id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.992 Rolnummer: A. 151001/XIV-19381 Zaak: Arrest 150992 - - 07/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 04:03 Fiche Arrest nr 150.992 van 7 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.992 van 7 november 2005 in de zaak A. 151.001/XIV-19.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. TRIMBOLI, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Munthofstraat 135 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX van Palestijnse nationaliteit, op 21 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 maart 2004 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 november 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 6 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-19.381-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. LANDUYT die, loco Advocaat K. TRIMBOLI verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX , van Palestijnse nationaliteit, komt in België binnen op 27 oktober 2003, waar hij zich op 28 oktober 2003 vluchteling verklaart. 1.
- Op 26 november 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 16 maart 2004 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze beslissing luidt als volgt: “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Palestijn afkomstig uit Rafah, gelegen in Gaza. Uw broer was lid van “Hamas” maar uzelf was ondanks uw deelname aan de Intifadah geen lid van een politieke beweging. In de nacht van 13 mei 2003 viel het Israëlische leger uw woonst binnen. Samen met uw vader werd u aangehouden en naar het detentiecentrum van het Israëlische leger in Eretz overgebracht. U werd er van uw vader gescheiden en werd in een cel samen met zeven andere Palestijnen vastgehouden. U werd er hardhandig over uw politiek engagement en over het politiek activisme van uw broer ondervraagd. Na enkele maanden vasthouding stelden uw gevangennemers u voor om met hen samen te werken. Hoewel u hiermee allerminst instemde, werd u op 6 oktober 2003 vrijgelaten met de mededeling dat u twee weken later door Israëlische agenten zou opgezocht worden. Thuisgekomen zag u uw vader weer en lichtte deze u in dat hij reeds vijf dagen na jullie arrestatie vrijgelaten was. Vier dagen later werden uw vader en uzelf ’s nachts opgezocht door een groep van zes gewapende “Hamas”- activisten. Ze zetten u onder druk om op te biechten welke voorwaarden de Israëli’s voor uw vrijlating hadden gesteld, waarna u hen uitlegde dat u niet ingegaan was op de Israëlische voorstellen om te collaboreren. Vervolgens waarschuwden de “Hamas”- leden u dat ze u in de gaten hielden en verlieten uw woonst. Omdat u zich in een onmogelijke positie bevond, besloot u op aanraden van uw vader Gaza te ontvluchten. Uw voormalige werkgever bracht u in contact met een grenssmokkelaar en met diens hulp vluchtte u op 15 oktober 2003 via een tunnel naar Egypte. Van Caïro vloog u over naar Madrid en vroeg op 28 oktober 2003 in België asiel aan. B. Motivering XIV-19.381-2/7 Uit een analyse van de door u voorgelegde identiteitskaart en geboortecertificaat - die in opdracht van het Commissariaat-generaal werd uitgevoerd door het "OCRFD" (Office Central de Répression des Faux Documents), Directoraat-generaal van de Gerechtelijke Politie, Federale Politie- is gebleken dat deze documenten manifeste vervalsingen zijn. Aangezien deze vaststelling aantoont dat u gepoogd heeft om de Belgische overheid te misleiden door valse papieren voor te leggen, dient te worden geconcludeerd dat uw asielaanvraag bedrieglijk en bijgevolg onontvankelijk is. Van de resultaten van deze analyses werd een kopie aan het administratief dossier toegevoegd. Daarnaast is het uiterst bevreemdend te noemen dat u verklaarde geen weet te hebben van enige nieuwe constructiewerken die de Israëlische bezetters in Rafah aan de grens tussen Gaza en Egypte hebben aangevat ( zie gehoorverslag CGVS, dringend beroep, p. 11). Deze verklaring valt niet te rijmen met informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt en waaruit blijkt dat de Israëlische bezettingsmacht in Rafah een acht meter hoge veiligheidsmuur bouwt om Gaza van Egypte te scheiden. Vermits voor de constructie van deze muur meerdere appartementsblokken gesloopt werden en duizenden stadsbewoners dakloos werden, dient te worden opgemerkt dat het feit dat u van een dusdanig ingrijpende gebeurtenis niet op de hoogte bent ernstige twijfel oproept over uw bewering dat u tot en met 15 oktober 2003 in Rafah verbleven heeft. Van deze informatie werd een kopie aan het administratief dossier toegevoegd. Verder dient te worden opgemerkt dat uw beschrijving van recente gebeurtenissen en/of incidenten in Rafah dusdanig vaag en beperkt is dat verdere vragen rijzen over uw bewering dat u tot oktober 2003 in Rafah gewoond heeft. Zo verklaarde u weliswaar dat in Rafah regelmatig huizen vernietigd worden, arrestaties plaatsvinden en gaf u aan dat er regelmatig doden vallen (zie gehoorverslag CGVS, dringend beroep, p.11) maar slaagt er niet in om een meer gedetailleerde beschrijving van de actuele situatie in de stad te geven. