← België

Arrest 151007 - - 08/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.007 Rolnummer: A. 124821/XIV-11110 Zaak: Arrest 151007 - - 08/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-22 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-03 04:09 Fiche Arrest nr 151.007 van 8 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.007 van 8 november 2005 in de zaak A. 124.821/XIV-11.110. In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 1 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 juni 2002 tot weigering van een verzoek om machtiging tot verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-11.110-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. DE PONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. DE VRIESE die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1 Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 14 juli 1999 en zich op 22 juli 1999 vluchteling verklaart; dat op 23 maart 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 7 december 2000 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist tot de weigering van erkenning van de hoedanigheid als vluchteling; dat op 2 april 2001 de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen het beroep van de verzoekende partij daartegen ontvankelijk doch ongegrond verklaart; Overwegende dat op 27 april 2001 de verzoekende partij een aanvraag om machtiging tot verblijf indient; dat op 21 februari 2002 de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag ontvankelijk doch ongegrond verklaart; dat de verzoekende partij deze beslissing niet heeft aangevochten; Overwegende dat op 14 maart 2002 de verzoekende partij een tweede aanvraag om machtiging tot verblijf indient; dat op 7 juni 2002 de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag ontvankelijk doch ongegrond verklaart; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “Reden(

  1. en)(...) De eerste aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9.3 van de wet van 1980 werd reeds ontvankelijk doch ongegrond verklaard op 21/02/2002. Bij de tweede aanvraag op 14/03/2002 worden geen nieuwe elementen aangebracht die voldoende zijn om het verblijf toe te staan; bijgevolg wordt ook deze aanvraag geweigerd. (...).”; 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 9 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Doordat De bestreden beslissing als volgt gemotiveerd werd (...) Terwijl, XIV-11.110-2/5 Het feit dat de minister buitengewone omstandigheden aanvaardde die de verzoekende partij belette terug te keren naar Armenië, zelfs voor een korte periode, met name ten einde een visum aan te vragen, op zichzelf een justificatie is voor de gegrondheid van zijn vraag tot regularisatie van zijn verblijf in België. Dat het onderzoek van de aanvraag vanuit twee invalshoeken, geenszins uitsluit dat eenzelfde feit tezelfdertijd een buitengewone omstandigheid kan zijn en een reden ter verantwoording van het toekennen van een verblijfsvergunning. En terwijl, De omzendbrief van 15 december 1998 over de toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de regularisatie van bijzondere situaties, uitdrukkelijk bepaalt dat regularisatie mogelijk is in een van de situaties waarvoor criteria zijn vastgelegd, dit wil zeggen: - de aanvragen tot het bekomen van een verblijfsvergunning, voor situaties waarvoor een recht op verblijf kan worden ingeroepen: (...) op basis van een arbeidskaart (...) - personen die om redenen onafhankelijk van hun wil onmogelijk kunnen terugkeren. Dat in casu de verzoekende partij beschikt over een arbeidskaart, zodat zijn aanvraag had dienen gegrond verklaard te worden. Dat daarenboven, zoals hiervoor reeds uiteengezet, de minister aanvaard heeft dat hij niet naar zijn land terug kan. En terwijl, De bestreden beslissing niet antwoordt op de argumenten ten gronde die de verzoekende partij heeft ingeroepen ten einde de regularisatie van zijn verblijf te bekomen op humanitaire gronden. Dat niet kan uitgemaakt worden of de minister de argumenten heeft onderzocht en dat niet wordt gepreciseerd waarom en in welke mate de door de verzoekende partij aangebrachte feiten niet ‘voldoende’ zouden zijn. Dat overigens de wet niet vermeldt wat er als ‘voldoende’ dient beschouwd te worden ten einde geregulariseerd te kunnen worden. Dat de ‘buitengewone omstandigheden’ waarvan sprake in art. 9 van de Vreemdelingenwet alleen betrekking hebben op de procedure die alsdan kan gevolgd worden, met name de aanvraag bij de burgemeester, procedure die door de verzoekende partij werd gevolgd en waarvan de minister zegt dat ze terecht werd gevolgd. Dat in casu de verzoekende partij argumenteerde dat hij zelf op een regelmatige wijze sinds 6/11/2000 tot op vandaag is tewerkgesteld bij Intercargo N.V. te Wondelgem, dat zijn kinderen hier op een regelmatige wijze en sinds juli 1999 onderwijs volgen, dat de kinderen betere Nederlands spreken en vooral schrijven dan Armeens, dat de familie over het algemeen zich in België volledig heeft ingepast doordat alle leden van de familie Nederlands hebben geleerd en tenslotte dat de familie hier in België een nieuwe hechte vriendenkring heeft opgebouwd (talrijke attesten). Dat de beslissing over dit alles compleet stilzwijgend is, zodat de motiveringsplicht niet werd nagekomen. Dat verzoeker voor elk mondeling verhoor de Nederlandse taal kiest. Dat de verzoekende partij om het voordeel van de kosteloze rechtspleging verzoekt en te dien einde het bewijs overlegt dat de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand heeft bekomen en zulks overeenkomstig art. 33 van het Koninklijk Besluit van 9 juli 2000.”; 2.2. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij de eerste aanvraag steunde op feit dat haar dochter vermist is, dat zij tewerkgesteld is en de kinderen goed geïntegreerd zijn; dat de minister van Binnenlandse Zaken de eerste aanvraag heeft afgewezen op grond van de volgende motivering: “(...) Het feit dat K., K. fraude heeft gepleegd door te verklaren dat ze A. R. heette terwijl haar echte naam K., K. is, en door de foutieve geboortedatum en geboorteland op te geven, (
  2. is)een gegronde reden is om haar regularisatieaanvraag af te wijzen. Op 18 oktober 2001 werd er immers door de Vreemdelingendienst van Kortrijk een fax naar onze diensten gestuurd met de mededeling dat betrokkene was komen melden dat ze een alias had met als bewijs har Armeens paspoort met haar echte identiteit. Bovendien is ook het feit dat dochter Vartianian, Elmira op 09/02/2001 uit de ouderlijke woonst verdween, geen voldoende reden om regularisatie toe te staan vermits zij ondertussen reeds terecht is. Hierdoor kan geen gunstige regeling worden toegestaan. (...).”; XIV-11.110-3/5 Overwegende dat de verzoekende partij de tweede aanvraag steunt op feit dat zij tewerkgesteld is, dat de kinderen goed geïntegreerd zijn en dat zij een hechte vriendenkring hebben opgebouwd; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken bij het onderzoek naar de gegrondheid van een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de vreemdelingenwet een ruime appreciatiebevoegdheid heeft; dat de verzoekende partij nalaat in concreto aan te tonen welke nieuwe elementen haar tweede aanvraag, in vergelijking met de eerste, ondersteunen; dat derhalve de minister van Binnenlandse Zaken kon oordelen dat in de tweede aanvraag geen nieuwe elementen worden aangebracht die voldoende zijn om het verblijf toe te staan; dat de motivering van de bestreden beslissing duidelijk aangeeft op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat de verzoekende partij ook geen schending van de formele motiveringsplicht aannemelijk maakt; dat het enige middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-11.110-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht november tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-11.110-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.