002 een visum heeft aangevraagd; dat, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, het niet vereist is dat dient bewezen dat bij verzoeker de manifeste wil aanwezig is om de Belgische asielinstanties te bedriegen om in redelijkheid tot het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag te besluiten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in redelijkheid tot de conclusie kan komen dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is, door vast te stellen dat de verklaringen van verzoeker aangetast zijn door tegenstrijdigheden, of omdat zijn verklaringen verward, onsamenhangend, onvolledig, of inconsistent zijn, of, omdat de aanvraag van de asielzoeker gesteund is op valse verklaringen of op niet authentieke documenten; dat verzoeker van oordeel is dat het rapport van Cedoca in verband met de documenten die hij heeft neergelegd ter ondersteuning van zijn asielaanvraag (met name de convocatie van de rechtbank en de ontslagbrief van “Seda van Sima”) en waarnaar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft verwezen in de bestreden beslissing slechts beschouwd mag worden als een onderzoeksrapport waarvan de bronnen anoniem blijven; dat verzoeker stelt dat deze door hem voorgelegde documenten wel authentiek zijn en dat hij ze heeft voorgelegd aan de Belgische asielinstanties zoals hij ze heeft ontvangen; dat, zoals de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zelf in de bestreden beslissing stelt, het Cedoca-document zich in het administratief dossier bevindt; dat dit Cedoca-document gebaseerd is op het advies van twee Iraanse advocaten, die hun identiteit niet kunnen prijsgeven en dit om veiligheidsredenen en omwille van redenen van confidentialiteit; dat wanneer een asielzoeker kritiek heeft op de inhoud van een advies van buitenlandse advocaten, hij minstens een begin van bewijs dient aan te brengen betreffende de onjuistheid van dit advies, wat verzoeker in casu nalaat te doen; dat verzoeker met de algemene bewering dat de door hem voorgelegde documenten wel authentiek zijn en dat hij ze heeft voorgelegd aan de Belgische asielinstanties zoals hij ze heeft ontvangen, niet aantoont dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten onrechte twijfelt aan de authenticiteit van deze documenten; dat de bestreden beslissing, wat de neergelegde documenten betreft, afdoende is gemotiveerd; dat hij heeft nagelaten de arrestatie van zijn vader te vermelden voor de Dienst Vreemdelingenzaken, verzoeker tracht te verklaren doordat hem op de Dienst Vreemdelingenzaken zou zijn gevraagd enkel de problemen uiteen te zetten die hijzelf heeft gehad met de Iraanse autoriteiten; dat deze verklaring niet kan worden bijgevallen; dat er dient op gewezen dat op een kandidaat- vluchteling de verplichting rust om in elke fase van de procedure zijn asielrelaas op een volledige en correcte wijze te vertellen; dat van een kandidaat-vluchteling mag verwacht XIV-15.691-6/8 worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig, op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft in elke fase van het onderzoek, zodat op grond ervan kan worden nagegaan of er met betrekking tot de asielzoeker aanwijzingen zijn om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat verzoeker beweert dat hij niet persoonlijk een visum heeft aangevraagd, maar dat het wel degelijk zijn vader was die alles heeft geregeld; dat het hier om een bewering van verzoeker gaat die niet op enig begin van bewijs is gesteund en die de Raad van State er niet toe kan brengen aan te nemen dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn discretionaire appreciatiebevoegdheid heeft overschreden; dat verzoeker er nog op wijst dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft nagelaten verzoeker te confronteren met de grieven uit de bestreden beslissing en dit met miskenning van het principe van het recht op tegenspraak; dat er dient op gewezen dat de procedure die wordt geregeld door de Vreemdelingenwet voor de Minister of zijn gemachtigde en voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve procedure is; dat er geen wettelijke verplichting bestaat om een kandidaat-vluchteling te confronteren met tegenstrijdigheden, vaagheden of ongeloofwaardigheden; dat de taak van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen erin bestaat op objectieve wijze de elementen te achterhalen die hem toelaten te oordelen of een aanvraag al dan niet bedrieglijk is of kennelijk vreemd aan de criteria van de Conventie van Genève; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op kennelijk onredelijke wijze of op grond van onjuiste feiten tot de bestreden beslissing is gekomen; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-15.691-7/8 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.691-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.990 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.