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd blijkt namelijk dat in het weekend van 11 op 12 oktober 2003 het Israëlisch leger een uitzonderlijk destructieve raid uitvoerde op het vluchtelingenkamp waar u verbleef. Bij deze inval in het vluchtelingenkamp Rafah kwamen acht mensen om het leven en werden diverse woonblokken met de grond gelijk gemaakt. Daarenboven zouden de Israëlische bezetters drie tunnels ontdekt hebben die van het vluchtelingenkamp naar Egypte leidden. Het feit dat u deze brutale inval, die een paar dagen voor uw beweerd vertrek uit Rafah plaatsvond, onvermeld liet toen u gevraagd werd naar de belangrijkste gebeurtenissen die zich voor uw vlucht uit Rafah in deze stad voordeden, roept verdere vragen op over uw bewering dat u tot en met 15 oktober 2003 in Rafah verbleef. Voort is uw bewering dat de uitgang van de tunnel waarlangs u Gaza verliet zich buitenshuis bevond (zie gehoorverslag CGVS, p.2) merkwaardig te noemen. Gelet op het feit dat zulks de kansen op detectie aanzienlijk verhoogt, dient te worden opgemerkt dat dit weinig aannemelijk is. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”;
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: XIV-19.381-3/7 “IV. Exposé des moyens Premier et unique moyen pris de la violation des articles 52 et 62 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès, le séjour, l'établissement et l’éloignement des étrangers, et des articles 1 à 4 de la loi du 29 juillet 1991 sur la motivation formelle des actes administratifs, et du principe de la bonne administration, de l'erreur manifeste d'appréciation, du devoir général de prudence et du principe du contradictoire. Première branche: vérification des documents déposés par le requérant Attendu que la décision attaquée prétend que le requérant aurait déposé des pièces fausses pour attester de son identité à savoir une contrefaçon de son certificat de naissance et de sa carte d'identité; Que le requérant affirme qu'il n'a jamais déposé l'original de ces documents mais une copie; Que dans ces conditions, il s'agit bien d'une reproduction et le requérant n'a jamais prétendu le contraire; Que de plus, le rapport concernant les mentions figurant sur le document est inexact; Qu'en effet, le certificat de naissance du requérant mentionne le lieu de délivrance: Jénine, la date de délivrance: 20/06/2002, son nom, sa date de naissance et la mention du fait qu'il est palestinien; Qu'en confrontant les documents déposés par le requérant et l'analyse faite par la police Fédérale, il y a lieu de se demander la police n'aurait pas confondu les documents avec les documents de quelqu'un d'autre; Que l'analyse de la carte d'identité doit faire l'objet de remarques similaires; Qu'en effet, contrairement à ce que prétend la police fédérale, le lieu de délivrance et la date de délivrance sont mentionnés; Que la police invoque, pour prétendre que le document serait un faux, le fait que la nationalité du porteur ne soit pas mentionnée, ni l'adresse de celui-ci; Que la police a conclu à la fausseté du document sur base d'information erronées; Qu'en effet, elle aurait du savoir qu'il est normal que la nationalité du porteur ne soit pas mentionnée sur la carte d'identité, elle ne l'est jamais; Que de plus, l'adresse n'est jamais mentionnée sur la carte d'identité mais sur une annexe; Que la partie adverse a tenu compte d'informations erronées sur base d'un examen par la police fédérale qui n'a pas fait son travail correctement; Que la partie adverse était tenue de procéder à un examen attentif des documents déposés par le requérant et les confronter aux examens faits par la police fédérale; Qu'en les confrontant elle aurait immédiatement constaté les divergences entre les documents produits et les constatations faites par la police fédérale; Qu'elle n'a pas fait application du principe de bonne administration; Deuxième branche: constructions et événements récents dans la bande de Gaza Attendu que la décision attaquée reproche au requérant de ne pas avoir connaissance de nouveaux travaux de construction entamés par les Israéliens à Rafah alors que selon les informations dont dispose le CGRA, les forces israéliennes construisent un mur de 8 mètres à Rafah, Que la partie adverse a pris sa décision sans tenir compte du fait que le requérant a été détenu jusqu'au 6 octobre 2003 et a fui Gaza le 15 octobre 2003; Que durant cette période de moins de 10 jours, le requérant a du se cacher, préparer son départ et était menacé par le Hamas; Que l'on peut donc imaginer, sans peine, que le requérant n'ai pas eu le temps de se préoccuper d'autre chose que de sa situation personnelle; Que la partie adverse a pris une décision expéditive sans tenir compte de la situation personnelle du requérant et en se référant à des événements qui n'ont rien à voir avec son cas personnel; Attendu que par ailleurs, il est reproché au requérant de ne pas avoir donné une description détaillée de la ville à l'heure actuelle; Qu'à nouveau, il est important de relever que le requérant n 'y est resté que 9 jours en 2003 après sa détention et en tentant de résoudre son cas personnel; Que de plus, à aucun moment, lors de l'audition il ne lui a été demandé de décrire la situation actuelle de manière détaillée; Qu'en effet, seule une question vague lui a été posée à savoir qu'on lui a simplement demandé de citer des événements récents; XIV-19.381-4/7 Qu'à cette question il a répondu de la même manière à savoir qu'il y avait des arrestations et de morts; Que suite à cette réponse la partie adverse n'a pas approfondi la question; Que si la partie adverse voulait plus d'information, il lui appartenait de reposer de nouvelles questions au requérant puisque c'est elle qui dirige le débat; Attendu que, par ailleurs, la partie adverse trouve « étonnant « le fait que la sortie du tunnel se trouvait hors d'une maison; Que le fait que la partie adverse s'étonne simplement ne suffit pas à remettre en cause le récit du requérant; Attendu qu'en résumé, l'ensemble des éléments soulevés par la partie adverse pour rejeter la demande du requérant n'est pas suffisant pour remettre en cause la crédibilité de son récit; Qu'en effet, la décision attaquée ne se réfère pas au récit du requérant relativement à ses problèmes personnels pour rendre sa décision mais se base uniquement sur la situation à Gaza; «Que le Commissaire Général a statué sans avoir procédé a un examen complet des circonstances de la cause et n'a pas motivé adéquatement sa décision » (C.E arrêt n/ 97786 du 12 juillet 2001); Que par ailleurs, la décision attaquée n'a relevé aucune contradiction dans les dires du requérant lors de ses auditions; Que la décision attaquée ne peut, par conséquent être déclarée manifestement non fondée; Qu'en effet, "est manifeste au sens de l'article 52 de la loi du 15 décembre 1980 précitée, ce dont l'existence ou la nature s'impose à un esprit raisonnable avec une force de conviction telle que de plus amples investigations n'apparaissent pas nécessaires; que certes la Convention Internationale relative au statut de réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951, approuvée par la loi du 26 juin 1953, laisse un large pouvoir d'appréciation quant à la recevabilité des demandes d'asile et que ce pouvoir a été mis en application par l'article 52 précité qui permet à l'autorité compétente de faire dépendre la recevabilité d'une demande d'asile de la production d'un commencement de preuve, des persécutions invoquées et d'un récit cohérent d'un demandeur d'asile, mais que, pour faire une application régulière de cette disposition légale, les contradictions et incohérences relevées par l'autorité compétente doivent être d'une importance telle qu'elles ne sont pas raisonnablement explicables et qu'elles justifient la certitude que le demandeur d'asile n'a pas la qualité de réfugié » (CE arrêt n/ 93644 du 1er mars 2001) De sorte que l'acte attaqué doit être annulé;”; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), de artikelen 1 tot en met 4 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het voorzichtigheidsbeginsel en het principe van de tegenspraak; dat verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een manifeste beoordelingsfout verwijt; 2.2.2.
- Overwegende dat verzoeker vooreerst de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen betwist dat de door hem neergelegde identiteitskaart en het door hem neergelegde geboortecertificaat “manifeste vervalsingen” zijn; dat verzoeker stelt dat hij niet de originele documenten heeft neergelegd doch kopieën; dat verzoeker kritiek uit op het verslag van de Federale Politie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich baseert om te besluiten tot de valsheid van de door verzoeker neergelegde identiteitsdocumenten; dat meer bepaald verzoeker stelt dat de Federale Politie ten onrechte beweert dat een aantal gegevens (zoals XIV-19.381-5/7 de plaats en de datum van aflevering, de naam, de geboortedatum, en de origine van verzoeker) niet op de neergelegde identiteitsdocumenten zouden zijn vermeld, aangezien dit volgens verzoeker wel degelijk het geval is; dat verzoeker aanvoert dat de nationaliteit en het adres nooit op de identiteitskaart worden vermeld; dat verzoeker niet kan worden gevolgd; dat dient opgemerkt dat verzoekers bewering, als zou hij niet de originele documenten hebben neergelegd doch kopieën, feitelijke grondslag mist, aangezien uit de verhoorverslagen van de Dienst Vreemdelingenzaken (pagina 9) en van het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (pagina 2) het tegendeel blijkt; dat dient opgemerkt dat het niet relevant is te onderzoeken of de Federale Politie al dan niet ten onrechte heeft beweerd dat een aantal gegevens niet op de neergelegde identiteitsdocumenten zouden zijn vermeld; dat het oordeel van de Federale Politie betreffende de valsheid van deze documenten immers niet gebaseerd is op deze bevindingen, doch wel op de vaststelling dat de documenten laserkopieën zijn; dat met betrekking tot de identiteitskaart de Federale Politie uitdrukkelijk specifieert dat zowel het papier en de inktzegel een laserkopie uitmaken; dat de Federale Politie het volgende toevoegt: “Si l’hypothèse d’une rupture de stock entraînant la reproduction d’originaux par des copies est toujours possible, la reproduction d’un sceau à encre par ce même procédé relève de la plus haute fantaisie”; dat de Federale Politie beide documenten bestempelt beide documenten als “(des) contrefaçon(s) totale(s)”; dat verzoeker met geen enkel concreet element de onjuistheid aantoont van deze bevindingen van de Federale Politie; dat verzoeker er dan ook niet in slaagt de kennelijke onredelijkheid aan te tonen van het oordeel van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoeker “gepoogd heeft om de Belgische overheid te misleiden door valse papieren voor te leggen”; 2.2.2.
- Overwegende dat verzoeker ingaat op de overwegingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen betreffende verzoekers gebrek aan kennis omtrent de door de Israëli’s gebouwde “veiligheidsmuur”, alsmede op de opmerkingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen betreffende verzoekers vage en beperkte beschrijvingen “van recente gebeurtenissen en/of incidenten in Rafah”; dat dient vastgesteld dat deze kritiek van verzoeker betrekking heeft op overtollige overwegingen en opmerkingen vanwege de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, zodat deze kritiek niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat de bestreden beslissing immers reeds op afdoende wijze wordt gedragen door het hierboven besproken doorslaggevend motief betreffende de valsheid van de door verzoeker neergelegde identiteitsdocumenten, op basis waarvan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in alle redelijkheid kon besluiten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielrelaas; dat het enig middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake XIV-19.381-6/7 geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.381-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.992 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.